Zoeken naar Haruki M.

Seattle, 13 december 2013

‘Ik was zevendertig en zat vast in mijn stoel in een Boeing 747. Het enorme toestel was bezig door een dik wolkendek te landen op het vliegveld van Hamburg. Een koude novemberregen kleurde de aarde donker en gaf alles − het grondpersoneel in hun regenkleding, de vlaggen op het vlakke luchthavengebouw, de BMW-billboards − de uitstraling van een somber decor in een schilderij van de Vlaamse School.’

Een blik uit het vliegtuigraam herinnert me aan die openingsalinea. Ze komt uit Norwegian Wood, de roman waarmee Haruki Murakami in 1987 zo onverbiddelijk doorbrak in Japan dat hij zich genoodzaakt zag te verhuizen, eerst naar Griekenland, later naar Italië en de Verenigde Staten. Niet dat ik boven Hamburg zweef − de grauwe landingsbaan die, rijkelijk laat, zichtbaar is geworden door de wijkende bewolking maakt deel uit van Seattle-Tacoma International Airport. Maar het brein zoekt vergelijkingsmateriaal, in een poging nieuwe ervaringen in de context van oude te plaatsen.

Dat Murakami in mijn gedachten is, ligt voor de hand. Na jaren vergeefs proberen − meestal via zijn assistente in Aoyama, de trendy winkelwijk in Tokio waar Murakami kantoor houdt − heb ik eindelijk toestemming gekregen de gedoodverfde Nobelprijs-winnaar te interviewen. Niet direct mijn verdienste, maar het resultaat van lobbyen door Atlas Contact, zijn Nederlandse uitgever, en NRC Handelsblad.

Na een tussenstop in Seattle zal ik doorvliegen naar Honolulu, Hawaï, waar het gesprek zal plaatsvinden op de campus van de universiteit waar Murakami gastschrijver is. Ik ben opgetogen en op mijn hoede. Murakami staat weliswaar bekend als punctueel, hij heeft ook de reputatie van iemand die met tegenzin spreekt. Misschien dat hij zich nog bedenken zal, of misschien dat het gesprek zo stroef zal lopen dat ik met verbaal gruis blijf zitten, zoals anderen voor mij overkwam. Ook kan ik nog te pletter storten in de Stille Oceaan.

Groningen, 2003

Een oude piraat vindt een schatkaart, ik vond een boek. Het stond met de rug naar me toe tussen duizenden soortgenoten, lonkend. Ik woog het in de hand, liet de pagina’s door mijn vingers gaan, rook het papier − de juiste houttonen, een subtiele suggestie van lijm. Op het omslag stond een figuur die viel of vloog of sprong tegen een achtergrond vertekend door bewegingsonscherpte. De zwart-witte afbeelding beviel me, net als de typografie, de evocatieve titel en de cadans van de schrijversnaam. Van het geheel ging een zintuiglijke bekoring uit, en dat was uiteindelijk waarom ik The Wind-Up Bird Chronicle kocht.

Had ik onbewust aangevoeld dat dit boek me binnenstebuiten zou keren? Ik las in bed en in bad en betrapte mezelf erop dat ik letterlijk naar adem lag te happen. Sinds ik door het universum had gereisd aan de hand van Heinlein en Vance, had ik niet meer zo’n ‘sense of wonder’ ervaren.

Waar ging dit boek eigenlijk over? Een man was zijn kat kwijt, zijn vrouw ging er zonder verklaring vandoor, er was een afdaling in een waterput, een hotelkamer aan de andere kant van een metafysische muur, het vleesgeworden Kwaad, de getuigenis van een veteraan uit marionettenstaat Manchukuo, een tienermeisje met te veel praatjes. Dit alles greep in elkaar, misschien niet eens op een intellectueel niveau, maar toch zeker op gevoelsniveau. Het was een duistere reis door een half-herkenbare wereld, maar in mijn hoofd woei een frisse wind.

Ik las in bed en in bad en betrapte mezelf erop dat ik letterlijk naar adem lag te happen

De maanden daarop kocht ik elke vertaalde Murakami waar ik de hand op kon leggen. Terugdenkend dringt zich een beeld op van het vakantiehuisje Duinhoeve − ik had het gehuurd om mijn verjaardag te vieren, maar sloot mezelf bij voorkeur op in de badkamer met Norwegian Wood, het verhaal van een jongen die worstelt met gevoelens voor een meisje met psychische problemen. De zon scheen, de geur van zee, helmgras en naaldbos drong binnen door het halfopen tuimelraam, meeuwen leverden sarcastisch commentaar. Ik had zelf het nodige te stellen met een zachtaardig meisje dat te veel dronk en te weinig at − ze scharrelde door het huis, ongetwijfeld eenzaam en zich bewust van naderend onheil. Ik wilde vluchten, maar zoals ik toen nog gewoon was, koos ik de weg naar binnen.

Misschien resoneerde Murakami’s werk daarom wel. Omdat hij over onthechte twintigers en dertigers schreef die gekoeioneerd werden door machten die buiten hun controle en begrip lagen, in een complexe en ondoorzichtige wereld. Het waren passieve, fatalistische hoofdfiguren − shikata ga nai, niets aan te doen. Dat gevoel was herkenbaar, al had ik zelf een groter aandeel in mijn eigen lot gehad dan Murakami’s antihelden. Met de jaren zou ik leren dat er wel degelijk iets aan te doen is.

