Beste Matthijs,

De eerste week zonder De Wereld Draait Door zit erop. Overal is met eerbied en ontzag afscheid van jou en jouw programma genomen. Je had je de eerste week vakantie vast anders voorgesteld, ik wel in ieder geval.

Ik schrijf je omdat ik de afgelopen tijd overal las hoe knap jouw, of misschien moet ik zeggen jullie, programma gemaakt werd. Vrijwel iedereen leek het erover eens dat DWDD heel belangrijk was voor de Nederlandse televisie.

Daar is weinig tegenin te brengen. Er keken niet alleen heel veel mensen, jullie hebben ook als geen ander aandacht besteed aan het medium televisie. Zelfs de mensen die voor de krant beroepsmatig over de beeldbuis schrijven zaten aan tafel. Vaak ging het over de kijkcijfers. Ik durf te zeggen dat jij er de afgelopen jaren in bent geslaagd het grote publiek ervan te overtuigen dat hoge kijkcijfers het belangrijkste, zo niet enige, criterium zijn waar een televisieprogramma aan dient te voldoen.

Ik herinner mij nog hoe je je best hebt gedaan DWDD van NPO3 naar NPO1 te krijgen. Niet omdat jullie er dan inhoudelijk op vooruit zouden gaan, maar omdat dat de kijkcijfers ten goede zou komen. De afgelopen weken las ik dat de kijkcijfers nog nooit zo hoog waren geweest. Complimenten daarvoor.

De reden dat ik je schrijf, is dat ik ook vaak las hoe belangrijk DWDD voor de cultuur in Nederland geweest is. Dat, Matthijs, verbaasde mij. Natuurlijk, kijkcijfers zijn ook onderdeel van onze cultuur, steeds meer zelfs, maar wat werd bedoeld is die cultuur die zich niet laat meten in kijkcijfers. Literatuur, theater en muziek.

Gordon, Beau en Joling waren vaste gasten

Voor ik uitleg wat ik bedoel, moet ik misschien eerst vertellen waarom ik nooit bij je aan tafel heb gezeten. Het toeval wil dat DWDD en mijn carrière tegelijk begonnen. In oktober 2005, toen jullie de eerste uitzending hadden, speelde ik de eerste try-out van mijn eerste solovoorstelling. In die tijd had ik nog geen kinderen en keek ik veel meer tv dan nu.

Al snel kreeg ik het vermoeden dat ik bij uitstek het soort gast was dat bij jou aan tafel zou kunnen zitten. Ik praat makkelijk en heb werkelijk over alles een mening. Een mening die ik, zoals deze brief bewijst, gevraagd en ongevraagd de wereld in slinger.

Al snel kreeg ik het vermoeden dat ik bij uitstek het soort gast was dat bij jou aan tafel zou kunnen zitten

Bovendien maak ik cabaret, wat zo ongeveer de meest populaire podiumkunst van dit land is. Maar hoe zeer mijn impresariaat en ik het ook probeerden die eerste jaren, er was bij jouw redactie geen interesse. Ik was niet bekend genoeg.

Achteraf begrijp ik dat heel goed. Jij snapte toen al, dat wie kijkers wil trekken, zich zal moeten omringen met mensen die kijkers trekken, zoals Gordon, Beau en Joling. Wie beroemd wil worden, doet er goed aan zich te omringen met andere beroemdheden.

Vandaar dat ook toen mijn tweede theatervoorstelling in première ging, ik door jouw redactie te licht werd bevonden om aan te schuiven. Ik moet bekennen dat ik dat jammer vond. Juist aan het begin van mijn carrière had ik wel wat rugwind kunnen gebruiken. Het cliché van de uitverkochte zalen ging voor mij niet op. De recensenten waren tevreden, maar beroemd was ik zeker niet.

Toen ik bekend werd, mocht ik aanschuiven

Pas in 2008, toen de Wereld al drie jaar Doordraaide, kwam eindelijk het verlossende telefoontje. Een redacteur van jullie programma wilde mij koste wat kost die avond nog in de uitzending hebben. Als het hielp konden ze een taxi regelen die mij zou halen en brengen.

