Vorige week wachtte ik in Parijs tot ik op het terras van de Sarah Bernhardt zat om het folietje eraf te halen. Hier had ik lang naar uitgekeken. De ober nam de bestelling op en ik draaide de box in mijn hand: L’atelier de Sony Labou Tansi. Drie delen: brieven, gedichten, proza. Mijn drankje kwam. Ik liet het deel gewijd aan de poëzie in mijn hand glijden en bladerde meteen naar dat lange, woeste gedicht dat mij in november in Kinshasa helemaal van de kaart had geveegd.

Prière d’un enfant du siècle, stond er. Gebed van een kind uit deze eeuw. Het begon zo:

Mijn God
Vergeef je kind
Bewoner van vagina’s
Verstrikt
In het gulzige
Vlees
Van verwachtingen, ketenen
En kwellingen
En die
Het enige bewijs
Wou blijven
Dat alles bestaat
Met
Of zonder jou
Vergeef
Deze ineengeflanste eeuw
Die onze dromen ineenflanst
Mijn God
Verkloot
Zij die pissen
op de liefde
en laat
alle demonen van de seks
met rust
omdat ze jou beminnen
op hun manier

Wie was hier in godsnaam aan het woord? Ja, de naam kende ik. Sony Labou Tansi, een auteur uit Congo-Brazzaville, echte naam Marcel Ntsoni, was beroemd geworden met twee romans: zijn debuut La vie et demie (1979) en L’anté-peuple (1983). Die werden gelezen als groteske aanklachten tegen de politieke wantoestanden in Afrika. Het lot van veel niet-westerse auteurs: dat ze altijd maar gezien worden als commentatoren op de politiek. Sterker nog, dat ze enkel interessant worden bevonden zolang ze over politiek schrijven. Ik zou daar zeer moe van worden.

Laatst hoorde ik van een schrijfster uit het voormalige Joegoslavië die hier in de jaren negentig gretig vertaald werd, maar nu geen uitgever meer heeft. Nee, nu vinden we auteurs uit Syrië ineens vreselijk interessant.

Sony Labou Tansi, in het midden (foto Christophe Laurentin, Bibliothèque francophone multimédia, Limoges)
Sony Labou Tansi, in het midden (foto Christophe Laurentin, Bibliothèque francophone multimédia, Limoges)

Ik lees verder:

Bespaar mij
de censuur
en het ja-zo-ongeveer
laat een beetje
plaats in de hel
voor alle kranten
zelfs voor zij die zich
communistisch
noemen
maar
maak
dat niet één man
de eer toekomt
zich te wassen in het vuur
van het inferno -
haal de wereld
uit zijn vijfhonderdmiljardjarige
slaap
Dood de tijd Heer
Omdat hij doodt
Vergeef alle woorden
waarin het zijn
aanmoddert
omdat je licht
zo ver is

Ja, dit verwijst overduidelijk naar de communistische eenpartijstaat die in Congo-Brazzaville was geïnstalleerd, maar dit fragment alleen gaat over zoveel meer: wanhoop, woede, duisternis, existentiële onvrede over de woorden die maar aanmodderden. Hij nam juist afstand van alle politieke kreten.

  • Over de politiek schreef hij in 1973: ‘Tien jaar slogans, tien jaar pipi.’
  • Over Afrika schreef hij: ‘Afrika is iets van regeringen. Ik heb slechts dat wat ronkt om mij heen.’
  • Over de postkoloniale verhoudingen: ‘Blanken, zwarten: voor mij heeft dat geen betekenis. De vorm van de snuit, noch de afmetingen van de muil zijn a priori giftig. Wat doodt, zijn de ideeën die uit zo’n muil komen.’

Hier is geen ‘Afrikaanse schrijver’ aan het woord, geen ‘zwarte stem,’ hier schreeuwt een individu zijn universaliteit uit. ‘Ik schrijf opdat ik bang word,’ zei hij ooit.

