Illustratie: Maus Bullhorst (voor De Correspondent)

Wat apen en andere zoogdieren ons leren over onze evolutie beschreef ik in Deze. de vorige En deze. stukken. Maar vanaf het moment dat de voorouders van mens en chimpansee elk hun eigen weg kozen, staan we er alleen voor en moeten we het doen met archeologische vondsten.

Die vondsten vertellen het onvolledige verhaal van de evolutie van onze schedel, ons skelet en onze duurzaamste gebruiksvoorwerpen. Maar over de drijvende kracht áchter die ontwikkelingen leren ze ons weinig.

Theorieën zijn er genoeg, maar hoe bewijs je die? Veel wetenschappers, zelfs zij die zich in voorhistorische mensachtigen specialiseren, betogen dat we het nooit zeker zullen weten. Anderen leggen zich daar niet bij neer en proberen aan de hand van de vuistregels die de levens en evolutie van andere zoogdieren en apen lijken te beheersen uit te puzzelen hoe we stap voor stap geworden zijn wie we nu zijn: hoogst eigenaardige dieren die via internet aan volslagen onbekenden hun appartement verhuren en al swipend op hun smartphone naar een nieuwe partner zoeken.

Grote groep, grote hersenen

Een van die wetenschappers is evolutionair psycholoog Robin Dunbar (Universiteit van Oxford, Groot-Brittannië). Hij schreef vorig jaar een beknopte introductie tot de evolutie van de mens en deed me meer dan drie uur lang uit de doeken hoe de evolutionaire vork volgens hem in de steel zit.

‘Door de grootte van de schedel een idee geeft van de breinafmetingen, weten we hoe groot de groep was’

Dunbar maakte voor zijn boek een nieuwe analyse van de beschikbare data. ‘Die heb ik gebaseerd op twee belangrijke principes,’ vertelt hij. ‘Allereerst weten we dat er bij primaten - apen en mensen dus - een nauw verband bestaat tussen de grootte van de groep waarin ze leven en de afmetingen van hun hersenen. Dat komt, denk ik, doordat Lees meer over die interacties in mijn vorige verhaal. hun complexe sociale interacties veel verstand vergen. De meeste dieren die in groepen leven, kennen elkaar niet echt. Een beetje als mensen in een grote stad: elk individu is enkel relevant voor zover en zolang je er rechtstreeks mee te maken krijgt. Bij primaten is dat anders: zij weten heel goed wie in de groep wie is. Doordat de grootte van de schedel van uitgestorven mensachtigen een idee geeft van de afmetingen van hun brein, kunnen we daaruit afleiden hoe groot de groep waarin ze leefden ongeveer was.’

We hebben het dan niet over de grootte van de groep waarmee ze dagelijks optrokken, benadrukt Dunbar. Zowel Mensen die in hun levensonderhoud voorzien door te jagen en te verzamelen, niet door bijvoorbeeld aan landbouw te doen. als chimpansees doen dat in kleine groepen.

‘De groep die van belang is, is de grotere groep van mensen met wie we zelf een duurzame sociale relatie hebben. De groep waarvan we de leden en hun onderlinge relaties goed kennen, zodat ik niet alleen weet wie jij bent, maar ook wie je vrienden zijn en met wie je ruzie hebt. Bij chimpansees bestaat zo’n groep gemiddeld uit 50 individuen. Bij de mens zijn dat er zo’n 150.’ Dat getal, dat inmiddels bekend staat als ‘Dunbar’s number,’ blijkt ook in tijden van sociale media nog te kloppen.

Stap 1: Lachen

De geschatte grootte van de groep leert ons ook hoe de mensachtige in kwestie de dag indeelde, vertelt Dunbar. ‘In een groep leven heeft belangrijke voordelen – het biedt bescherming tegen roofdieren en rivaliserende groepen – maar het kost ook heel wat tijd. Hoe groter de groep, hoe groter de afstanden die de leden elke dag moeten afleggen om voldoende voedsel te vinden. Bovendien kruipt er naarmate de groep groeit meer tijd in het smeden van sociale banden. Niet zozeer doordat we met alle leden vrienden willen worden, maar doordat het steeds belangrijker wordt om onze vriendschappen te onderhouden. Vriendschappen geven zekerheid: je moet weten op wie je kunt rekenen.’

Apen hebben een heel eigen methode om hun onderlinge banden te versterken: vlooien. Urenlang verwijderen ze zorgvuldig dode huid en parasieten uit elkaars pels. ‘Vroege mensachtigen, zoals Australopithecus, hadden daar misschien nog tijd voor,’ zegt Dunbar. ‘Maar de eerste vertegenwoordigers van ons eigen geslacht, Homo erectus, die zich verder in open landschap waagden en Vroege mensachtigen leefden in groepen die ongeveer even groot waren als die van chimps: 35 tot 50 man. De homo erectus leefde vermoedelijk in groepen van 75 à 80 leden. om roofdieren te ontmoedigen, waren daarvoor al met veel te veel.’