Wat was er veranderd? Twee dagen eerder waren er in Roermond een paar mensen boos weggelopen tijdens van mij. Mensen die vonden dat ik bepaalde grappen niet had mogen maken. Die mensen hadden de lokale omroep gebeld, het theater in Roermond had daarop meteen bekendgemaakt dat ik daar nooit meer mocht komen spelen, Theo Maassen en plotseling was ik En dus wilde ieder tv-programma mij hebben.

Ik besloot het niet te doen. Ik wilde niet bekend worden vanwege een relletje. Bovendien wilde ik geen aandacht geven aan een paar boze mensen. De grappen in kwestie had ik al een jaar lang iedere avond verteld, en altijd had het publiek ze prima begrepen. In wezen was er niet zo veel aan de hand.

Niet bang om vijanden te maken

Grappig genoeg was het in diezelfde periode dat ik bijna voor DWDD was komen te werken. Jouw eindredacteur, Ewart van der Horst, was op zoek naar korte filmpjes, zoals die van De Jakhalzen, die konden worden ingestart als er in de studio even wat mensen of camera’s moesten worden verplaatst.

Een vriendin van mij, die met een soort muppetpoppen werkt, vroeg of ik mee wilde denken. Het idee was om drie poppen die zogenaamd voor een regionale omroep werken, dagelijks een korte reportage te laten maken.

Zo kwam het dat wij op een dag tegenover Ewart van der Horst zaten, de man die jij altijd de architect van het programma hebt genoemd. Van der Horst, die nu Jinek produceert en die ook al aan de wieg van RTL Boulevard stond, is een expert als het gaat om televisiemaken. Laatst las ik hoe Jaïr Ferwerda trots vertelde dat hij van Ewart had geleerd dat alle items die hij maakte

Met zijn zonnebril op zijn hoofd hing Van der Horst achterover in zijn stoel en keek ons onderzoekend aan. Als wij filmpjes voor DWDD wilden maken, zei hij, dan moesten we iedere dag een negen scoren. Minder was bij hem eenvoudigweg niet goed genoeg.

We moesten bewijzen dat we niet bang waren om vijanden te maken

Licht geïntimideerd en lacherig verlieten we zijn kantoor. We mochten één proefaflevering maken, maar die moest van hem niet alleen vlijmscherp en hilarisch zijn, we moesten vooral bewijzen dat we niet bang waren om vijanden te maken. Oh ja, en het moest ook zeer actueel zijn. Dat laatste leek ons een probleem, omdat de actualiteit snel wordt achterhaald, en ons filmpje een paar weken later bekeken en gewogen zou gaan worden.

Zo kwamen we op het idee om dan dat rare gesprek met Ewart van der Horst zelf maar te verfilmen, dan zou hij meteen zien dat we niet bang waren om de confrontatie te zoeken. We bouwden het kantoor van Ewart na, vonden iemand die op hem leek, zetten hem een zonnebril op en lieten onze drie poppen op sollicitatie komen.

Of het goed gelukt was of niet, wil ik in het midden laten. Wel weet ik dat toen we het filmpje hadden ingeleverd, Ewart zijn telefoon nooit meer heeft opgenomen. Ook mijn agent kreeg hem niet meer te pakken. We zijn keurig betaald, maar hebben nooit meer iets gehoord.

Aanschuiven voor Joden of vrijheid van meningsuiting

Gek genoeg zorgde het relletje in Roermond ervoor dat ik opeens een bekende Nederlander was. Al had ik alle interviews over het relletje dan afgeslagen, iedereen wist nu wie ik was. Ook jouw redacteuren bleven bellen, vooral als er ergens ophef was over de vrijheid van meningsuiting. Maar ook als er gepraat moest worden over iets met Joden.

Ik begon te begrijpen dat de rollen waren omgedraaid. Ik had jullie niet meer nodig, jullie hadden mij nodig: een Bekende Nederlander, die het goed doet op tv.

‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt’, zei Johan Cruijff, en dat is precies wat er gebeurde. Ik begon te zien dat jullie in het gevecht om de kijkcijfers vooral bekende en succesvolle mensen in de studio wilden hebben. Ja, daar zaten ook kunstenaars bij, maar ook die waren pas welkom als ze succesvol waren.