Vergeef ook
Hen die leven
van de wonden gemaakt door vrouwen
breng licht
omdat gij
het zijt God
geef ons
andere ogen
ander bloed
en andere manieren
om te sterven
Temper
het onwetende weten
dat ons omringt
En dat ons eet
de oudjes in de menopauze
bestuurt
maar glimlach
naar de oude naties
van Europa
die geen andere weg
hebben kunnen vinden
dan de bom
en de arrogantie

sta garant voor
de gespierde nacht
waarin mijn volk
zich heeft vastgereden
en zich verprutst

Wat een stem! Wat een storm! Nee, dit is niet de meest gepolijste poëzie die er is, maar dat geeft niet. Dit is free jazz, dit is Ornette Coleman en Archie Shepp in verzen: wat je verliest aan vorm, win je aan vondsten. De gespierde nacht waarin men zich vastrijdt: prachtig. Sony Labou Tansi schreef snel en veel, compulsief eigenlijk. Naast romans, waarvan er zes verschenen bij de prestigieuze Parijse uitgeverij Seuil en diverse in de prijzen vielen, schreef hij vooral voor theater. Zijn gezelschap Rocado Zulu Théâtre uit Brazzaville trad internationaal op. Maar in zijn poëzie en brieven zie je pas echt zijn brutale vitaliteit, zijn onstuimige tederheid, zijn totale oprechtheid die ongetwijfeld tot veel eenzaamheid heeft geleid. Dit is Afrikaanse punk. Hij doet denken aan Fela Kuti, de geniale, volstrekt onconventionele popartiest uit Nigeria, grondlegger van de afrobeat, overleden aan aids. In Frankrijk wordt hij inmiddels vergeleken met literaire natuurfenomenen als Arthur Rimbaud en Antonin Artaud.

En dan het strafste: eigenlijk is het een godswonder dat we dit gedicht kunnen lezen. Toen Sony in 1995 stierf aan de gevolgen van aids, enkele dagen nadat zijn vrouw aan dezelfde ziekte was bezweken, liet hij een huis achter vol manuscripten. Politieke onlusten, nonchalance, termieten, diefstal en zelfs een brand vraten aan zijn nalatenschap. Maar we hebben het aan Nicolas Martin-Granel te danken - een Fransman die goed bevriend was met Sony - dat de teksten bewaard zijn gebleven. Hij kopieerde wat er nog te kopiëren viel, hij digitaliseerde de teksten en hij financierde uit eigen zak de box waarmee ik nu op het terras van de Sarah Bernhardt in Parijs zit. De oplage bedroeg tweeduizend exemplaren.

Enkele jaren geleden zat ik tegenover hem bij een etentje in een Parijs restaurant. Een heel bescheiden, onopvallende man. Ik sprak mijn waardering uit voor zijn werk. Het deed hem zichtbaar deugd. Er waren ook verwijten gekomen. ‘De oude, Franstalige garde houdt zich vast aan het beeld van Sony als die van de grappige zwarte op de planken... Die box haalt hem uit dat hokje, alsof de duivel uit een doosje kwam... Men wil hem niet leren kennen als dichter, briefschrijver, denker... terwijl hij ons daar allen aanspreekt, stormachtig en universeel.’

Sony Labou Tansi is niet de bekendste, maar misschien wel de grootste Afrikaanse schrijver uit de twintigste eeuw. Hij is in ieder geval de gulzigste, de meest tomeloze, de meest vrije. Bij mijn weten werd zijn poëzie niet eerder in het Nederlands vertaald. De slotpassage laat ik onbecommentarieerd. Gewoon na afloop naar adem happen.

Heer
Bloedende God
Ziehier mijn haat

verrekt vormeloos
verrekt wolof
afgeplat
onthoofd
hard
als een gedicht
een haat
die niemand gehaat heeft
helemaal nieuw
helemaal sterk
net buitengerold uit de Renaultfabrieken
beloof de hele wereld
aan andere tijden
onder andere dromen
en geef mij
een waterkans
niet van bloed
niet van zweet
stug water
gespierd water
dat uit de hyacinten komt
zoals een zon
die stuk is -




Meer odes?

Ode aan mijn littekens Wekelijks bezing ik iets, iemand of ergens. Deze week: de sporen die de tijd achterlaat op onze huid. Ode aan enige roekeloosheid in tijden van overbescherming. Lees hier de ode terug Ode aan de troost Wekelijks breng ik hulde aan iets, iemand of ergens. Deze week aan het onbeschaamd luisteren naar andermans verdriet. En aan de troost van het niet-troosten. Lees het stuk hier terug Ode aan de ex Wekelijks bezing ik iets, iemand of ergens. Deze week: de oud-geliefde. Wie zijn toch die mensen die we ooit zo hebben liefgehad? Lees de ode hier terug