Het is het jaar 2000 en Yula is elf. Felblauwe ogen, helblond haar, een sprieterig meisjeslijf en een fijn en klein gezichtje. Haar voorkomen heeft iets onwaarschijnlijks in de grijze, grauwe omgeving waarin ze opgroeit: Yula woont namelijk op de Svalka, een gigantische vuilnisbelt net buiten Moskou. Daar is ze op haar tiende samen met haar moeder terechtgekomen – vader dood, geen geld, geen huis, geen andere plek om te wonen. En dan kan het soms snel gaan.

In de film De film is zaterdag nog te zien tijdens IDFA. Something Better to Come  van de Poolse filmmaakster Hanna Polak zie je hoe Yula in een paar jaar tijd van een kind in een vrouw verandert – voor puberen is er niet echt ruimte op de Svalka. Het draait er om overleven, drinken en niet gek worden.

Ik zag de film afgelopen zondag, in een bioscoop vol IDFA-gangers. Het was warm en droog in de zaal en de mensen op het scherm hadden het koud, werden verkracht, dronken zich een delirium of zongen samen.

Het blijft ingewikkeld, dat kijken naar levens die zoveel zwaarder, harder, heftiger zijn dan het mijne.

In de herfst van 1890 publiceerde de Deense, in New York woonachtige journalist Jacob Riis het – inmiddels klassieke – boek How the Other Half Lives: Studies Among the Tenements of New York. Het idee: de ene helft van deze wereldstad – de gegoede, rijke, er warmpjes bij zittende helft – had geen idee hoe het Eigenlijk was het zo dat een kwart van de bevolking niet wist hoe het de andere drie kwart verging: 1,2 miljoen van de 1,6 miljoen inwoners van New York leefde in ‘tenements,’ overbevolkte, slecht gebouwd appartementsgebouwen. Met behulp van de nieuwste fotografische technieken (de flits!) was Riis de Lower East Side van Manhattan ingetrokken en had de inwoners gefotografeerd in al hun armzaligheid en ‘How the Other Half Lives’ staat integraal online. kleinbehuisdheid.

Riis publiceerde de foto’s niet alleen; hij ging er mee op tournee. Met zijn magic lantern show – het Powerpoint van de negentiende eeuw – bezocht hij de clubs en kerken van New York en omstreken. Het publiek kreeg foto’s te zien en werd vermaakt door Riis, die het geheel begeleide met een geïmproviseerd praatje vol grappige anekdotes en tegen-racisme-aanschurkende humor. Hij was daar zo goed in dat de New-York Tribune schreef dat iedereen in het publiek na twee uur ‘wenste dat er nog meer getoond kon worden, hoe droevig het allemaal ook was.’

Op die racistische grapjes na zou je Riis een van de voorvaderen van de documentaire kunnen noemen.

Kijken naar het lijden van anderen had echt zin gehad

How The Other Half Lives was een succes – financieel, voor Riis, en ook sociaal, gezien de hervormingen die de film bewerkstelligde. De ergste krotten werden neergehaald, er kwamen betere scholen, riolering werd aangelegd en afval opgehaald – allemaal zaken die de levens van de inwoners van de Lower East Side aanzienlijk verbeterden. Kijken naar het lijden van anderen had echt zin gehad.

Terwijl ik toekeek hoe Yula opgroeide op de Svalka, vroeg ik me af in hoeverre dit kijken ook zinvol was. Ik vond de mensen in Something Better to Come fascinerend. Ik vond de film ontroerend en aangrijpend. En hoopvol, op een clichématige, hoop-doet-leven-achtige manier.

Omdat Yula en haar lotgenoten – een markante en solide troupe van dakloze kinderen en volwassenen, die hutten optrekken uit afgeleefde meubels en pallets, eten wat de Moskouse medemens heeft weggegooid en een beetje geld en wodka verdienen met het verzamelen van recyclebaar materiaal – zo ongelofelijk weerbaar zijn.

Fascinatie, ontroering en hoop dus. Allemaal emoties die bij mij binnenkomen, maar waar ik vervolgens niet bijster veel mee doe. Ja, ik vind het heftig om te weten dat er mensen zijn die zo leven. En ook goed, ergens, dat ik me daar nu ‘bewust’ van ben – het soort zelffeliciterend bewustzijn dat ik bij wel meer IDFA-gangers meende te bespeuren, tevreden dat we het leed van de wereld niet onopgemerkt voorbij lieten gaan.

Maar wat heb je aan dat bewustzijn als je niet, vervolgens, in het vliegtuig naar Moskou stapt om de mensen op de Svalka broodjes te geven, of bij de burgemeester van Moskou een petitie in te leveren?

Bewustzijn, ja. Van andermans ellende, maar vooral: van mijn eigen privileges en mijn neiging andermans ellende meteen weer op mezelf te betrekken (‘Goh, dan hebben wij het eigenlijk toch goed hè?’).

Het is een bewustzijn dat nog een paar dagen, weken misschien zal blijven ratelen in mijn hoofd, om vervolgens langzaam te vergaan. De restjes zullen zich voegen bij de restjes van al dat andere bewustzijn dat andermans lijden heeft veroorzaakt, terwijl ik in zachte bioscoopstoelen zat te kijken naar het lijden van de andere helft. Al jaren kijk ik nu documentaire na documentaire, en ik weet nog steeds niet goed wat ik er mee moet.

Deze drie documentaires zoeken een antwoord op de vraag: waar is een museum eigenlijk voor? Tijdens het IDFA, het documentairefestival dat deze week begint, gunt een aantal documentaires ons een blik achter de schermen van gerenommeerde, internationale musea. Naast schoonheid, liefde en ergernis tonen de films ook het contrast tussen 19de-eeuwse idealen en de 21ste-eeuwse realiteit. Lees hier de filmbespreking terug Het noodzakelijk kwaad dat schaamte heet Steeds vaker komt het voor dat mijn kinderen zich voor hun moeder schamen. Het is een onvermijdelijke stap naar hoffelijkheid. Maar jammer vind ik het wel. Lees de column hier terug

Facebook
Twitter
LinkedIn
Whatsapp
E-mail