Zaterdagavond, een paar weken geleden. Ik lig wakker in een hotelkamer in Amsterdam. De gracht schittert in duizend scherven oranje licht. Enkele uren eerder ben ik met de trein uit Parijs aangekomen.

In Gare du Nord heb ik nog de Franse editie van Rolling Stone gekocht. Op de cover staat een held. In de trein heb ik meteen gelezen. De diamond dog zelf kwam niet aan het woord, wel de vijf New Yorkse jazzmuzikanten die met hem in enkele weken tijd een plaat hebben opgenomen. Ze spraken enkel in superlatieven. Die stém. Die hoffelijkheid. Die eigenzinnigheid. Die niet-aflatende nieuwsgierigheid.

Hoelang kan een popartiest magie blijven uitstralen? Vijf jaar? Tien jaar? Maximaal. Tenzij je David Bowie heet natuurlijk. Een halve eeuw blijven intrigeren, nooit stilzitten, met elke plaat nieuwe wegen inslaan. Glamrock, funk, cabaret. Wat zal het dit keer zijn?

Een nieuwe plaat

Ik zet het titelnummer van zijn nieuwe plaat Blackstar op en luister in het donker. De zal ik pas dagen later zien. Er is nu alleen klank: een vreemdsoortig landschap, ijl, duister en unheimlich. Mijn hotelkamer wordt een veldbed in een nachtelijke toendra.

In the villa of Ormen, in the villa of Ormen
Stands a solitary candle, ah-ah, ah-ah
In the centre of it all, in the centre of it all
Your eyes

Militair tromgeroffel. Zijn zwevende, soms bijna vrouwelijke stem. De villa van Ormen? Zou dat verwijzen naar het debuut van Stig Dagerman uit 1945, een existentialistische roman over doodsangst en wanhoop?

Wie naar hem kijkt, weet niet waar gekeken. Hij komt dichterbij en trekt zich weer terug

Zijn stem klinkt zo helder, zo zuiver als in de jaren zeventig. Leonard Cohen zakt een octaaf bij elke plaat, Bowie blijft moeiteloos zijn falset halen.

On the day of execution, on the day of execution
Only women kneel and smile, ah-ah, ah-ah
At the centre of it all, at the centre of it all
Your eyes, your eyes

Ja, zijn ogen, zijn beroemde ogen. Bowie herhaalt zichzelf nooit, zelfs zijn ogen niet. Groot en groen links, smal en blauw rechts. Wie naar hem kijkt, weet niet waar gekeken. Hij komt dichterbij en trekt zich weer terug.

Ah-ah-ah
Ah-ah-ah

De baslijn is weggevallen. Een jazzy saxofoon heeft het overgenomen. Het tromgeroffel is via een bebopintermezzo ineens een technobeat geworden. Wat een briljante drummer trouwens, die Mark Guiliana. En wat een bizar nummer is dit! Ik weet niet wat ik ervan moet vinden, het is alsof ik David Bowie voor het eerst beluister.

Maar hoe vaak heb ik hem al niet voor het eerst beluisterd? De eerste keer dat ik die hoekige van ‘Ashes to Ashes’ hoorde: was dit werkelijk dezelfde gast die gitaarklassiekers als ‘Space Oddity’ en ‘Rock ’n Roll Suicide’ geschreven had? De eerste keer dat ik de naald in de groef van ‘Let’s Dance’ liet zakken - ik heb het onweerstaanbare singletje wel honderd keer opgelegd in mijn slaapkamer. De eerste keer dat ik ‘Heroes’ in het Duits hoorde: de soundtrack bij de film Christiane F. leek nog beter dan het sublieme origineel. Of de eerste keer dat ik in tijden ‘Star Man’ hoorde: het was op het einde van de De Wereld Draait Door-uitzending gewijd aan en daar zaten we dan, één voor één weggeblazen door dat overbekende nummer dat zo nieuw klonk.

Is dit zijn testament?

We zijn vier minuten ver en de song valt ineens helemaal stil. ‘Blackstar’ blijkt opgetrokken uit twee volkomen verschillende nummers, zoals van The Beatles. Hoe vullen Bowie en zijn producer Tony Visconti het gat tussen beide delen? Met hetzelfde gepingel als waarmee een raketlancering werd gesuggereerd in in 1969, zijn eerste wereldhit. Chaos bij het begin, chaos op het eind.