Het meest schrijnende voorbeeld was het interview dat je afnam met de schrijver en psychiater Hans Keilson. Hij was die week in The New York Times onverwacht uitgeroepen tot een van ’s werelds belangrijkste schrijvers. Hij schoof aan om over de plotselinge internationale aandacht voor zijn boek te praten.

Jij was zwaar onder de indruk van zijn plotselinge roem en feliciteerde hem na afloop enthousiast met die fantastische prestatie. Waarop hij nog net iets mompelde in de trant van: ‘Nou ja, het boek gaat natuurlijk wel over de vernietiging van mijn hele familie, dus feliciteren lijkt mij niet op zijn plaats.’

Ik geloof dat jij het nauwelijks hoorde. Jij was tevreden. Het gesprek met de oude wat excentrieke psychiater die plotseling wereldberoemd was geworden was wat ze in het vak ‘fantastische tv’ noemen.

Geen zuur programma

Iedere theatermaker die langskwam werd door jou overladen met complimenten. Vrijwel iedere introductie begon met iets over uitverkochte zalen en lovende recensies. Je eindredacteur zei daar ooit in een interview over Ook dat snap ik.

Zoals ik ook begrijp dat iemand die vijf dagen per week in de studio zit, zelf geen tijd heeft om naar het theater te komen. Wat ik niet snap, is wat die gesprekken dan nog met cultuur te maken hebben. Als alles goed, fantastisch en uniek is, betekenen die woorden op den duur niet veel meer.

Eigenlijk gingen al die gesprekken over succes en roem. Terwijl het bij het soort cultuur waar ik op doel, vooral gaat over verlies, en verval. Kunst kan ons met die onvermijdelijke en onaangename ingrediënten van het leven verzoenen door er een vorm aan te geven.

Natuurlijk, Joost Zwagerman vertelde aan tafel over kunstenaars, maar dat ging altijd over beroemde kunstenaars. Nooit heb ik hem en lans horen breken voor een schilder die niet al beroemd was.

Kunstenaars mochten zichzelf komen verkopen, zodat jullie jezelf beter konden verkopen

Zijn opvolger, Jasper Krabbé, zat er vooral omdat hij zelf heel bekend is. Ik herinner mij de uitzending waarin hij mocht vertellen over David Hockney. De wereldberoemde schilder was in Nederland en Krabbé had Hockney zullen interviewen en kwam toen een halfuur met hem vast te zitten in de lift. Een vriend wees mij erop dat als je goed naar die keek, je kon zien dat de assistent van Hockney het verzameld werk van Jasper Krabbé in zijn hand hield. Krabbé had hem dat blijkbaar gegeven. Hij was dus niet naar Hockney gekomen uit interesse voor de tachtigjarige meester, maar om zichzelf te verkopen.

Dat was in een notendop de formule van jullie programma. Kunstenaars mochten zichzelf komen verkopen, zodat jullie jezelf beter konden verkopen. Een win-winsituatie voor wie beroemd wil worden en blijven, maar met inhoudelijke kunstbeschouwing had het niets te maken.

Het boekenpanel

Toen de Amerikaanse komiek Lena Dunham in Nederland was om haar boek te promoten, mocht jouw tafelheer Marc-Marie Huijbrechts met haar door Amsterdam lopen. ‘Wist ze wel wie jij was?’ vroeg jij aan Marc-Marie. Jammer, want je had ook kunnen vragen wat Dunham in haar boek over roem schreef. Namelijk dat het zwaar overschat en oninteressant is.  

Natuurlijk kwamen kijkers soms per ongeluk iets te weten. De boekenwereld was heel blij dat er eens in de maand boekverkopers zaten die enthousiast een boek mochten aanprijzen. Dat was ook leuk, maar de boekenbranche was daar vooral blij mee, omdat het een van de laatste plekken was waar op de tv überhaupt het bestaan van boeken werd erkend. Je zou kunnen zeggen dat we dankbaar moeten zijn dat jullie die dienst tenminste aanboden.

