Illustratie: Maus Bullhorst (voor De Correspondent)

Er zijn van die vragen waarvan je hoopte dat ze nooit gesteld werden. Hoe meer je erover nadenkt, hoe minder evident het allemaal wordt.

  • Hoe ontstond er leven op deze ooit levenloze planeet?
  • Hoe ontwikkelde dat leven zich, onder meer, tot mens?
  • Een wezen dat bovendien de hele aarde naar zijn hand zet (en zichzelf lastige vragen blijft stellen)?

In Lees hier de vorige aflevering van deze reeks terug. de vorige aflevering van deze reeks legde de Britse neuropsycholoog Chris Frith uit hoe onze gave te begrijpen wat er in het hoofd van anderen omgaat ons in staat stelde steeds nauwer samen te werken. De uitwisseling van ideeën die daarvan het gevolg was (ook over generaties heen), liet ons toe voort te bouwen op de vondsten van anderen. We hoefden niet telkens het warm water uit te vinden, maar konden sneller bijleren en innoveren.

Maar waar komt dat unieke vermogen om anderen te doorgronden vandaan? Worden we ermee geboren? Of moeten we het, net als veel andere typisch menselijke vaardigheden, van anderen leren?

Daarover schreef Frith vorig jaar een artikel in het vakblad Science, samen met experimenteel psycholoog Cecilia Heyes van het All Souls College in Oxford, mijn laatste gesprekspartner in deze reeks. Heyes, glimlachend: ‘Het antwoord is, zoals gewoonlijk, allebei.’

Praten met baby’s

Zoals Frith in het vorige stuk vertelde, geven baby’s al blijk van inzicht in wat anderen weten en verwachten. ‘Onderzoek wijst uit dat mensen al vanaf hun geboorte aandacht hebben voor gezichten. En tegen het einde van hun eerste levensjaar herkennen ze individuen en hun emoties. Zien ze waar iemand naar kijkt en kunnen ze eenvoudige handelingen voorspellen.’

‘We leren gedachten lezen zoals we teksten leren lezen. Sterker: het moet ons door anderen aangeleerd worden’

Die aangeboren vaardigheden stellen kinderen in staat te leren over het gedrag van anderen, zónder dat die ander expliciet uitleg geeft. ‘Maar we leren de gedachten van anderen pas echt doorgronden en benoemen door te luisteren naar wat ouders en familieleden erover vertellen - en door er later zelf over mee te praten, uiteraard.’

Dat blijkt ook uit studies, vertelt Heyes. ‘Met kinderen van vijftien maanden praten moeders - bijvoorbeeld wanneer ze vertellen over wat er op een plaatje in een boek te zien is - vooral over wat de personages verlangen en voelen. Dat zijn vrij eenvoudige ervaringen die de kinderen zelf al kennen. Tegen kinderen van twee jaar hebben moeders het veel vaker over wat anderen denken en weten. Iets wat veel meer inlevingsvermogen vergt. En hoe meer moeders dat doen, hoe beter kinderen anderen leren inschatten.’

Dergelijke gesprekken zijn cruciaal, denkt Heyes. ‘Als je een groep kinderen van een jaar oud alleen op een eiland zou zetten, is de kans dat ze elkaar op die manier leren doorgronden even groot als de kans dat ze zichzelf leren lezen en schrijven. We leren gedachten lezen zoals we teksten leren lezen. Sterker: het moet ons door anderen aangeleerd worden.’

Blootstelling is belangrijk

‘Net zoals lezen, is gedachten lezen geassocieerd met activiteit in bepaalde regionen van de hersenen,’ vertelt Heyes, ‘en kennen we mensen die er levenslang mee worstelen – in het eerste geval noemen we dat dyslexie, in het tweede geval autisme.’

‘Maar dat wil niet zeggen dat ons vermogen om gedachten of teksten te lezen bij geboorte vastligt. De vaardigheid om anderen te doorgronden verschilt bij twee-eiige tweelingen niet sterker dan bij eeneiige Als een eigenschap genetisch bepaald is, zou je verwachten dat eeneiige tweelingen sterker op elkaar lijken dan twee-eiige.

