Foto: David Ryle / Getty Images

Voor de overheid ben je een sofinummer, in de winkel ben je een bankrekeningnummer, op school heb je een studentnummer, Bol.com vraagt om een ordernummer en in het ziekenhuis krijg je een patiëntnummer. Maar uiteindelijk, zo besloot de medestudente journalistiek haar column, was ze bij haar vriend even nummer één. De liefde als rustpunt in ons verder zo hectische leven.

Dat is weleens anders geweest. In de tijd dat maatschappelijke status aan duidelijker rituelen verbonden was, vervulde liefde een avontuurlijker rol. Liefde vormde de uitspatting op de regel.

Tegenwoordig bestaat het absoluut onmogelijke nauwelijks meer. Ons begrip van wat mogelijk is, is niet meer aan een allesoverheersende moraal gekoppeld. Persoonlijke keuzevrijheid wordt gestimuleerd en daar hoort bij dat je je eigen verlangens mag ervaren en uiten. Het antwoord op vragen als ‘Wat wil je?’ of ‘Waar heb je zin in?’ vormt zodoende de bron van de dagelijkse besluitvorming. Niet het waarom (waarom verlang ik dit?), maar het wat van de behoefte staat centraal, omdat het hebben van verlangens geaccepteerd is.

Als je eenmaal lijkt te krijgen wat je wilt, volgt daarop een kwantitatieve vraag: ‘Krijg ik ook genoeg?’ Of in een romantische context: ‘Voel ik wel genoeg?’ Als we al kunnen vastleggen wat genoeg gevoel is, dan volgt een precisering van die maat: moet het verlangen constant in dezelfde intensiteit aanwezig zijn? Omdat gevoelens niet te temperaturen zijn en liefde zich alleen in taaluitingen en gedrag laat bewijzen, worden bepaalde handelingen of uitspraken als meetpunten genomen. Het moet zichtbaar zijn, zodat we weten waar we het over hebben wanneer we het over liefde hebben.

De Amerikaanse psycholoog Robert Sternberg (1949) is een Amerikaanse psycholoog en professor Human Development aan Cornell University. kan hierbij hulp bieden. Hij herkent een geslaagde romantische relatie aan de hand van drie componenten: passie, intimiteit en toewijding. Met passie doelt hij op hartstocht en lust. Intimiteit ontstaat geleidelijk, met zelfonthulling. Hij definieert intimiteit dus als een daad van bekendmaking, vertoning; er wordt iets naar buiten gebracht. Dat bereikt een punt van verzadiging en vanaf dat moment gaat de hartstocht omlaag. Mensen hebben, kortom, minder seks. Ondertussen groeit de toewijding. Deze fase van toewijding is geen abstracte belevenis, er zijn concrete aanwijzingen voor: ‘Je begint met je toiletspullen bij de ander leggen, je stelt elkaar voor aan de familie, je gaat samen kerstmis vieren, belooft elkaar trouw, allemaal mijlpalen die bij toewijding horen,’ aldus Sternberg.

Toewijding bestaat dus uit het behalen van bepaalde sociale of materiële mijlpalen die kunnen worden afgevinkt en schijnbaar als bewijs van ‘genoeg’ gevoel dienen. En zo observeert, beschrijft en turft Sternberg gedrag van mensen die hun leven hebben vormgegeven aan de hand van al bestaande culturele normen. Vervolgens destilleert hij er waarheden over de mens en de liefde uit. Helaas remmen zulke populaire sociaalpsychologische conclusies het geloof in de mogelijkheid van nieuwe samenlevingsvormen.

Op bezoek bij de polyamoristen

In Parijs bezocht ik een bijeenkomst voor ‘polyamoristen.’ In tegenstelling tot de meer op seks gerichte polygamie, achten polyamoristen zichzelf in staat om van meerdere mensen tegelijk te houden, op romantische en toegewijde wijze.