Zelf heb ik altijd vermoed dat jullie er iets veel belangrijkers voor terugkregen. Jullie konden zo aan de NPO duidelijk maken dat jullie programma aandacht besteedde aan literatuur. De NPO kon die taak zo van haar lijstje strepen, en jullie werden alleen maar onmisbaarder. Terwijl het inhoudelijk natuurlijk niet heel veel voorstelde.

Nostalgie met Van Dis

En Adriaan van Dis dan? Die mocht soms aanschuiven om een schrijver te interviewen. Maar ook dat was niet omdat jullie interesse hadden in die schrijvers, maar omdat nostalgie het, net als roem, goed doet op tv. Vaak ging het in de af- en aankondiging dan ook meer over Van Dis, en hoe bijzonder het was dat hij voor jullie nog een keer zijn kunstje kwam opvoeren, dan over de schrijvers die Van Dis mee had genomen.

Nostalgie is mensen geven wat ze al kennen

Nostalgie is mensen geven wat ze al kennen, dat trekt kijkers en werkt troostend – dat geef ik graag toe. Zeker de afgelopen weken bleek hoe graag mensen kijken naar dat wat ze al kennen. Het herinnert ons aan betere tijden. Of misschien moet ik zeggen, aan tijden die beter lijken, omdat ze achter ons liggen. Maar dat is meteen ook de valkuil.

Nostalgie wapent ons niet voor de toekomst. Nostalgie is ook stilstand. Het is achteruitkijken. Het is op veilig spelen en ieder risico dat kijkers afhaken tot een minimum beperken.

Wat dat betreft heb ik de Amerikaanse latenightshows altijd een stuk eerlijker gevonden. Daar wordt nooit gedaan alsof er belangrijke kunst geagendeerd wordt, maar is de afspraak duidelijk. Beroemde gasten komen langs om iets te verkopen en de presentator, die geen moment pretendeert een journalist te zijn, zorgt dat het gezellig blijft.

DWDD kon een bandje máken

Sinds corona is het enige programma dat wij thuis nog iedere dag kijken het Jeugdjournaal. Daar mocht tv-recensent Angela de Jong (AD) uitleggen waarom DWDD zo belangrijk was geweest. DWDD, zo vertelde Angela, gaf mensen de kans om beroemd te worden. Een bandje dat een paar minuten bij jullie speelde, kon plotseling volle zalen trekken, vertelde ze aan de jeugdige kijkers naast mij op de bank.

Ik denk dat ze daar helemaal gelijk in had. En al die mensen die dankzij jou beroemd werden, gaven jou de kans om nog beroemder te worden. Jullie zorgden ervoor dat daar geen risico’s bij werden genomen. Want al hebben jullie wekenlang toegeleefd naar en teruggekeken op een compositie van de wereldberoemde componist John Cage die bestond uit tien seconden stilte, echt interesse voor kunst die niet in één minuut toegankelijk is, was er niet.

Hoeveel jazz hebben jullie nou echt laten horen? Hoe vaak heeft een heel strijkkwartet ook maar een deel van een stuk mogen spelen? Wanneer was er nou echt aandacht voor moderne dans? Nooit. Omdat dat oprechte interesse en aandacht van de kijker vraagt.

Ja, hoor ik je denken, maar ze wilden wel allemaal komen. Dat klopt, want je was zo succesvol dat je een monopolist werd. Ze konden nergens anders heen.

Tv kan alleen platslaan

Een paar maanden geleden zou ik hebben afgesloten met een oproep om daar in je nieuwe programma iets aan te doen. Maar dat was voor ik van de Amerikaanse schrijver Neil Postman las.

Postman legt in dat boek geduldig uit dat televisie als medium niets anders kan dan alles korter en platter maken. Tv-makers die dat niet doen, verliezen kijkers, en wie kijkers verliest, verdwijnt van de televisie. Dat was toen Postman zijn boek in 1984 schreef in Amerika zo, waar commerciële belangen bepalen welk programma blijft en welk programma verdwijnt, maar het is inmiddels bij de Nederlandse publieke omroep ook zo.