Hoe dan ook, ik was me er direct van bewust dat ik een unieke schrijver had ontdekt. In Murakami’s spirituele detectives bewogen de figuren zich tussen de anonieme Großstadt en het surrealistische landschap van ‘ergens anders’; er werd geput uit de iconografie van de hoge en de lage, de westerse en de oosterse cultuur. Murakami was (soort van) postmodern en (soort van) experimenteel. Maar huiswerk? Dat nooit. Zijn intuïtieve benadering stond ver af van een hermetische traditie waarin geen mus zonder reden van het dak viel. Bij Murakami vielen mussen van het dak, gewoon omdát. En je moest niet raar opkijken als de mus zijn snavel opendeed voor een wijdlopige terzijde. Zo liet Murakami me zien tot hoever je de literaire werkelijkheid kon oprekken zonder dat het weefsel inscheurde.

Tokio, 2010

Afgeladen videogame centers, doordringend elektronisch gesnerp en gefluit, reusachtige digitale schermen aan de muren van warenhuizen en kantoorgebouwen… Zo had Murakami de wijk Shibuya, Tokio, omschreven in zijn korte roman After Dark. Met mijn hoofd iets boven de massa uit laveerde ik door de mensenzee. Daar gingen de Harajuku-meiden in hun minirokjes, hun kapsels als lelies op zwart water. En daar: de salarymen die haastig door de drukte navigeerden om de trein te halen. Scherven van een mozaïek: scholieren die bij de McDonald’s hun bestelling doorgaven door hun mobiel in het gezicht van een fastfoodmedewerker te drukken, zonder een woord, zonder oogcontact; bejaarde Japanners die gebogen voort schuifelden door een gelaagd decor van elektronicareclames; het knagende gevoel plankton te zijn…

In achterafstraatjes − waar het gewemel luwde − ging ik op zoek naar de locatie van de Peter Cat, het koffiehuis annex jazzcafé dat Murakami tussen 1974 en 1981 met zijn vrouw uitbaatte. Het duurde even − in Tokio doet men niet aan een helder systeem van straatnamen en adressen. Op de eerste verdieping van een zeskantig betonnen gebouw trof ik uiteindelijk een karakterloos café-restaurant met plakletters op de ramen. Ik liep naar binnen, groette een serveerster, maakte een paar aantekeningen, ging weer. Tussen het werk door had Murakami hier twee korte romans geschreven, Hear the Wind Sing en Pinball, 1973, de nog weinig substantiële voorlopers van De jacht op het verloren schaap. Daarna had hij het café verkocht om zich volledig op schrijven te kunnen richten. Zijn geest waarde hier allang niet meer.

Ik was onderweg van de ene boekhandel naar de andere. In Nihonbashi had ik het grootste filiaal van de Maruzen-keten bezocht. Het derde deel van Murakami’s 1Q84 lag gestapeld bij de ingang en vormde een stadslandschap van hardcovers. Ik werkte aan een artikel over de vraag hoe Japanners Murakami lazen. Pikten ze, door hun wezenlijk andere culturele bagage, dingen op die wij misten? Ik nam aan van wel, maar de winkelmanager had er weinig over te zeggen gehad. Liever had hij het over de verkoopcijfers, die toch opmerkelijk waren gezien het ontbreken van een marketinginspanning. ‘Mister Murakami don’t need.’ Zelf had hij nog nooit een Murakami gelezen. Hij was meer het type voor managementboeken.

Foto: Auke Hulst

Foto: Auke Hulst

Vanuit Shibuya pakte ik de Yamanote-lijn naar station Ebisu, op loopafstand van, naar men zei, de beste Engelse boekwinkel van de stad. In de overvolle metro zat iedereen opgesloten in mobieltjes, manga’s of Murakami’s, hunkerend naar personal space. Ik had me al vaker afgevraagd waarom lijvige Japanse romans in banden werden opgedeeld, maar plots begreep ik het: wie in Tokio leeft, leest in de metro, en dan zit je niet op een baksteen te wachten.

De Good Day Bookstore was gevestigd op de derde etage van een onooglijk kantoorgebouw, in een soort klaslokaal met bruine kasten en tl-verlichting. De clientèle bestond die dag uit een handvol Japanse studentes en een enkele expat. Ik werd te woord gestaan door Steve Kott, een slungelachtige Amerikaan die ooit geëmigreerd was om in dienst te treden bij een advocatenkantoor. Zijn latere vrouw − hij duidde de Japanse caissière met het mondkapje aan − had de boekhandel opgericht. Kott werd klant, geliefde en uiteindelijk mede-eigenaar. Trots liet hij me een paar zeldzame Murakami-uitgaven zien. De Engelstalige studenteneditie van het nooit buiten Japan uitgebrachte Pinball, 1973 moest omgerekend 500 dollar kosten.

Kott omschreef Murakami als een ‘post-nationale’ schrijver. Een totale Amerika-fanaat, met zijn liefde voor jazz, Chandler en Fitzgerald. Ik wist toch wel dat Murakami zijn eerste verhaal in het Engels begonnen was, om na tien bladzijden over te stappen naar Japans?

‘Maar er moeten elementen zijn die specifiek Japanners aanspreken,’ suggereerde ik.

Kott knikte driftig. Murakami, zei hij, schrijft al zijn hele carrière over ontwortelde mensen − freelancers en werklozen, vrijwel zonder vrienden en wars van familiebanden. On-Japanse individuen. ‘Traditioneel was dit een land waar trouw aan een werkgever absoluut was. Je werkte je hele leven voor één bedrijf, waar je stap voor stap door de rangen ging. Niet op basis van kwaliteit, maar op basis van anciënniteit. Maar dat is de laatste vijftien jaar onder druk komen te staan.’ De staatsschuld, het te lage geboortecijfer, de langdurige economische malaise, ze hadden geresulteerd in de opkomst van kortlopende contracten en schoolverlaters zonder baan. Zo sloten de romans steeds beter aan bij wat met name jonge Japanners ervoeren. Murakami was hun gids in een nieuwe werkelijkheid.

