‘Ieder begrip ontstaat door het gelijkstellen van het ongelijke.’

Dit zinnetje, afkomstig uit de pen van spookt al een tijdje door mijn achterhoofd - soms als geruststellende relativering, vaker als tot wanhoop drijvende constatering.

Het zinnetje is afkomstig uit het essay Over waarheid en leugen in buiten-morele zin (1873) en maakt onderdeel uit van een langere uiteenzetting van Friedrich Nietzsche over hoe taal de mens misleidt. Niet alleen generaliseert de mens er lustig op los in zijn oordelen over de wereld, erger nog: de woorden waarmee hij dat doet, zijn zelf al groteske generalisaties van de wereld die ze trachten te beschrijven.

‘Terwijl geen enkel blad [aan een boom, RW] gelijk is aan een ander blad, wordt het begrip ‘blad’ gevormd door het willekeurig weglaten van individuele verschillen, door het vergeten van het kenmerkende’, schrijft Nietzsche. ‘Ieder woord [...] moet passen op talloze, min of meer op elkaar lijkende - en dus strikt genomen nooit aan elkaar gelijke - gevallen.’

Oftewel: ieder begrip ontstaat door het gelijkstellen van het ongelijke.

De wereld beschrijven is een vorm van liegen

Als de consequentie van deze vaststelling eenmaal tot je doorgedrongen is, kun je bijna niet meer normaal naar de wereld kijken. Opeens besef je hoe gebrekkig ons kijken, beschrijven, beoordelen en veroordelen van die wereld is. Taal wekt vaak de illusie dat we redelijk accuraat en feitelijk de werkelijkheid in woorden kunnen gieten, maar in feite zijn onze beschrijvingen alsof we de zonnebloemen van Vincent van Gogh proberen na te schilderen met een verfroller: niet bepaald een precisiewerk.

Je kunt simpelweg niet ieder verschil een eigen woord geven zonder de wereld onbegrijpelijk te maken

Ontnuchterend is niet alleen dát we dit doen, maar vooral ook dat er niet aan valt te ontkomen. Taal is noodzakelijkerwijs een generalisatie, een model waarin onherroepelijk unieke details verloren gaan, omdat het anders haar functie zou verliezen: je kunt simpelweg niet ieder verschil een eigen woord geven zonder de wereld onbegrijpelijk te maken. Stel je voor dat je iedere boom een eigen naam zou moeten geven - dan ben je nog wel even bezig.

Natuurlijk, je kunt bomen nog wel onder verdelen in soorten (‘loofboom’), en die soorten weer in geslachten (‘eik’), en de geslachten dan nog in subsoorten (‘zomereik’), maar uiteindelijk zul je ‘het ongelijke gelijkstellen.’ Je moet generaliseren. Onheus generaliseren, meestal. Of zoals Nietzsche dat fraai bombastisch formuleerde: ‘Volgens geldende conventies liegen.’

Wie houden we voor de gek?

Nu is dat in de meeste gevallen niet zo erg. Niemand zal het je kwalijk nemen dat je alle bomen en alle bladeren over één kam scheert. Problematisch wordt het alleen wanneer je bedenkt dat we dit ook aan de lopende band met mensen doen.

Grieken.

Allochtonen.

PVV’ers.

Bankiers.

Door een Nietzscheaanse bril denk je opeens: wie houden we hier eigenlijk voor de gek? Aan wat voor hoogmoed moet je lijden om te denken dat je elf miljoen inwoners van een land, 3,5 miljoen landgenoten, anderhalf miljoen kiezers of tienduizenden beroepsuitoefenaars op een zinnige manier kunt vangen in één term?

Ook hier weer: je ontkomt er niet aan. Het heeft een functie. En, ook niet onbelangrijk, het is niet altijd onwaar. Mensen zijn, naast individuen, ook sociale wezens. Groepsidentiteit bestaat. Kuddegedrag ook.

Wat hebben Shaquille O’Neill, Ahmed Aboutaleb, Busta Rhymes, en Osama bin Laden gemeen?

Maar het gemak waarmee we elkaar afschilderen met de verfroller, terwijl we doen alsof we met een penseeltje in de weer zijn, neemt soms ontegenzeggelijk kwalijke vormen aan.

Neem de meest gebezigde generalisatie van de afgelopen tien jaar: moslim. Het is een term die zo vanzelfsprekend gebezigd wordt dat je haast zou vergeten hoe absurd veralgemeniserend de term zélf alleen al is.

Want zeg nu zelf: wat hebben basketballer Shaquille O’Neal, burgemeester Ahmed Aboutaleb, rapper Busta Rhymes, voetballer Frank Ribéry, autocoureur Jan Lammers, YouTube-oprichter Yawed Karim, BBC-presentatrice Mishal Husain en voormalig Al-Qaeda-leider Osama bin Laden gemeen, behalve het predicaat ‘moslim’?

Ieder begrip ontstaat door het gelijkstellen van het totáál ongelijke.

Ken uzelf alvorens te veroordelen

En dat is pas het begin. Want met die Nietzscheaanse generalisaties die wij woorden noemen, smeden we uiteindelijk zinnen en die zinnen vormen uiteindelijk de oordelen waarin we de wereld indelen in goed en fout. Oordelen die we net zo lang blijven herhalen totdat ze ‘canoniek en bindend voorkomen,’ zoals Nietzsche dat zegt - tot ze illusies zijn geworden ‘waarvan men vergeten is dat het illusies zijn.’

‘Grieken zijn lui.’
‘Bankiers zijn graaiers.’
‘De meeste terroristen zijn moslim.’

De wereld beschrijven is volgens geldende conventies liegen.

De wereld veroordelen is jezelf bedriegen.

De wereld begrijpen is je eigen beperkingen kennen.