Dakgoten, purschuimpiemels, bluetoothspeakers waar Frans Duijts uit lamenteert – ik heb de bouwvakkers die ons appartementencomplex renoveren al veel dingen boven het hoofd zien houden sinds ze hier een halfjaar geleden begonnen. 

De laatste weken kwam daar iets bij: hun blote hand, met de palm naar buiten gericht. Soms begeleid door een ‘sorry!’ of een: ‘nog even!’. Want hun baas’ baas besloot dat de renovatie gewoon door kon gaan – ook nu de meer dan 1.200 bewoners van ons gebouw dag en nacht zijn veroordeeld tot thuis, elkaar, de bouwvakkers en hun Radio Hollandio. 

Teringherrie van de verbouwing was er ook pre-quarantaine, maar omdat de winkeliers onder in het gebouw hadden afgedwongen dat er tijdens openingstijden geen geluidsoverlast mocht zijn, bleef het kloppen, drillen en jekkeren beperkt van half acht tot half tien ‘s ochtends (jup). Nu de winkeliers even weg zijn, heeft de bouw vrij spel en wordt er geboord, geschuurd, gesloopt, gebonsd, van half acht tot vijf. 

Lees die vorige zin nog eens.

Kijk op een willekeurige kwart voor acht ’s ochtends op de binnenplaats en je zult een van mijn medebewoners in pyjamabroek en op twee verschillende badslippers voor de keet van de opzichter zien staan, vragend, smekend, wanhopig gebarend. Verstaan zul je hem niet. 

De binnenplaats is het hart van ons complex. In de winter staat er een kerstboom waarin kinderen uit de buurt (foto’s van) hun dode huisdieren hangen. In de lente wordt er gejeu-de-bould of gepetanquet en dan gediscussieerd over of er nou net is gejeu-de-bould of gepetanquet en of dat nog iets doet voor de puntentelling. 

In de zomer, als iedereen zijn ramen open heeft, hoor je er in stereo buren zuchten, hoesten, doortrekken en klaarkomen. Niet per se in die volgorde, maar vorige zomer wel een keer en daar denk ik nog vaak aan. 

In de zomer, als iedereen zijn ramen open heeft, hoor je er in stereo buren zuchten, hoesten, doortrekken en klaarkomen

De binnenplaats voelt anders nu. Ze ging van plek waar je buiten binnen kunt zitten naar plek waar je binnen buiten mag zitten. Dichtbevolkt door bouwvakkers die ook maar hun werk doen, sorry, ook als er nog helemaal niemand iets heeft gezegd, maar ze ergens een deur open horen gaan en vermoeden dat het eraan zit te komen.

Vlak naast het raam van mijn slaapkamerkantoor staat deze middag een bouwvakker met een groen hesje, een rolmaat en engelengeduld. Naast dat slaapkamerraam zit namelijk de voordeur van mijn buurman en die deur moet opgemeten worden. We krijgen allemaal nieuwe ramen en deuren. Weken geleden al kwam er een brief. Dat er iemand langs zou komen, dat het opmeten een minuut zou duren. Daarna nog een brief: het kon op gepaste afstand gebeuren, bij voorbaat dank voor onze medewerking.

Mijn buurman, een man zo onfit dat hij een klapstoel meeneemt om in de lift te kunnen zitten – we wonen één hoog –  is iemand die je niet bij voorbaat hoeft te bedanken. Hij doet pas open nadat de bouwvakker vier keer heeft aangebeld. Die is netjes een paar passen achteruitgegaan, maar de buurman bijt hem vanuit de gang toe nog verder weg te stappen. 

De bouwvakker: ‘Wat zegt u?’

De buurman: ‘Naar achteren!’

De bouwvakker: ‘Ik versta u niet!’

De buurman: ‘Ver-der weg!’

Een andere bewoner: ‘Schreeuw niet zo, kut!’

Een andere bouwvakker: ‘Sorry!’

Die ene bouwvakker: ‘Ik dóé voorzichtig, ik heb een vrouw en kinderen!’

Een boor: ‘UUUUUHHHHNNNNNN’

Die avond loop ik langs de grote deur richting de binnenplaats, waarop altijd briefjes hangen. Iemand een bijzettafel nodig? Iemand deze oorbel verloren? Iemand kinderpostzegels kopen? Voor het eerst sinds ik hier woon overweeg ik ook een briefje op te hangen. 

Een verzoek om tijdelijke vrijstelling van excuses. Voor iedereen. Sorry hoor. Nog even. 

Meer lezen?

Hoe slecht is lawaai? Honderden miljoenen mensen lijden aan geluidsoverlast in de EU alleen al – en dat kost bakken met geld. Maar hoe slecht is geluid precies voor de volksgezondheid? Lees het verhaal van Zeno