Die avond nam ik de nachtbus van Tokio naar Takamatsu. Even voor middernacht rolden we van de busparkeerplaats van Tokyo Station, op zoek naar een uitweg uit de oneindige stad. Hoewel ik in Nederland een Japan Railpass had gekocht, wilde ik de tocht absoluut per nachtbus ondernemen − het was het transportmiddel dat Kafka Tamura, de jeugdige hoofdfiguur van Kafka op het strand, had verkozen. Kafka was op de vlucht, en in de bus zou niemand naar zijn leeftijd vragen of kijken naar zijn gezicht. ‘De conducteur controleert plichtmatig de kaartjes, en dat is dat.’

Onderweg raakte Kafka in gesprek met een meisje, maar in werkelijkheid bleek de bus ongeschikt voor sociaal contact. Stoelen waren omringd door tussenruimtes die evengoed slotgrachten hadden kunnen zijn, de lichten werden direct bij vertrek gedoofd. Ik haalde sloffen uit folie, deed mijn lenzen uit en spoelde de nasmaak van donburi weg met mondwater dat ik uit arren moede doorslikte. Ruitenwissers piepten, regendruppels gleden over de ruiten. Ik werd me sterk bewust van lichaamsgeuren, en dan vooral: mijn eigen. Her en der werden gordijntjes dichtgetrokken. Mensen stoeiden met oordopjes en oogmaskers.

Ik werd me sterk bewust van lichaamsgeuren, en dan vooral: mijn eigen. Her en der werden gordijntjes dichtgetrokken. Mensen stoeiden met oordopjes en oogmaskers

Omdat ik niet slapen kon, werkte ik het Skype-gesprek uit dat ik gevoerd had met Roland Nozomu Kelts, schrijver van Japanamerica en een kennis van Murakami. Hij: een springerig webcambeeld van een man in nachtelijk New York, ik: een zonbeschenen gezicht in Japanse hotelbibliotheek.

Kelts had Murakami omschreven als chroniqueur van de moderne grootstedelijke ervaring. Die had in de conglomeratie Tokio-Yokohama-Chiba, met haar ruim dertig miljoen inwoners, een theoretisch en praktisch uiterste bereikt. Hij had het over de hybridekwaliteit van Murakami’s werk gehad: de kruisbestuiving tussen oost en west, het schakelen tussen werkelijkheden, waarvan Hard-boiled Wonderland of het einde van de wereld het meest pregnante voorbeeld was. Daarmee was Murakami in de jaren tachtig zijn tijd ver vooruit geweest. Pas later was grenzeloosheid de maat geworden, dankzij internet, virtual reality en globalisering. Zelf leek Kelts de vleesgeworden hybride. Hij had een Japanse moeder en Amerikaanse vader, pendelde tussen New York en Tokio en had een gezicht dat in Star Trek niet had misstaan.

Na anderhalf uur sloeg ik mijn laptop dicht. Slapen kon ik nog steeds niet, en aan de zwaartekrachtput van Tokio waren we evenmin ontsnapt. De rest van de nacht verkeerde ik in de schemerwereld tussen waken en slapen.

Honolulu, 13 december 2013

Het is al laat als ik land op het vliegveld van Honolulu. Een zwaarlijvige Amerikaanse heeft delen van mijn stoel gekoloniseerd − Kerst komt dichterbij, ook op Oahu, Hawaï. Ondanks een warmte die uitnodigt tot korte broek klinken in de aankomsthal kerstliedjes en -bellen − ze vloeken stevig met de fleurige bloemenkransen en billboards vol waterpret. Een halfuur later heeft de shuttlebus me al bij Waikiki Beach afgeleverd. Bij het zwembad van het hotel staat een lokale troubadour ‘White Christmas’ te spelen. Hij draagt een Aloha-shirt en heeft Polynesische gelaatstrekken. Het is allemaal erg verwarrend.

Hawaï is tegelijk echt en illusie, plastic en groen, en misschien is dat wat Murakami eraan bevalt. Jarenlang huurde hij in de zomer een woning op buureiland Kauai, waar hij Kafka op het strand schreef. (Nee, niet op het strand.) Het is bovendien het ideale klimaat voor hardlopen, een bezigheid die Murakami noodzakelijk acht om de discipline en fysieke eisen van het schrijverschap op te kunnen brengen. De zomers hier zijn ‘paradijselijk aangenaam’, zo noteerde hij in Waarover ik praat als ik over hardlopen praat, zijn boek over de parallellen tussen schrijven en het lopen van marathons. Zeker in vergelijking ‘met de drukkende, in bakstenen en beton ingekapselde hitte van Cambridge, Massachusetts’.

Ik kan me nauwelijks een betere plek voorstellen om Murakami te ontmoeten. Hawaï ligt halverwege Japan en het vasteland van Amerika, en is een amalgaam van invloeden uit beide landen. Je ziet het in de touringcars, restaurants en gezichten. Dit is Murakami-land.

Een van mijn grootste zorgen is de jetlag. Ik ben bewust een paar dagen voor het interview aangekomen, zodat mijn lichaam zich kan aanpassen en ik niet tijdens het gesprek in slaap zal sukkelen. Om dat proces te vereenvoudigen heb ik besloten een ander ritme aan te houden dan ik in Nederland gewend ben: naar bed om een uur of negen, opstaan om een uur of vier. Dan maar geen nachtleven, geen Mai Tais en geen luau. Het toeval wil dat Murakami al decennia een vergelijkbaar levensritme aanhoudt. Op een tijdstip waarop ik gewoonlijk nog in bed lig, heeft hij er al vijf schrijfuren opzitten en maakt hij zich klaar voor zijn dagelijkse trainingsloop. Ik ben benieuwd hoe het mij zal bevallen.