Op een zomeravond in juni ging ik een café binnen aan de Rue Moret in het elfde arrondissement. Beneden, in de kelder van het café, zaten zo’n vijftig mensen, sommigen hand in hand. Het was heet, kledingstukken werden opgestroopt of uitgetrokken. Er gingen zakken chips rond en er werd veel en lang gepraat. De vriend en vriendin met wie ik was, zaten aan weerszijden van me. Fluisterend vertaalden zij het snelle Frans. Niemand stoorde zich aan de manier waarop zij om beurten met hun mond bij mijn oor zaten. Ik legde bij beiden een hand op de knie om te beamen dat we erbij hoorden.

Langzaam maar zeker begrepen we het jargon van de polyamoristen. Een ‘monopoly’ is een relatie tussen iemand die monogaam wil leven en iemand die polygaam is. Er werd geklaagd over ‘het monogame dogma’ – ze doelden op het feit dat alles is ingesteld op de monogame relatie tussen twee personen (of het nu gaat om de Valentijnsspecial in het restaurant, om het kopen van een huis of het sluiten van een huwelijk) – en gediscussieerd over het wezenlijke verschil tussen vreemdgaan en polyamorie.

Er bestaat een lineair beeld van hoe een romantische relatie moet verlopen: in beheerst tempo naar boven. Een beetje gelijkvloers rondscharrelen is uit den boze

Ook werd er veel gesproken over ‘de roltrap van de traditionele relatie’: zachtjes zoem je door verschillende fasen heen. Maar er wordt hoe dan ook verwacht dat je omhooggaat.

Want wanneer je eenmaal op de roltrap bent gestapt, moet je wel heel onbeschaamd zijn wil je naar beneden gaan. Er bestaat zodoende een lineair beeld van hoe een romantische relatie moet verlopen: in beheerst tempo naar boven. Een beetje gelijkvloers rondscharrelen is uit den boze.

Dit ideaal van de roltrap correspondeert met Plato’s indeling van de wereld. Plato zag de weg naar het ware leven als het beklimmen van een ladder. Wie juist leeft, stapt telkens een sport omhoog, tot aan de transcendente ideeënwereld. Wie chaos ziet, is simpelweg nog niet ver genoeg om het Ideaal te kennen. De waarheid openbaart zich wellicht niet aan jou, maar ze ligt wel ergens op je te wachten.

Hoewel het geloof in een transcendente wereld is afgenomen, blijkt Plato’s filosofie nog altijd vormend voor ons wereldbeeld van ‘steeds beter.’ De meesten van ons willen graag dat het leven volgens een stijgende lijn verloopt. Als we moeten kiezen, hebben we liever een ongelukkige jeugd dan een ongelukkig einde. Het is goed zolang er hoop is op beter.

De onzekerheid die bij polyamorie hoort

Tegenover een geliefde die ik al langere tijd zie, maar met wie ik geen traditionele ‘vaste’ relatie heb (we voelen ons allebei ook verbonden met anderen), uitte ik mijn plots opdoemende onzekerheid. Ik schreef:

Ik vrees dat je me niet graag genoeg wilt zien of dat je me niet leuk genoeg vindt. Ik zeg dat niet omdat jij daar dan wat aan moet doen, eerder om verantwoordelijkheid te nemen voor mijn aandeel in ons contact.

Ik schrijf: graag ‘genoeg’ of niet leuk ‘genoeg.’ Dat is eigenlijk heel raar, want wat betekent dat? Genoeg voor wat? In een conventionele relatie zijn daar misschien bepaalde speerpunten voor, bepaalde regels. De polyamoristen in Parijs noemen het de ‘roltrap’: je komt in een relatie langs allerlei toetsen die het ‘genoeg’ moeten bevestigen. Wil jij met mij mijn verjaardag vieren, op vakantie, samenwonen, etc.? Als daar te veel nee’s klinken, is de conclusie: er is niet ‘genoeg.’ Als je weigert om op die roltrap te stappen, dan moet je je eigen criteria voor ‘genoeg’ verzinnen en vertrouwen.

