12.000 jaar geleden gingen mensachtigen voor het eerst in leven. De mensen die zich toen op een vaste plek vestigden om aan landbouw te doen, waren biologisch gezien – hun lichaamsbouw, hun hersenen, het gros van hun genen – al precies zoals wij.

Maar stel, een mens zou vanuit een prehistorische nederzetting plots in een hedendaagse stad worden gedropt. Die zou toch een enorme cultuurschok ervaren.

Cultuurschok, het woord zegt het al: wie wil begrijpen hoe de ambitieuze aap genaamd mens uiteindelijk in een zelfrijdende auto belandde heeft aan genetische evolutie niet langer genoeg, maar moet het over cultuur hebben.

Veel biologen en biologisch geïnspireerde psychologen doen dat niet graag – ze hebben in de afgelopen decennia te hard moeten opboksen tegen menswetenschappers die koppig alles in termen van cultuur en opvoeding wilden verklaren –, maar aan de Universiteit van St. Andrews, waar ook werkt, denken ze daar anders over.

‘De stad waar ik woonde was niet begroeid met planten, maar met huizen en wegen en kabels en palen – een jungle van beton’

‘Ik heb psychologie gestudeerd,’ vertelt zijn collega-professor me thuis aan zijn eigen eettafel. ‘Maar als student las ik wel al De oorsprong der soorten van Charles Darwin. In de allerlaatste paragraaf, dat zal ik nooit vergeten, beschrijft hij daarin een berm die gonst van het leven, en mijmert hij over de wijze waarop de wetten van de natuur een dergelijke indrukwekkende diversiteit deden ontstaan. Ik was daardoor erg begeesterd, maar toen ik vervolgens zelf naar buiten keek, zag ik iets heel anders.

De stad waar ik woonde was niet begroeid met planten, maar met huizen en wegen en kabels en palen – een jungle van beton. Even was ik daardoor teleurgesteld, maar toen realiseerde ik me dat dat de uitdaging zou zijn in mijn eigen carrière. Begrijpen hoe de mens en al zijn creaties onze planeet hebben ingepalmd, dat zou mijn berm worden. Hoe komt het dat wij mensen als soort zo succesvol zijn dat we stilaan werkelijk alle uithoeken van de aarde veroverd hebben?’

Illustratie: Maus Bullhorst

Illustratie: Maus Bullhorst

In tegenstelling tot de kenmerken van de planten en dieren rondom de berm van Darwin werden de eigenschappen van de menselijke constructies en gebruiken die hij om zich heen zag niet voorgeschreven door genen, bedacht Laland – zelfs niet door de onze. Ze waren ook zelden of nooit binnen één en dezelfde generatie bedacht en gebouwd, maar gebaseerd op ideeën en technieken die al generaties lang werden doorgegeven en bijgeschaafd. En dus noemt hij ze allemaal ‘cultureel.’

‘Doorgaans wordt dat woord wat enger gedefinieerd,’ vertelt Laland, ‘de meesten onder ons zullen kabels, wegen en palen niet snel als “cultuur” omschrijven. Maar wat ik daarmee bedoel, is dat het hier om kenmerken gaat die we niet via de genetische weg erven van de vorige generatie, maar via ‘sociaal leren’. We kijken ze af en imiteren ze, ze worden ons voorgedaan of onderwezen. Dat is een veel gerichtere en flexibelere manier om kenmerken door te geven die de mens ten volle benut.’

De mens is een bijzonder beest

Sociaal geleerde en dus culturele kenmerken komen ook bij veel andere dieren voor, weet Laland. ‘Chimpanseegroepen hebben vaak een heel repertoire aan gedragingen die ze van elkaar hebben afgekeken en die bij andere chimpanseegroepen dus niet voorkomen. Maar dergelijke vind je ook bij dolfijnen, bij vogels, bij vissen, en zelfs, zo konden we de laatste jaren aantonen, bij insecten.’ Best opmerkelijk, maar je kan er natuurlijk moeilijk omheen dat de mens in dezen een bijzonder beest is.