Hoe losten ze dat op?

Al lachend, denkt Dunbar. ‘Daarbij komen namelijk, net als bij het vlooien, Endorfines, kort voor ‘endogene morfines’, zijn kleine, in onze hersenen aangemaakte eiwitten die pijnstillend werken en ook een euforisch gevoel kunnen veroorzaken. Daarnaast spelen ze een rol bij het smeden van sociale banden. Andere mensapen lachen soms ook, maar mensen doen het anders en vaker. Lachen is vaak onweerstaanbaar. Het zorgt ervoor dat je je band met meerdere mensen tegelijk kunt versterken. Het is moeilijk te bewijzen, maar dat was vermoedelijk een belangrijk stuk van de puzzel.’

Stap 2: Koken, zingen en dansen

Homo erectus hield het erg lang vol. Meer dan een miljoen jaar lang namen de afmetingen van diens hersenen slechts langzaam toe en waren er nauwelijks innovaties in het ontwerp van stenen werktuigen. Toch veroverde erectus vanuit Afrika langzaam maar zeker ook Europa en Azië. En toen, zo’n half miljoen jaar geleden, verscheen eindelijk een nieuwe mensensoort aan de horizon: De eerste vertegenwoordiger van deze soort werd in 1907 gevonden in de zandgroeve Grafenrain in Mauer nabij Heidelberg (Duitsland), tevens de thuisbasis van een gerenommeerde universiteit.

Dunbar: ‘Ook heidelbergensis trok vanuit Afrika noordwaarts. Maar omdat voedsel hier tijdens de lange, koude winters zo schaars werd, hadden ze het flink lastig. Heel even werd hun brein zelfs weer kleiner. Maar zo’n 300.000 jaar geleden zien we vrij plots een flinke groeistuip.’ Hoe heidelbergensis zich die kon veroorloven? ‘Ik durf te wedden dat ze toen hadden leren koken.’

‘Wanneer onze maag goed gevuld is, komen er endorfines vrij die voor een gevoel van verzadiging zorgen’

Er zijn aanwijzingen dat mensachtigen al een miljoen jaar geleden af en toe vuur maakten. Maar pas vanaf 400.000 jaar geleden worden in de meeste opgegraven kampen resten van vuur aangetroffen. ‘Een maaltijd met gebakken vlees en gekookte wortelknollen – waarin planten voedingsstoffen opslaan – levert makkelijk tot de helft meer voedingsstoffen op. Dat bespaarde heidelbergensis dus heel wat tijd. Bovendien creëren gezamenlijke maaltijden een gevoel van verbondenheid, als er eten genoeg is tenminste. Wanneer onze maag goedgevuld is, komen er endorfines vrij die voor een gevoel van verzadiging zorgen. Bij feestmaaltijden hebben we de neiging te veel te eten, waardoor er nog meer endorfines vrijkomen, en het nog gezelliger wordt.’

Maar heidelbergensis vormde nog grotere groepen dan erectus, met zeker een honderdtal leden. ‘Eten en lachen zijn dan onvoldoende, vrees ik,’ zegt Dunbar. ‘Dus denk ik dat heidelbergensis een nog veel sterker bindmiddel ontdekte: zang en dans.’

Zingen ligt in het verlengde van lachen, aldus Dunbar. ‘Beide vereisen dat we onze ademhaling controleren, met behulp van de spieren van de borst en het middenrif, en in beide gevallen komen er endorfines vrij. Zingen is zeker zo aanstekelijk als lachen, en we houden het bovendien veel langer vol.’

Zang lag mogelijk aan de basis van de latere ontwikkeling van spreektaal, die een nog grotere revolutie inluidde. Maar tekst is geenszins een vereiste, benadrukt Dunbar. ‘Zang en muziek, zeker wanneer ze ondersteund worden door opzwepende ritmes, zetten ons aan om synchroon te bewegen, van handenklappen tot dansen. Experimenten suggereren dat de dosis endorfines zowat verdubbelt wanneer we synchroon bewegen. En zoals bezoekers van festivals en feesten maar al te goed weten, schept dat zelfs in grote, anonieme mensenmassa’s een zekere verbondenheid.’

Stap 3: Vechten

De reden dat heidelbergensis gaandeweg grotere groepen ging vormen, was vermoedelijk heel wat minder vredelievend. Van roofdieren hadden ze steeds minder te vrezen, dus werden mensachtigen gaandeweg hun eigen grootste vijand. ‘Grote groepen boden vooral bescherming tegen andere grote groepen,’ denkt Dunbar. ‘En die tendens zette zich voort toen onze eigen soort, Homo sapiens, zo’n 200.000 jaar geleden op het Oost-Afrikaanse toneel verscheen.’