Takamatsu, 2010

Ergens in een vooroorlogs Japans wachtershuis trof ik zeven bejaarde mannen. Ze waren klaar met het snoeien van omringend groen en vertelden sterke verhalen onder het genot van bier en ijsthee. Ik had op goed geluk een lange trap heuvelopwaarts genomen. Zweet kietelde mijn rug, de laatste lentebloesems dwarrelden weg als vlinders. De mannen gebaarden me aan te schuiven. Volgens een Japans gezegde weegt de wijsheid van ouderdom zwaarder dan het schild van een schildpad, een verwijzing naar een oud gebruik waarbij waarzeggers de barsten lazen in een opgewarmd schild. Deze mannen zouden zonder meer veel te vertellen hebben. Maar helaas, zei ik, nihongo ga dekimasen, ik spreek geen Japans. De mannen lachten, drukten me een flesje ijsthee in handen en begonnen in halfbakken Engels vragen af te vuren. You from where? Oranda? Laten we het dan over voetbal hebben! Een opaatje in flodderbroek stond op en deed of hij een voetbal wegtrapte. Toen ik een uur later weer afdaalde, was het met vederlichte tred.

Vlak na aankomst in Takamatsu had ik voor een schamele ¥ 100 een fiets gehuurd waarmee ik stad en omgeving verkende. Takamatsu bleek een gemoedelijke, bijna mediterrane havenstad die uitkeek over eilandjes in de Binnenzee. Dit was de toegangspoort tot Shikoku, de kleinste van de vier Japanse hoofdeilanden, het reisdoel van Kafka Tamura, de ‘stoerste tiener van de wereld’. Onderweg had ik slechts één andere buitenlander gezien, een alternatief ogende twintiger op een eveneens te kleine huurfiets. We hadden die typische reizigersblik uitgewisseld die een illusie van verstandhouding wekt.

Later, op de kade, zag ik hem weer. Hij kwam naar me toe en bleek Engels te spreken met een zwaar Frans accent. ‘I saw you before.’

‘Ik zag jou ook.’

‘We zijn de enigen, volgens mij. Blanken, bedoel ik.’

‘Dat zal wel meevallen, toch?’ Ik knikte naar zijn gezelschap, een lokale schone. ‘Je vriendin?’

‘Nee, nee. Ik loop hier stage. We zijn gewoon… vrienden.’

Ik lachte. ‘Then you’d better get to it, my friend.’

Zelf had ik een afspraak met Aya Yagita, een popperige grafisch ontwerpster die geboren en getogen was op het slaperige eilandje Shadoshima. We troffen elkaar in Ritsurin kōen, een van de mooiste landschapstuinen van Japan. Aya had in Takamatsu gestudeerd, om na een periode op Sicilië in Tokio aan de slag te gaan voor een cosmeticamerk. Ze keerde geregeld terug naar Takamatsu, waar ze zich beter thuis voelde dan in de hectische hoofdstad. Ik had haar gevonden via een Murakami-discussiegroep, en jazeker, ze wilde graag over haar held praten, al was ze onzeker over haar Engels.

Haar eerste Murakami had haar een raar gevoel gegeven, zei ze. ‘Ik kreeg niet direct alles helder; bleef er maar over malen. Ik droomde er zelfs over. In het begin voelde dat niet goed − ik werd er zelfs wat angstig van. Japanners leven georganiseerd en houden niet van onduidelijkheid. Maar nu heb ik het omarmd.’ Ze dacht een moment na. ‘Ik ben zorgelijk aangelegd, denk ik − misschien hou ik daarom zo van zijn romans.’

Ik vroeg haar waar ze zich zorgen over maakte.

‘Werk,’ zei ze. ‘We moeten zo hard werken, en er wordt zo veel van ons verwacht. Hoe kun je dan nog van het leven genieten? Ik kon me in Italië moeilijk aanpassen aan het minder strak geregelde leven, maar nu heb ik het juist moeilijk met de Japanse cultuur. Direct een baan nemen, direct meedraaien. Want als je vertraging oploopt, ben je verdacht − alsof het een ziekte is.’ Ze keek somber. ‘Was ik maar vrij, zoals de personages van Murakami.’

Links: Aya Yagita, . Rechts: ook in Ritsurin k?en, een van de mooiste landschapstuinen van Japan. Foto’s: Auke Hulst

Links: Aya Yagita, . Rechts: ook in Ritsurin k?en, een van de mooiste landschapstuinen van Japan. Foto’s: Auke Hulst

Honolulu, 14 december 2013

Nog ruim voor het ontbijt, dat om kwart over zes begint, heb ik er al een paar uur voorbereidingen op zitten. Ik heb in bad stukken herlezen in zowel Waarover ik praat als ik over hardlopen praat als Haruki Murakami and the Music of Words, ik heb aantekeningen gemaakt, citaten genoteerd uit De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn Pelgrimsjaren (de aanleiding van het interview), mijn dictafoon gecheckt en nog eens gedubbelcheckt, en in het verlaten businesscenter mijn aantekeningen uitgedraaid. Het is makkelijk productief zijn als de wereld slaapt en niemand je lastigvalt.

Na het ontbijt − plastic eten uit plastic bakjes − sjok ik over de boulevard van Waikiki Beach. De zon piept over de bergkam en joggers snellen voorbij, half ontkleed, hun huid honey glazed. Aziatische vrouwen gaan juist verscholen onder zonnehoeden en alles bedekkende stof, in de hoop zo bleek mogelijk te blijven. Een lijvige Dude waadt met een metaaldetector door het water, met een blik alsof hij niet zal stoppen voor hij elke spijker van de zeebodem heeft geplukt. Afgevaardigden van de Tenrikyo Mission Hawaii paraderen in militaire slagorde voorbij, de voorste met houten blokjes die hij om de paar passen tegen elkaar slaat.