‘Klopt,’ knikt Laland, ‘en er wordt hier aan de universiteit heel hard gewerkt om uit te vissen hoe het komt dat cultuur en technologie bij ons zo’n vlucht hebben genomen.’ Een eerste belangrijk verschil is dat cultuur bij de mens ‘cumulatief’ is – we kunnen de vondsten van anderen niet alleen na-apen, maar ook combineren of verbeteren. ‘Daardoor kunnen we niet alleen samenwerken met generatiegenoten, maar kunnen we ook over de generaties heen voortbouwen op wat eerder bedacht werd. Dieren doen dat niet – al zijn er enkele

De meesten onder ons doen liefst wat anderen ook doen – dat is de basis van alle rages en modetrends

De volgende vraag is dan natuurlijk waarom we de enigen zijn die cultuur cumuleren – en ook op die vraag formuleert Laland via zijn onderzoek langzamerhand een antwoord. ‘Dat onderzoek begint, misschien verrassend, die ons in staat stellen om theoretische ideeën concreet te maken, door te rekenen en zo dus te testen in hoeverre ze deugen,’ legt hij uit. ‘Daaruit blijkt dat een logische eerste vereiste is dat een bepaalde vondst lang genoeg in gebruik blijft.’

De sleutel daartoe, zo toonde een volgend model aan, is dat leden van de groep elkaar nauwgezet kopiëren – doen ze dat niet, dan is de vondst al snel weer verdwenen, zoals in dat spelletje waarbij je een ingewikkelde zin moet doorzeggen. Mensen, en zeker kinderen, zijn daartoe erg gemotiveerd. ‘De meesten onder ons doen het liefst wat anderen ook doen – dat is de basis van alle rages en modetrends. Kinderen hebben dat nog sterker: zo vonden mijn zoon én dochter het vroeger heerlijk om wanneer ik me scheerde met een speelgoedscheerset mee voor de spiegel te staan.’

Illustratie: Maus Bullhorst

Illustratie: Maus Bullhorst

Nou is dat , maar in veel gevallen is je ouders imiteren een uitstekende leerstrategie. Maar hoe doen we dat, en waarom doen andere dieren dat veel minder, of minstens veel minder zorgvuldig? Dat toonde Laland aan met zijn eigen artificiële vrucht, een met drie steeds moeilijker te openen met snoep gevulde compartimenten, die enkel volgens oplopende moeilijkheidsgraad geopend konden worden.

Chimpansees en kapucijnapen, intelligente dieren die ook in het wild soms van elkaar leren, kun je trainen om de vrucht helemaal open te krijgen, vertelt Laland. ‘Maar zet je ze samen met soortgenoten die dat nog niet kunnen, dan steken die nauwelijks wat op. Na meer dan vijftig uur kijken en proberen kregen slechts vier chimpansees en twee kapucijnapen het tweede compartiment open, en slechts één chimpansee ook het derde. Kleuters leerden wel van elkaar hoe het moest.’

Daarbij viel een drietal belangrijke verschillen op, vertelt Laland. ‘Allereerst zagen we dat kleuters veel beter samenwerken en vaak ook de opbrengst delen, wat de chimpansees nooit deden – chimpanseemoeders pakten zelfs snoep af van hun kinderen. Bovendien zagen we dat ze elkaar ook spontaan imiteerden – dat deden de chimpansees enkel voor het openen van het eerste compartiment. Tot slot gaven de chimpansees elkaar ook geen directe aanwijzingen – ze doen helemaal niets om anderen te tonen hoe het moet. Kleuters doen dat wel, en zijn daarvoor natuurlijk ook uitstekend uitgerust.’

De letterlijke vlucht van de technologie

Kleuters kunnen namelijk praten, en kinderen die van anderen verbale aanwijzingen kregen deden het opmerkelijk beter dan kleuters die het met spieken moesten stellen. Precies hetzelfde effect vonden Laland en Whiten in een pas gepubliceerd experiment waarin volwassenen van elkaar moesten leren hoe je een eenvoudige maakt – een aartsmoeilijke opgave is dat. ‘Wie geen aanwijzingen krijgt, leert nauwelijks hoe het moet, laat staan dat hij het aan anderen kan leren,’ legt Laland uit.