Dat dergelijke vaardigheden niet in onze genen zitten, blijkt ook uit de opvallende interculturele verschillen. ‘Kinderen in Australië en de Verenigde Staten begrijpen dat mensen van mening kunnen verschillen vóór ze begrijpen dat de één iets kan weten wat de ander niet weet. In China en Iran, waar meningsverschillen vaak verzwegen worden, is die volgorde omgekeerd. En op de Samoa-eilanden, waar spreken over gemoedstoestanden als ongepast wordt ervaren, leren kinderen die pas rond hun achtste onderscheiden – elders is dat rond een jaar of vier.’

Wie taal of gedrag wil leren doorgronden, moet er dus aan blootgesteld worden. ‘Het eerste wat we moeten leren, is afzonderlijke componenten onderscheiden,’ vertelt Heyes. ‘In taal moet je leren uit welke klanken de spraakwaterval van je familieleden opgebouwd is - welke klankverschillen betekenisvol zijn. Want elk individu spreekt woorden natuurlijk enigszins anders uit. Daardoor leren Chinezen en Japanners niet om het verschil te horen tussen ‘r’ en ‘l’ en vinden wij het ontzettend lastig om de verschillende tonen in hun talen te onderscheiden.’

Spiegelen moet je leren

Op dezelfde manier moeten we leren hoe het voortdurende circus van menselijke activiteit om ons heen in betekenisvolle handelingen kan worden opgedeeld. En waar al die afzonderlijke stukjes activiteit voor dienen. Welke beweging van de moeder voorspelt dat er een flesje op komst is? En welke dat ze je weldra weer een hele nacht in deze donkere kamer zal achterlaten?

‘Onze hersenen zoeken voortdurend naar patronen en verbanden in onze waarnemingen. Daaruit leren we welke gebeurtenissen met elkaar te maken hebben en welke niet - een eenvoudig associatief leerproces. Dat is een manier van leren die alle dieren beheersen, maar die ook voor ons veel belangrijker is dan doorgaans wordt aangenomen. Want niet alles is genetisch voorgeprogrammeerd en alles expliciet uitleggen is natuurlijk ook onmogelijk.’

‘Baby’s vinden het fantastisch als ouders telkens reageren op een nieuw kreetje. Zo leren ze’

Een dergelijk associatief leerproces ligt volgens Heyes ook aan de basis van het ontstaan van Volgens sommigen zijn de spiegelneuronen bij de geboorte aanwezig en liggen ze aan de basis van zowat al onze sociale vaardigheden, volgens anderen zijn het doodgewone zenuwcellen die gaandeweg onze eigen handelingen met die van anderen leren associëren. Dat zijn zenuwcellen die actief zijn als we iets doen én wanneer we iemand anders hetzelfde zien doen.

‘Jonge kinderen leren gaandeweg het verband tussen het uitvoeren en het zien van een beweging. Doordat ze zichzelf zien bewegen, maar ook doordat ouders geneigd zijn de bewegingen en gezichtsuitdrukking van jonge kinderen te imiteren. Uit experimenten blijkt dat dergelijke spiegelactiviteit vrij snel kan worden aangeleerd en zelfs omgekeerd. Dat we er dus vermoedelijk niet mee geboren worden.’

Wat wel aangeboren is, denkt Heyes, is onze onweerstaanbare interesse in beweging. Evenals het gevoel van voldoening wanneer verwachtingen uitkomen – wanneer de hersenen correct hebben voorspeld dat een bepaalde gebeurtenis een bepaald gevolg zal hebben. ‘Baby’s vinden het fantastisch als ze zelf een speeltje in beweging krijgen. Of als ouders telkens reageren op een nieuw kreetje. Die motivatie stimuleert jonge kinderen hun omgeving te verkennen en in de gaten te houden. Zo leren ze.’