Kijk maar naar het VPRO-programma Boeken. Dat was niet alleen heel goedkoop om te maken, het was zo ongeveer het enige programma dat in tijden van corona door had kunnen gaan. Een presentator sprak op anderhalve meter afstand met een schrijver over diens boek zonder dat er publiek bij zat. Niet over het succes van dat boek, of over hoe het is om een succesvol schrijver te zijn, maar over de inhoud.

Dat programma, dat mensen in deze idiote tijd had kunnen helpen om een boek te vinden waar ze de tijd mee door konden komen, is verdwenen. Niet omdat het te duur was, niet omdat het te inhoudelijk was, niet omdat er geen mensen naar keken, maar omdat de kijkcijfers niet hoog genoeg waren.

Laat cultuur met rust

Ik verbeeld mij trouwens niet dat ik je verbaas met deze analyse. Gevraagd naar het hoogtepunt van vijftien jaar DWDD vertelde je over de hommage die jullie gebracht hebben aan tv-presentator Dat was jouw voorbeeld: iemand die net als jij programma’s maakte waar veel mensen zich mee amuseerden.

Als ik je na het lezen van Neil Postman iets zou willen vragen, dan is het wel om de cultuur in je nieuwe programma met rust te laten.

Tv, zo stelt Postman, is pas echt vernietigend als ze ingewikkelde onderwerpen probeert te reduceren tot iets toegankelijks. Of dat nu gaat over politici die hapklare antwoorden moeten geven omdat kijkers anders afhaken, of wetenschappers die spektakel moeten bieden omdat wat ze echt te vertellen hebben niet werkt op tv, of om kunst. Op tv verwordt alles tot inhoudsloos amusement.

Op tv verwordt alles tot inhoudsloos amusement

Als deze krankzinnige tijden ons één ding duidelijk maken, is het wel hoe volslagen nutteloos roem en succes zijn nu we allemaal op onszelf worden teruggeworpen. Je ziet het aan de wanhopige manier waarop al die beroemdheden proberen iets bij te dragen. Door filmpjes op te nemen en steun te betuigen. Hoe ze allemaal langzaam tot de conclusie komen dat de kracht van roem verdampt op het moment dat je zelf niets te verkopen hebt.

Wat we nu nodig hebben, zijn mensen die echt iets kunnen. Artsen, vrachtwagenchauffeurs, leraren, boeren, verpleegkundigen, apothekers – noem maar op. Die mensen verdienen het om als ze thuis komen te ontspannen. Dat mag met tv die gezellig is, die nostalgisch en vrolijk is. Ik ben de laatste om te roepen dat we nu allemaal als bezetenen de moeten gaan lezen.

Maar diezelfde mensen verdienen het ook te weten dat, als ze even uitgelachen zijn, er in literatuur en kunst iets te halen is dat zich niet laat reduceren tot succes en kijkcijfers. Iets dat meer aandacht vereist. Waar je misschien niet iedere dag de puf voor hebt, maar wat wel degelijk kan helpen om je te wapenen om deze eenzame tijden door te komen. 

Wat we nodig hebben is niet meer goede tv, schrijft Postman in de conclusie van zijn boek, maar meer slechte tv. Tv die niet pretendeert meer te zijn dan ze is. Meer Willem Duys dus.

Ik denk dat veel mensen daar, nu en als dit alles voorbij is, heel veel plezier aan zullen beleven. En wie weet doet het de kunst en cultuur wel goed als ze verlost worden van de alles-vervormende wetten van de tv.

Wie weet, en ik reken nergens op, kan er dan een tijd aanbreken waarin het succes van een kunstwerk niet wordt afgemeten aan de roem van de maker of verkoopcijfers, maar aan de vraag of het gelukt is ook maar één iemand even te verzoenen met de krankzinnige wereld waarin we allemaal leven.

Meer lezen?

Wie is er bang voor fantasie? Of je nou naar het theater gaat, een boek leest, een film bekijkt of voor een schilderij staat. Kunst is veel leuker, zinniger en opwekkender als je haar niet te letterlijk neemt, maar zelf interpreteert. Ik neem je mee naar Who’s afraid of Virginia Woolf door theatergezelschap De Koe. Lees mijn verhaal hier terug