De rest van de ochtend zit ik op een bankje aan zee te lezen in een zwartgallig tourdagboek van Donald Fagen, een anti-reiziger die gorgelt met gal. ‘Ik probeerde wat te zwemmen in het hotelzwembad. De truc is vroeg te komen, als het nog redelijk leeg is, wat ik dus deed. Een uur later wemelde het al van de krijsende kinderen, mollige moekes en het soort getatoeëerde familiemannen met bolle koppen dat je tegenwoordig overal in het land tegenkomt. Ex-militairen? Afgerichte motorrijders? Professionele worstelaars? Ik weet het niet.’ Soms lach ik hardop, alsof ik ontsnapt ben uit een gesticht. De zwerver die verderop de kruiswoordpuzzel maakt in een uit het vuilnis geviste krant, probeert het te negeren. Op reis zijn en lezen in een boek over op reis zijn, en daar dan weer iets over schrijven in een boek over op reis zijn: een literair Droste-effect.

’s Middags besluit ik een fiets te huren. Het duurt lang voor je Honolulu uit bent, maar de beloning is ernaar: een fabelachtige en ruige kuststrook. Op een helling passeer ik een man die erg op Murakami lijkt. Hij is klein van postuur, met een rond hoofd dat grotendeels verborgen is achter een zonnebril en onder een wielerhelm. Wat als het hem is? Moet ik hem dan aanspreken? Of moet ik doen of mijn neus bloedt? Maar het gaat stevig bergop, en al snel los ik Murakami/niet-Murakami, ondanks de pijn in mijn met ijzerwerk gereconstrueerde knie. Ik omarm die pijn, niet uit masochisme, maar omdat het me laat zien dat zelfoverwinning mogelijk is, en tegenslag betrekkelijk.

Het fijnst fietsen is het in warmte gedempt door een zeebries, met druk op je benen, wanneer je door de eerste vermoeidheid heen bent en in een bezwerend ritme komt. De weg kronkelt langs afgronden, in de diepte werpt de zee zich op de rotsen, SUV’s jagen voorbij zonder acht op me te slaan. Gedachten komen en gaan, als getij. Een hele tijd is er niets, dan opeens: herinneringen, mogelijke scenario’s voor het gesprek van overmorgen, zinnen voor een boek waaraan ik schrijf. Dan weer niets. Ik vraag me af waarom ik nog geen woord met iemand gewisseld heb, zoals ik wel doe wanneer ik onderweg ben voor een reisverhaal. Is afsluiting dan nog steeds mijn default mode? Koptelefoon op en pedaleren maar? Een doel dwingt me om uit mezelf te breken − daarom ga ik liever op reportage dan met vakantie. Tekst om aan de wereld te onttrekken, dát houdt me in gang, indachtig de zegswijze: ‘Het is de neus die de snelheid van de hond bepaalt.’

Gedachten komen en gaan, als getij. Een hele tijd is er niets, dan opeens: herinneringen, mogelijke scenario’s voor het gesprek van overmorgen, zinnen voor een boek waaraan ik schrijf

Nog een gedachte: misschien neem ik op reis wel zo veel boeken mee om in elk geval de mogelijkheid te hebben me aan mensen te onttrekken. Ik snap precies wat W. Somerset Maugham bedoelde toen hij in ‘The Book-Bag’ schreef dat je gek moest zijn om op reis te gaan zonder een lading leesvoer. ‘Sommige mensen lezen ter lering, wat te prijzen valt, sommige voor hun plezier, wat onschuldig is, maar een niet gering aantal leest uit gewoonte, en ik vermoed dat dat prijzenswaardig noch onschuldig is. Tot dat beklagenswaardige gezelschap behoor ik. Gesprekken vervelen me na een tijdje, spelletjes vermoeien me en eigen gedachten, die naar men zegt een onuitputtelijke bron zijn voor een verstandig man, hebben de neiging op te drogen. Dan vlucht ik naar een boek zoals de opiumroker naar zijn pijp.’ Maar ergens is me dat ook weer een te zwartgallig beeld. Lezen op reis verrijkt zowel boek als bestemming, die elkaars geuren en kleuren absorberen. Nooit zal ik aan James Salters Light Years kunnen denken, zonder me terug te wanen op de roestige Rwandese veerboot die het Kivumeer overstak, en nooit aan Cormac McCarthy’s The Road zonder de afzondering te voelen die hoorde bij een junglekamp in de Orinoco-delta. Een boek is meer dan sec de tekst, het is, om eens een gruwelijk woord te gebruiken, een totaalervaring.

Takamatsu, 2010

‘Wie hier de bergen oversteekt,’ zei Mariko Matsuda, ‘komt in een andere realiteit.’

We stonden met onze rug naar de Binnenzee, in de schaduw van hellingen die oprezen uit het land. Matsuda keek ernstig: ‘Een binnenzee staat voor een binnenwereld. In zichzelf gekeerd. Beklemmend. Maar voorbij die bergen ligt de Stille Oceaan. De open blik naar buiten.’

In Kafka op het strand vindt Kafka Tamura onderdak in een privébibliotheek in Takamatsu. Hij doodt er de tijd met lezen en het ontrafelen van het mysterie van zijn verdwenen moeder en zus. Uiteindelijk, tijdens een voettocht door de bergen, zal hij toegang krijgen tot een verborgen wereld en iets wat op verlichting lijkt. Het maakt Shikoku voor Matsuda tot de geografische belichaming van de dualiteit van Murakami’s werk. De dichtbegroeide bergketen tussen Takamatsu en het zuidelijke Kochi is een tastbare en symbolische scheidslijn, tussen het Japan van verstikkende maatschappelijke structuren en de individualistischere wereld van de outsider, tussen het bewuste en het onderbewuste.