Leren om van elkaar te leren

Heel wat mechanismen die ons in staat stellen om anderen te doorgronden en van hen te leren – en die vaak een grondige reorganisatie van onze hersenen met zich meebrengen – moeten we dus eerst zelf leren. Van spiegelen en spreken tot het lezen van teksten en gedachten.

Zo leren we elkaar steeds beter begrijpen en komen we bovendien van elkaar allerlei dingen te weten die we in ons eentje nooit ontdekt zouden hebben. ‘Dat had in de loop van de menselijke evolutie geloof ik een zelfversterkend effect,’ vertelt Heyes: ‘Hoe meer we van elkaar konden leren, hoe interessanter het werd om verstandig te zijn.’

Onze steeds slimmere hersenen vuurden dus niet alleen onze culturele ontwikkeling aan, die ontwikkeling vuurde ook onze hersenen aan. ‘Hoewel de evolutionaire psychologie terecht de aandacht heeft gevestigd op de belangrijke rol van evolutie in wie we geworden zijn, hebben wetenschappers die zich verzetten tegen een puur genetische interpretatie van ons doen en laten dus ook een punt.’

Maar als dergelijke eenvoudige, algemene mechanismen zo belangrijk zijn, wat onderscheidt ons brein dan van dat van andere dieren? ‘Vooral een veel grotere verwerkingscapaciteit,’ denkt Heyes. ‘Meer werkgeheugen en meer opslagruimte om associatief te leren op een nooit gezien niveau.’

Ons brein is dus eerder een gestaag uitgebouwde computer met ontzettend veel schijfruimte en werkgeheugen dan een blitse smartphone vol heel specifieke apps.

Of, zoals Heyes het uitdrukt: ‘Onze hersenen zijn eerder als een hand, uiterst flexibel en ook bruikbaar in nieuwe, onvoorziene situaties, dan als een zakmes vol in de prehistorie opgeraapte gadgets. Helaas moet die vergelijking het nog vaak afleggen tegen het verhaal van het zakmes. Mensen houden nu eenmaal van gadgets.’

Typisch mensen.

Geen diersoort is zo inlevend als wij (en dat heeft ons zo ver gebracht) In deze zomerserie zoek ik uit hoe wij, Homo sapiens, werden wie we zijn. In de vijfde aflevering: hoe de mens een ster werd in samenwerken en zo een 'cumulatieve cultuur' wist op te bouwen. Maar in onszelf doorgronden zijn we dan weer minder bedreven. Lees het stuk hier terug Hoe de ambitieuze aap ‘mens’ in een zelfrijdende auto belandde In deze zomerserie zoek ik uit hoe wij, Homo sapiens, werden wie we zijn. In de vierde aflevering: wie wil begrijpen hoe de ambitieuze aap genaamd mens uiteindelijk in een zelfrijdende auto belandde, moet het niet over genen maar over cultuur hebben. Lees het stuk hier terug Wat we met de chimpansee gemeen hebben (en wat niet) Chimpansees doen vaak erg herkenbare dingen. Maar kunnen ze ons ook echt iets leren over onszelf? In deze zomerserie zoek ik uit hoe we werden wie we zijn. In deze tweede aflevering: waarom wij (niet) op chimpansees lijken. Lees het stuk hier terug Wat ons brein zo bijzonder maakt (en wat niet) Ons brein is groter dan dat van andere dieren. Dat maakt het juist zo bijzonder. Maar hoe groot(s) is het nu precies? En waar dienen de hersenen voor? In deze zomerserie reis ik door het brein. In deze eerste aflevering: de evolutie van ons brein. Lees hier deel 1 uit deze serie terug Meer brein? Elektrische breinstimulatie voelt als aan een batterij likken. Het onderzoek ernaar is nog vooral aanmodderen. Toch gooien sommigen hun stimulators al gewoon op de markt. Willen we op deze manier gezonde mensen beter maken? Thalia Verkade zet haar bevindingen over experimenteel breinonderzoek op een rij. Lees hier het dossier terug

Facebook
Twitter
LinkedIn
Whatsapp
E-mail