Ik moet denken aan eerder dit jaar, in januari. Toen zei je: ‘Misschien ben je op een plateau en moet je daar een beetje rondkijken.’ Dat ging voornamelijk over mijn werk of energiegevoel of verhouding tot de wereld. Sindsdien zie ik dat plateau voor me als een soort wit veld, een beetje nevelig wel, maar de zon zit erachter en komt niet in felle, geconcentreerde stralen; ze verlicht het geheel.

Ik heb het gevoel dat wij geen enkele trap beklimmen. Eerder bewegen we op zo’n plateau. Als we niet op een trap staan, gaan we ook niet omhoog. Dat is niet erg. Volgens mij is dat platoonse ideaalbeeld van een trap veel mensen dierbaar, omdat omhooggaan ook betekent dat je kunt vallen. En wanneer je kunt vallen, wanneer die dreiging van het vallen aanwezig is, is er ook duidelijk iets te verliezen. Dat idee van verlies is misschien noodzakelijk, omdat lopen sowieso energie kost. Die energie lijkt minder verspild wanneer die energie gebruikt is om het vallen te voorkomen door iets op te bouwen, omhoog te gaan. Op ‘ons’ veld of plateau is er alleen het lopen zelf. De waarde daarvan is nergens bewezen. Net zoals je je kunt afvragen of je iets aan woorden hebt zonder duidelijk doel. Of aan het spel zonder winst, etc. Toch geloof ik, denk ik, in de waarde van het lopen zelf, in de woorden zelf, in het spel zelf.

Cultuurhistoricus Johan Huizinga (1872 -1945) schreef onder meer een biografie van Erasmus. In Homo ludens (1938) betoogt Huizinga dat een cultuur en samenleving alleen door middel van spel kan ontstaan: ‘Sinds langen tijd ben ik steeds stelliger tot de overtuiging gekomen, dat menschelijke beschaving opkomt en zich ontplooit in spel, als spel.’ vond ‘spel’ het belangrijkste kenmerk van mens en maatschappij. In het spel toont de mens zijn narratieve en creatieve vermogen. Het spel is begrensd, heeft een tijdspanne en een speelveld. Alleen omdat het spel afgebakend is, kan de mens zich eraan overgeven.

Wanneer ik speel – bijvoorbeeld door op een date te gaan –, ben ik me ervan bewust dat de handelingen die ik verricht binnen het spel vallen: ze bepalen niet mijn hele leven. Het spel pretendeert nooit een totaal te vormen. Alleen dankzij die overgave kan er binnen het spel iets nieuws ontstaan; iets wat niet is afgesproken of met voorbedachten rade is opgezet.

Spelen oefent dan vooral het vermogen om om te gaan met spontaniteit, chaos en verrassing. Je bent afhankelijk van andermans acties, je kunt niet vasthouden aan een voorbedacht plan. Je kunt van tevoren van alles bedenken of uitstippelen, maar in het spel zelf moet je handelen naar wat er op dat moment gebeurt.

In het beste geval zijn sociale interacties ook een spel. Maar in de meeste interacties wordt de spelvorm juist verbloemd. Iedere cultuur heeft bepaalde rollen en regels. Wie deze kent en naleeft, voelt zich ‘normaal.’ Wanneer je afspraak bijvoorbeeld zijn jas aantrekt of zijn sleutels op tafel legt, is dat voor beiden een teken dat het tijd is om af te ronden. Vaak is het kennen van deze regels een lichamelijk, geïntegreerd kennen: je volgt de regels zonder ze te bevragen. Sterker nog: je ziet niet eens dat er regels zijn. De regel is een gewoonte geworden, die soms zelfs als een natuurwet voelt. Het spel verliest zijn spelkarakter en er ontstaat niets nieuws meer.

Wanneer het spel te serieus wordt genomen, ontstaat een gesloten systeem waarin niemand zich schaamt, omdat de normen overduidelijk en onbetwistbaar zijn. Ziedaar het monogame dogma. Op het moment dat ik beledigd ben omdat mijn geliefde liever met een ander naar een concert of op vakantie gaat (bijvoorbeeld omdat ik van andere muziek houd of niet kan skiën – maar eigenlijk zou het benoemen van deze redenen niet nodig moeten zijn) - zeg ik al ‘ja’ tegen het monogame dogma waarbij er maar één de belangrijkste kan zijn.