Matsuda werd in hetzelfde jaar geboren als Murakami, en was net als de schrijver betrokken bij de studentenbeweging van de jaren zestig en zeventig. Dat zorgde voor verwantschap. Zelf had ze ‘gewoon braaf een baan’ genomen, maar haar echtgenoot was nog altijd een verstokte buitenstaander. ‘Hij weigert mee te draaien in de tredmolen. Soms werkte hij als schoonmaker en na de geboorte van ons eerste kind is hij een antiquariaat begonnen. Met mijn geld. Uitstekend, dan is er tenminste EEn van ons die de idealen trouw blijft.’ Ze lachte. ‘Mijn ouders zagen hem absoluut niet zitten. Hij was geen advocaat of dokter, geen stabiele partij. Ze hadden een ander huwelijk voor mij gearrangeerd, maar daar heb ik nee tegen gezegd.’

Het is waar: Murakami’s werk kan niet los worden gezien van de studentenbeweging, al was zijn betrokkenheid bij de beweging dubbel. Amerika, dat Japan als uitvalsbasis gebruikte voor operaties in Vietnam, was de grote boeman, maar was het niet tegelijk het land waaraan Murakami cultureel zijn hart had verpand? Zelf keek Matsuda met plezier terug op de beginjaren van de beweging. Het was een moment dat eindeloos voelde. Tot in de jaren zeventig en tachtig de economie op stoom kwam en velen het verzet opgaven. Ze trokken een net pak aan, namen een aktetas en gingen op in de massa. Verraders.

Honolulu, 15 december 2013

Het is moeilijk het over Japan en Hawaï te hebben zonder Pearl Harbor te noemen. Op de ochtend van 7 december 1941 verrasten de Japanners de Amerikaanse vloot in eigen haven, in de hoop de Amerikanen vleugellam te maken en vrij spel te krijgen in de Stille Oceaan. Het plan van admiraal Yamamoto werkte voortreffelijk, althans, op de korte termijn: slechts 65 Japanse militairen vonden de dood, tegenover 2400 Amerikanen. Bovendien werden de grootste Amerikaanse oorlogsschepen tot zinken gebracht of zwaar beschadigd. ‘A date which will live in infamy,’ aldus president Roosevelt, die Japan daarop de oorlog verklaarde.

Het is bizar te bedenken dat op het moment van de aanval ruim een derde van de lokale bevolking Japans was. Hoewel dat aantal sindsdien is gehalveerd, zijn er nog steeds veel Hawaïanen − uit alle etnische groepen − die Japans spreken. Bovendien vind je overal Japanse vertalingen op borden, in het openbaar vervoer en in publieke ruimtes. Van alle toeristen is een groot deel uit Tokio komen overvliegen.

Vandaag gun ik mezelf een toeristisch uitje naar Pearl Harbor. In de stromende regen maak ik een wandeling over het immense slagschip Missouri en bezoek ik het monument dat is gebouwd boven de gezonken resten van de Arizona. De lucht is zwanger van de olie die nog altijd uit het scheepswrak sijpelt. Opruimen is geen optie: dit is een officiële militaire begraafplaats − onder onze voeten liggen meer dan duizend mensen te rusten. Van de weinige overlevenden heeft een aantal zich na overlijden alsnog op het schip laten bijzetten. Ik hang over de reling in de verwachting dat elk moment een lijk naar het oppervlak kan drijven, wat natuurlijk onzin is. De regen geeft het water kippenvel.

Morgen het interview.

Kochi, 2010

De trein naar Kochi voerde door dalen en langs dichtbegroeide hellingen, soms met loofwoud, soms met bamboe dat oogde alsof iemand met mathematische precisie eetstokjes in de grond had geprikt. Ik maakte een tussenstop in Kotohira, waar ik de 1368 treden beklom die langs de diverse houten gebouwen van Kompira-san voerden, een van de drie belangrijkste shinto-tempels van Japan. Luie bezoekers lieten zich het eerste deel omhoog dragen in een palankijn, hogerop zag ik alleen nog mensen te voet. Het gebabbel was verstomd en alles wat ik hoorde was het ritselen van bladeren, het schuifelen van voeten en kortademig piepen en hijgen. Maar dit was nog niet de eenzaamheid die ik zocht.

De trein naar Kochi. Foto: Auke Hulst

De trein naar Kochi. Foto: Auke Hulst

Verderop lagen de kloof van Ōboke en de Iya-vallei, de geheime kamer van Japan. Het oerbos dat hier nog tot in de jaren zeventig kon worden gevonden, was grotendeels verdwenen, maar de landschapshervorming was niet zo radicaal doorgevoerd als elders. In Iya lagen de dorpen niet in dalen, maar hoog in de bergen. Hier waren de verslagen leden van de Heike-clan nog van de twaalfde tot begin twintigste eeuw in verzet bleven. Relatief recent kookten de bergbewoners nog op vuurkorven in de vloer, en droegen ze strooien regenjassen wanneer ze het veld bewerkten.

Tegenover het station had ik een fiets gehuurd, maar even buiten West-Iya besloot ik te voet verder te gaan. Ik moest denken aan de woorden van Basho: ‘Ik maakte me klaar om duizend mijl te reizen en pakte geen proviand, maar leunde op de wandelstok van de man uit het verre verleden die zei: “Onder de middernachtsmaan treed ik binnen in het niets.”’ Het niets… Was dat wat ik verwachtte?