Wat dan gebeurt is niets minder dan een mirakel. Bowies stem breekt helemaal open, wordt weer kwetsbaar en gevoelig. Hij is weer zijn androgyne alter ego Ziggy Stardust die ‘Five Years’ zingt. Ik lig klaarwakker in bed, lente in de toendra.

Something happened on the day he died
Spirit rose a metre and stepped aside
Somebody else took his place, and bravely cried
(I’m a blackstar, I’m a blackstar)

Het laatste vers heeft de producer zo bewerkt dat het lijkt alsof er twee enge stemmetjes over elkaar heen liggen. Maar wat bij eerste beluistering vreemd klinkt, is vaak datgene wat achteraf blijft hangen. Eeuwige wet van de popmuziek. Schuurpapier houdt de aandacht vast. ‘Blackstar’ is een en al schuurpapier, van verschillende korrelgrootte nog wel. Het nummer polijst en krast voortdurend. Zou dit zijn testament zijn?

How many times does an angel fall?

De drum komt er weer bij, poeslief ditmaal.

How many people lie instead of talking tall?

Hoe hij ‘how’ zingt.

He trod on sacred ground, he cried loud into the crowd

Die echo op ‘loud.’

(I’m a blackstar, I’m a blackstar, I’m not a gangster)

En daar heb je weer het ruwste schuurpapier, drie keer na elkaar.

Het genie van Bowie is dat hij nooit te beroerd was om het geniale van zijn medewerkers te erkennen. ‘Heroes’ zou nooit zo’n monumentaal nummer zijn geworden zonder de arrangementen van producer Brian Eno. ‘Let’s Dance’ zou nooit zo’n wereldhit zijn geworden zonder de briljante transformatie die funkgrootmeester Nile Rodgers China Girl’ zou nooit zo zwoel zijn geworden zonder de gitaarsolo van de veel te jong gestorven bluesgod Stevie Ray Vaughan. En ‘Blackstar’? Dat is een combinatie van Bowies composities, improvisaties in de studio en weergaloze (post)productie door Tony Visconti.

‘Something happened on the day he died’

Het tien minuten durende nummer zal nog erg jazzy worden, even zelfs Noord-Afrikaans klinken, vooraleer terug te keren naar die mysterieuze villa of Ormen uit het eerste thema. Maar ik blijf hangen op de zesde minuut, wanneer hij voor de tweede keer zingt: ‘Something happened on the day he died.’

Ik lig allang niet meer in een hotelbed in Amsterdam nu. Ik zit aan een tafel in een goedkope hotelkamer in Jakarta. Iemand heeft net de nacht op de stad van dertig miljoen inwoners neergegooid, zodat de hitte eronder gevangen zit. Enkele uren geleden heb ik het nieuws uit het andere einde van de wereld vernomen en sindsdien luister ik opnieuw.

Weten dat je ongeneeslijk ziek bent, daarover louter je intimi inlichten en ondertussen in alle stilte met enkele jonge muzikanten een laatste meesterwerk maken

Something happened on the daa-ay he died.

Eén lettergreep. Eén enkele lettergreep die me bij mijn nekvel grijpt.

‘Was hij dan toch sterfelijk?’ lees ik al de hele dag op de sociale media. ‘Was hij echt pas 69?’ denk ik. Hoeveel levens passen er tenslotte in één leven?

Weten dat je ongeneeslijk ziek bent, daarover louter je intimi inlichten en ondertussen in alle stilte met enkele jonge muzikanten een laatste meesterwerk maken. Ja, dat is een testament. Niet in de zin van gemakzuchtige terugblik, maar van blijvende honger en geestdrift.

At the centre of it all, your eyes, your eyes.

Meer odes?

Ode aan het weerzien Wekelijks bezing ik iets, iemand of ergens. Deze keer: een man die ik achttien jaar niet gezien heb. Lees de ode hier terug Ode aan de waan van de dag Wekelijks bezing ik iets, iemand of ergens. Deze week een lap stof. Niet zomaar een lap stof, maar een gruwelijk spandoek vol opgefokte verslaggeving van de ergste soort: het tapijt van Bayeux uit de elfde eeuw. Lees de ode hier terug Ode aan mijn poetsvrouw Mijn wekelijkse lofzang gaat dit keer over iemand die veel ziet maar vaak onzichtbaar blijft: de schoonmaakster. Lees hier de ode terug