‘Mogelijk kan dat verklaren waarom vuistbijlen meer dan een half miljoen jaar lang nauwelijks evolueerden: bij gebrek aan taal was het geloof ik al knokken om de techniek te leren, waardoor er weinig ruimte was voor innovatie, of nieuwe ideeën snel weer verloren gingen.’ Dat mensen in groepen gingen leven en leerden om met elkaar samen te werken en te delen was dus onvoldoende, denkt Laland. ‘Pas toen we leerden onderwijzen, nam de technologie echt een vlucht.’

Illustratie: Maus Bullhorst

Illustratie: Maus Bullhorst

Dat mag je gerust letterlijk nemen, want nu drones aan populariteit winnen vliegt de technologie ons weldra werkelijk om de oren. Ook de duizelingwekkende ontwikkelingen in de informatica zullen vast nog voor verrassingen zorgen. Maar belangrijker nog dan die technologische hoogstandjes is hoe onze bedenksels onze hele leefomgeving heringericht hebben, denkt Laland. ‘In de afgelopen tienduizend jaar wordt de genetische evolutie van de mens volgens mij vooral gestuurd door wat we hier zelf teweegbrengen: zo leidde de opkomst van de veeteelt tot de verspreiding van een genvariant waardoor ook volwassenen in Europa en het Nabije Oosten nog melk kunnen verteren.’

Mensen evolueren dus nog steeds, denkt Laland. ‘Zolang niet iedereen precies evenveel kinderen krijgt, die op hun beurt evenveel kinderen krijgen, en zo verder, is er natuurlijke selectie.’ Wil dat zeggen dat ook onze allernieuwste vondsten onze evolutie zullen sturen, en is dat dan wel een goede zaak? ‘Hoe we onze maatschappij nu inrichten bepaalt in belangrijke mate hoe we verder evolueren, en ik denk niet dat we daarover moeten wanhopen – mensen worden steeds ouder, en we zijn met steeds meer, dus kan je moeilijk beweren dat we als soort onsuccesvol zijn.’

Wat natuurlijk niet wil zeggen dat al onze medemensen een even benijdenswaardig leven leiden – of dat de andere levensvormen op deze planeet het allemaal zullen overleven. ‘Dat is inderdaad nog een andere kwestie, maar over het algemeen maak ik me niet zo heel veel zorgen over de mensheid: het duurt doorgaans wat langer dan je zou wensen, maar we zijn zo wendbaar en vindingrijk dat we denk ik uiteindelijk altijd wel een oplossing zullen vinden voor het onheil dat we zelf aanrichten.’

Typisch mensen.

Wat we met de chimpansee gemeen hebben (en wat niet) Chimpansees doen vaak erg herkenbare dingen. Maar kunnen ze ons ook echt iets leren over onszelf? In deze zomerserie zoek ik uit hoe we werden wie we zijn. In deze tweede aflevering: waarom wij (niet) op chimpansees lijken. Lees het stuk hier terug Wat ons brein zo bijzonder maakt (en wat niet) Ons brein is groter dan dat van andere dieren. Dat maakt het juist zo bijzonder. Maar hoe groot(s) is het nu precies? En waar dienen de hersenen voor? In deze zomerserie reis ik door het brein. In deze eerste aflevering: de evolutie van ons brein. Lees hier deel 1 uit deze serie terug Meer brein? Elektrische breinstimulatie voelt als aan een batterij likken. Het onderzoek ernaar is nog vooral aanmodderen. Toch gooien sommigen hun stimulators al gewoon op de markt. Willen we op deze manier gezonde mensen beter maken? Thalia Verkade zet haar bevindingen over experimenteel breinonderzoek op een rij. Lees hier het dossier terug