Kafka was goed voorbereid op pad gegaan toen hij dat niets tegemoet trad: een kompas en een mes, een veldfles, noodrantsoenen, werkhandschoenen, een spuitbus gele verf, een klein kapmes. ‘Ik zet mijn eerste schrede op weg naar het hart van het woud. Ik ben een hol mens. Ik ben een leegte die materie wegvreet. Daarom heb ik niets meer te vrezen. Niet één ding.’ Ik was daarentegen akelig slecht voorbereid − afgezien van wat drinken had ik niets bij me. Mijn bagage wachtte op me in een kluis op het station, en ik had niet eens regenkleding mee. Gelukkig zag het ernaar uit dat het droog zou blijven, hoe snel het weer hier ook om kon slaan. Ik trok het bos in, stak een brug van gevlochten wingerds over, snoof de lucht op. Maar waar Kafka het gevoel kreeg dat het bos hem probeerde te verstoten, kwam ik niet verder dan een inspannend maar ontspannend ommetje.

Het hutje is op Shikoku, in de Iya-vallei. Foto: Auke Hulst

Het hutje is op Shikoku, in de Iya-vallei. Foto: Auke Hulst

’s Avonds bereikte ik Kochi, de enige grote stad aan de zuidkust. Matsuda had gelijk: het was een plek voor vrijbuiters en vagebonden, maar ook een verrassend wereldse stad, met winkelpromenades en palmbomen langs de wegen. Het kasteel dat boven de stad uittorende was, anders dan vergelijkbare gebouwen, nog origineel. Kochi lag zo ver weg van alles, dat er beduidend minder strijd was gevoerd, in de Tweede Wereldoorlog en daarvoor. Ook in deze stad lagen tempels die deel waren van de pelgrimstocht rond het eiland, en meer dan in Takamatsu zag ik mannen, vrouwen en kinderen in witte henro-jasjes voorbij sjokken, een conische sugegasa op het hoofd, een wandelstok in de hand. Met velen en toch vrijwel altijd alleen.

De nacht bracht ik door in de Sanctuary, een café dat nauwelijks een café mocht heten. Het bestond uit een bar op een stoep, een handvol barkrukken en kleine boxjes die hijgerige jazz uitademden. De kastelein droeg een vlinderstrik, een gilet en de snor van Clark Gable. Minimale middelen, maximale sfeer.

Meer dan een handvol klanten kon de Sanctuary niet aan, maar met vier mensen aan de bar had je genoeg smakelijke levensverhalen. Een Japanse baggeraar vertelde over zijn vele reizen rond de wereld, zijn Koreaanse vriendin legde uit hoe lastig het was in Japan je plek te veroveren. Racisme had in recente jaren virulente vormen aangenomen − de slepende economische crisis had een zondebok nodig gemaakt. Een piepjonge Britse RAF-pilote treurde over het aanstaande pensioen van de Bomber Harrier, ‘het mooiste vliegtuig ooit’. Ze werkte in hoog tempo de in een steelpan opgewarmde sake weg. Ik deed met haar mee en werd akelig dronken. We waren wrakhout dat op een strand was aangespoeld, maar als deze nacht iets bewees, was het dit: wrakhout heeft meer karakter dan smetteloos MDF.

Honolulu, 16 december 2013

In een grijs verleden, toen ik in een gehuchtje woonde dat Hellum heette, stierf ik van de zenuwen in de aanloop naar een interview. Ik was bang voor mensen en voor de telefoon, de prijs van een isolement dat me deels overkomen was en waarvoor ik deels gekozen had, mogelijk om de illusie van zelfbeschikking te creëren. Het vrijstaande huisje verkeerde in verregaande staat van verval, al scharrelde de bejaarde eigenaar vrijwel dagelijks rond het pand met een spatel en een pot Alabastine. Dat was zijn vermomming − hij tuurde door de ramen om ons te bespioneren. Ik woonde er met mijn broer en onze drie katten, en een korte periode ook met mijn zus, die uit het Jeugdwerkgarantieplan was geknikkerd. Het waren donkere dagen en we hadden elk onze wonden. Slechts de noodzaak geld te verdienen dwong me zo nu en dan uit de beklemmende schijnveiligheid, al denk ik dat ik ook toen al bewust situaties opzocht met een zeker therapeutisch karakter. Zoals de jarennegentighit Everybody’s Free (To Wear Sunscreen) aanbeval: doe elke dag iets wat je angst aanjaagt. Ik sprak striptekenaars voor Vrij Nederland, televisiemensen voor de VARAgids, en ik had een rubriek waarin ik BN’ers uithoorde over hun jeugd, een indirecte manier om met mijn eigen jeugd bezig te kunnen zijn. De meeste gesprekken vonden plaats in Hilversum of Amsterdam, drie uur of langer met bus en trein. Dat waren uren waarin de nervositeit naar een crescendo toe werkte − bij aankomst ging mijn hart tekeer en wist ik zeker dat ik niet uit mijn woorden zou kunnen komen, een situatie die voortduurde tot ik mijn dictafoon aanzette. Dan was alles opeens oké. Die opnameknop had bijzondere krachten.

Zelfmythologie

Ik vertel dit, omdat me opvalt dat ik voor het gesprek met Murakami beduidend minder gespannen ben dan ik verwacht had. Ik ben meer dan vierentwintig uur onderweg geweest, heb 11.647 kilometer afgelegd, en heb drie dagen gehad om me in Honolulu mentaal voor te bereiden op een ontmoeting met iemand die ik hoog acht, die zelden interviews geeft, en die ik al jaren te spreken probeer te krijgen. Dat NRC Handelsblad mij stuurt, en niet een redacteur, getuigt van vertrouwen, maar het impliceert ook een zware verantwoordelijkheid. En natuurlijk is er een groot verschil tussen reizen in de voetsporen van, en iemand daadwerkelijk ontmoeten. Allemaal ingrediënten die me uit balans zouden kunnen brengen, en toch gebeurt het niet. Misschien is het de magie van deze surrealistische plek, of het rustgevende van zon en zee. Maar liever zie ik het als een teken van persoonlijke groei, de reis die ik heb afgelegd.