Mijn verwachtingen zijn daar al op aangepast en door ze als gerechtvaardigd te beschouwen, bevestigen ze de diepgewortelde regels van het spel dat romantische relatie heet. Deze regels worden verhuld en als een wetmatigheid gepresenteerd, maar een spel dat zijn spelkarakter verliest, mist spontaniteit en wordt een invuloefening in plaats van een speloefening.

Het verschil: de invuloefening is mislukt wanneer een bepaald doel niet wordt bereikt, terwijl een speloefening altijd slaagt als onderzoeking, ongeacht de uitkomst.

Een polyamoreuze verhouding is net zo goed een spel, maar de meervoudige verbindingen leiden minder snel tot de wederzijds beklonken, gesloten vorm van het monogame ‘drama’ waarin twee geliefden elkaar bevestigen en ervoor zorgen dat er niets onverwachts gebeurt. Zij smelten samen tot een cocon, terwijl het onderhouden van relaties met meerdere geliefden juist altijd frictie oplevert die de interactie speels en levend houdt.

Verdedigers van de monogamie beroepen zich vaak op bezitsdrang en jaloezie: ‘Wanneer je verliefd bent, wil je gewoon niet anders’; ‘Het is gewoon onhandig’; ‘Mensen hebben gewoon behoefte aan veiligheid.’ De monogame relatie is haar speelsheid kwijtgeraakt doordat bepaalde omgangsvormen als natuurlijk of vanzelfsprekend worden gezien.

Ik wil best geloven dat dergelijke uitspraken sterk als waar worden ervaren, maar het blijft belangrijk om te benadrukken dat iedere sociale interactie voortvloeit uit een mix van geschiedenis, culturele normen en wetgeving. En daar kun je mee spelen.

We nemen de relatie serieus, zien die als definiërend voor wie we zijn. Er wordt wel gesproken over het versierspel of het machtsspel tussen kersverse verliefden, maar na de beginfase loopt het spel over in het gewone leven en krijgt de relatie een soort continue status. De roltrap blijft eeuwig doorlopen.

Het single-zijn wordt daarentegen altijd als een tussenfase gepresenteerd, nooit als doorlopende oefening of levenskunst. Graag roep ik de eeuwige single in het leven. Dat heeft niets met eeuwig alleenzijn te maken; het is vooral een ontsnapping aan de monogame een-op-eenrelatiestructuur die haar eigen spelkarakter vergeet. Door die open te breken, kan er ruimte ontstaan voor meerdere, gevarieerde verbindingen: multi-intimiteit.

Denk aan het bekende gezegde: It takes a village to raise a child. De liefde en lessen van een verscheidenheid aan mensen worden als een noodzakelijke verrijking gezien. Hoezo stopt het belang van verspreide bemoeienis en verbinding na de kindertijd? Waarom staat daar een onuitgesproken overtuiging tegenover: er is slechts één partner nodig om een volwassene compleet te maken?

Dit is een ingekorte voorpublicatie uit het essay Het Monogame Drama, dat op 19 november verschijnt bij De Bezige Bij.

Het monogame drama Het essay 'Het monogame drama' wordt op 19 november gepresenteerd in De Balie in Amsterdam. Lees hier meer over het boek

Lees verder:

Deze pornoactrice zet haar okselhaar in voor het feminisme Dit is het verhaal van de twintigjarige Rosie, die werkte als webcammeisje en tegenwoordig pornoactrice is. Ze ziet haar werk als een podium voor seksuele bevrijding voor de vrouw. Lees hier het verhaal terug Zo stijgt je seksleven weer naar grote hoogten (en geniet je samen van het uitzicht) Welke dingen zijn de moeite waard juist doordat ze moeite kosten? In dit verhaal: hoe je je (verwaarloosde) seksleven weer nieuw leven in blaast. Lees het stuk hier terug