Onze hersenen waren toen nog niet zo veel groter dan die van heidelbergensis, vertelt Dunbar. ‘Ze begonnen 100.000 jaar later pas serieus te groeien, als gevolg van ons eigen succes. Omdat we er steeds beter in slaagden om te overleven en ons bovendien veelvuldig voortplantten, werd het steeds drukker in Oost-Afrika. Door die bevolkingsexplosie kwamen groepen steeds vaker met elkaar in aanvaring.’

‘Groepjes jonge mannen trokken eropuit om de buren te beroven. Vaak kwam daar vechten van. Grotere groepen zijn dan uiteraard in het voordeel, dus groeide de groep steeds verder.’ Daarbij liepen we wel tegen enkele belangrijke beperkingen aan. ‘Allereerst moesten we natuurlijk elke dag voldoende voedsel vinden. De groep moest ook voldoende aan elkaar hangen om samen de tegenstand het hoofd te bieden. Tot slot moest je in zo’n menigte natuurlijk nog veel slimmer zijn om je sociaal te kunnen handhaven - ook binnen de groep wonnen allianties dus aan belang.’

Stap 4: Praten en prediken

Blijft volgens Dunbar nog één revolutie over, voor het tijdperk van de geschiedschrijving aanbrak: de neolithische. ‘Vanaf 12.000 jaar geleden gingen mensen aan landbouw doen en ontstonden er nederzettingen. Die werden in de loop van de eeuwen steeds groter, waardoor we met steeds meer mensen moesten leren samenwerken en -leven. Dat hele proces heeft zich zo snel voltrokken - in enkele duizenden, eerder dan honderdduizenden jaren - dat ons brein niet de tijd had om mee te groeien. We hebben nog altijd maar zo’n 150 vrienden, een 350-tal kennissen en nog eens een duizendtal mensen van wie we ons de naam herinneren. Meer niet.’

We zijn nooit zo samenhorig als wanneer we ons van anderen kunnen onderscheiden

Dus hadden we nog sterkere verenigende mechanismen nodig, vertelt Dunbar. ‘Taal was daarbij een grote hulp, maar vooral als middel, denk ik, want taal op zich volstaat niet om een band te smeden. Het echt sterke spul, dat is natuurlijk religie, en later ook politieke ideologie en nationalisme.’ Die zijn erg geschikt voor het bevorderen van het saamhorigheidsgevoel. Ze hebben ook een nadeel: als de groep te groot wordt, leiden ze al snel tot schisma’s. Bovendien kunnen ze makkelijk misbruikt worden door wie belang heeft bij tegenstelling en conflict. We zijn nooit zo saamhorig als wanneer we ons van anderen kunnen onderscheiden.

Precies om die reden bekijken veel mensen charismatische leiders, wereldgodsdiensten en grote ideologieën vandaag met een gezonde dosis argwaan. Maar hoe kunnen we er dan voor zorgen dat mensen zich ook bekommeren om het lot van mensen die niet in hun buurt wonen?

‘Dat is natuurlijk precies wat verheven initiatieven als de Verenigde Naties en de Europese Unie beogen,’ aldus Dunbar. Maar als je ziet hoe zelfs de zelfvoldane EU er vandaag nauwelijks in slaagt om solidariteit te tonen met mensen binnen en buiten de Unie, is er duidelijk nog veel werk aan de winkel. ‘Dat klopt,’ grijnst Dunbar, ‘Het is een pijnlijk proces. Maar dit lijkt me de enige weg voorwaarts. En ooit zullen we denk ik blij zijn dat we hem hebben afgelegd.’

Typisch mensen.

Wat we met de chimpansee gemeen hebben (en wat niet) Chimpansees doen vaak erg herkenbare dingen. Maar kunnen ze ons ook echt iets leren over onszelf? In deze zomerserie zoek ik uit hoe we werden wie we zijn. In deze tweede aflevering: waarom wij (niet) op chimpansees lijken. Lees het stuk hier terug Wat ons brein zo bijzonder maakt (en wat niet) Ons brein is groter dan dat van andere dieren. Dat maakt het juist zo bijzonder. Maar hoe groot(s) is het nu precies? En waar dienen de hersenen voor? In deze zomerserie reis ik door het brein. In deze eerste aflevering: de evolutie van ons brein. Lees hier deel 1 uit deze serie terug Meer brein? Elektrische breinstimulatie voelt als aan een batterij likken. Het onderzoek ernaar is nog vooral aanmodderen. Toch gooien sommigen hun stimulators al gewoon op de markt. Willen we op deze manier gezonde mensen beter maken? Thalia Verkade zet haar bevindingen over experimenteel breinonderzoek op een rij. Lees hier het dossier terug