Ik heb drie dagen gehad om me in Honolulu mentaal voor te bereiden op een ontmoeting met iemand die ik hoog acht, die zelden interviews geeft, en die ik al jaren te spreken probeer te krijgen

Een uur van tevoren neem ik een taxi naar de Manaocampus van de Universiteit van Hawaii. De regen van eerder is naar het oosten verdwenen, de overbelichte stad brandt op het netvlies. We passeren het Murakami-stadion, maar nee, het betreft geen eerbetoon aan de schrijver of familie van hem. Het stadion is vernoemd naar Les Murakami, die in 1936 werd geboren in Honolulu en jarenlang naam maakte als hoofdcoach van het lokale honkbalteam, de Hawaï Rainbow Warriors. Dwarsverbanden… Murakami schrijft in Waarover ik praat als ik over hardlopen praat over het exacte moment dat de gedachte in hem opkwam dat hij schrijver moest worden. ‘Het was rond halftwee ’s middags op 1 april 1978. Die dag zat ik in mijn eentje met een biertje een honkbalwedstrijd te bekijken aan het buitenveld van het Jingu-stadion. Het Jingu-stadion lag op korte loopafstand van de flat waar ik woonde en ik was toen al een redelijk vurige fan van de Yakult Swallows. Er was geen wolkje aan de hemel en er woei een warm briesje, een volmaakte, prachtige lentedag.’ In de tweede helft van de eerste inning verscheen de Amerikaan Dave Hilton aan slag. Hij sloeg de bal naar het verre veld. ‘Door het stadion weergalmde het snerpende geluid waarmee de bat vol de harde bal raakte. Hilton draaide gezwind om het eerste honk en bereikte zonder problemen het tweede. Dat was het moment dat ik dacht: Oké, laat ik proberen een roman te schrijven. Er streek stilletjes iets neer uit de hemel, en dat nam ik gewillig in ontvangst.’

Ook daar zal ik Murakami naar vragen. Het verhaal komt me voor als een staaltje zelfmythologie.

De gastschrijver houdt kantoor in kamer 393 van Moore Hall, een leerfabriek in de heuvels boven Honolulu. Het betonnen trappenhuis ligt vol bouwmaterialen en stof, aan het stucwerk haal je zo je nette jasje open, het behang bladdert, de tegelvloeren herinneren aan grootmoeders pannenlappen. Posters voor Cool Japan en Japanese Careers hebben hun kleuren prijsgegeven aan de tijd. In de verte prikken de steriele hoteltorens van Waikiki Beach in een Hockney-blauwe lucht. De deur van Murakami’s kamer is niet behangen met Japanse noren-gordijntjes, zoals de andere, maar met een gelamineerd vel waarop een uitdrukkelijk verbod op opnemen en fotograferen van de gastschrijver staat. Het is in lijn met de strenge instructies die vanuit Tokio waren gekomen: geen seconde langer dan de vooraf afgesproken tijd, en géén politieke onderwerpen. Nu word ik toch nerveus.

Twee minuten na enen komt hij door de gang aan, een kleine afgetrainde man van vierenzestig die liever handen schudt dan voor mensen buigt. Hij draagt een korte broek − een straatschoffie met een vroeg oud hoofd. Mijn naam rolt hem soepel van de lippen. Stond ik er al lang? Ik jok er een tiental minuten van af en hij knikt.

Rommelend met sleutels ontsluit hij een hok van hooguit anderhalf bij twee meter. De inrichting is spartaans: een boekenkastje met eigen werk en een stalen bureau waarop een foto van zijn literaire held Franz Kafka rondslingert. Twee computerschermen − de ene van Samsung, de andere een iMac. ‘Ik probeer over te stappen,’ zegt hij, hoofdschuddend.

Foto: Auke Hulst

Foto: Auke Hulst

We keuvelen een beetje over het weer, de regen van gisteren, en of hij nog gelopen heeft. Dan zet ik mijn opnameapparaat klaar. ‘Zullen we gewoon beginnen?’

Hij knikt, en ik druk op opnemen.

Na het interview en een korte fotosessie biedt Murakami me een lift aan naar Waikiki Beach. Dat lijkt me overdreven, maar hij garandeert me dat het in de heuvels lastig is een taxi te krijgen. Het is even zoeken naar zijn fonkelnieuwe Mini Cooper tussen de Amerikaanse zwaargewichten, maar dan zijn we op weg. We lijken beiden opgelucht, ik omdat het goed ging, hij omdat het klaar is. Nu vertelt hij over zijn droom ooit weer een jazzclub te openen, over de landen waar hij gewoond heeft, en over de muziek waarnaar hij luistert: klassiek tijdens de productieve uren in de ochtend, jazz in de avond. En hij heeft het over de terugkerende waanzin van het Nobelprijs-seizoen. Waarom komen journalisten hem lastigvallen vanwege wat noteringen bij een Brits wedkantoor? Hij lijkt het oprecht niet te begrijpen.

Ik word afgezet op de hoek van Kalakaua en Kaphulu, waar de zwervers op het trottoir liggen, genegeerd door badgasten en zwaar beladen winkelpubliek. Op het strand draait een filmcrew een scène voor Hawaii Five-O, limousines en tourbussen staan te wachten voor een rood sein. Murakami zwaait vanachter het stuur. Dan slaat de Mini Cooper de hoek om en is alles weer normaal.

Lees bij NRC het interview met Murakami Het interview met Murakami verscheen op 10 januari in NRC Handelsblad en is na te lezen in het digitale archief van die krant. Gratis, als je abonnee bent. Anders voor 10 cent. ‘We moeten ons idealisme snel terug vinden’

Meer informatie over mijn nieuwe boek De bundeling van mijn beste reisverhalen ? Buitenwereld, binnenzee ? kwam op 5 juni uit. Meer informatie op mijn website

Foto’s: Auke Hulst

Foto’s: Auke Hulst