In februari 2012 ziet Mohamed Ag Nod (16) hoe drie zwaarbewapende in een pick-up het stadje Gundam inrijden. Ze laden de Malinese politie in, brengen hen de stad uit en vertellen de inwoners dat de MNLA nu de baas is. 

De volgende dag wordt Mohamed gewekt door schoten. Het Malinese leger neemt het stadje weer in. Mohamed ziet voor het eerst een dode, merkt hoe zwarte, Malinese kinderen uit de buurt hem wantrouwend nawijzen en wordt bang.

ook als ze niets met de opstand te maken hebben, worden opgepakt of verdwijnen spoorloos. Mensen uit zijn nabije omgeving verlaten hals over kop de stad.

‘Al mijn Toearegvrienden zijn hier, en mijn zwarte vrienden zijn nog daar. Ik kan niet terug omdat ik een Toeareg ben’

Ook Mohamed en zijn familie besluiten te vluchten. Omdat de zwarte taxichauffeurs Toearegs niet meer willen helpen, reizen ze per kameel naar een oom in een nabijgelegen dorp. Hij brengt hen in zijn auto naar M’bera, een stoffig vluchtelingenkamp vijftig kilometer over de grens in Mauritanië.

Nu, ruim anderhalf jaar later, wrijft Mohamed gefrustreerd over zijn gladgeschoren schedel. ‘Ik had nooit kunnen bedenken dat het zo zou lopen,’ zegt hij met een blik vol ongeloof. ‘Al mijn Toearegvrienden zijn hier, en mijn zwarte vrienden zijn nog daar. Ik kan niet terug omdat ik een Toeareg ben. Iedereen denkt nu dat wij terroristen zijn.’

Eigen land voor de Touareg

De oorlog in Mali begon bijna twee jaar geleden in het noorden van Mali, toen de Toearegbeweging MNLA onvrede binnen het zwakke Malinese leger aangreep om een lang gewenste onafhankelijkheidsstrijd te beginnen. 

Gesteund door goedbewapende Toeareg-strijders uit het net verslagen Libië namen ze al snel de

Direct daarna sloot de MNLA een verbond met aan Al-Qaeda verbonden groepen in de regio en volgden de overwinningen elkaar snel op. De beterbewapende en rijkere extremistische groepen kregen echter de overhand en namen de strijd over. 

Van een vrij Azawad, de regio waar de Malinese Toearegs leven, veranderde de focus van de opstand naar een streng islamitische staat voor heel Mali. 

Begin dit jaar stootte een duizendtal Malinese en buitenlandse islamisten door tot Konna, een strategisch gelegen dorp op 600 kilometer van de hoofdstad Bamako, en greep het Franse leger in. Dat dreef hen terug naar het noorden van het land en over de grenzen. 

Sindsdien proberen de Fransen zij aan zij met het Malinese leger en een VN-macht de rust in de regio te herstellen, maar dat gaat verre van vanzelf.

De islamisten verlegden hun tactiek naar gerichte aanslagen, moorden en korte aanvallen. Binnen de samenleving heerst een enorm wantrouwen tussen (veronderstelde) voor- en tegenstanders van de opstand en er vinden nog geregeld gewapende confrontaties plaats tussen verschillende gewapende groepen.

De chaos heeft er toe geleid dat ruim 180 duizend Malinezen de grens over zijn gevlucht en nog eens 350 duizend binnen het land ontheemd zijn geraakt. 

Dit zijn voornamelijk Toearegs en Arabieren. Zij worden door de zwarte Malinezen uit het zuiden van het land verantwoordelijk gehouden voor de chaos en door hen van oudsher gevreesd als een oorlogszuchtig

 

Een gevluchte familie rust tussen de middag in de schaduw van hun tent. Overdag kan de temperatuur oplopen tot 50 graden Celsius. Foto: Andreas Stahl
Een gevluchte familie rust tussen de middag in de schaduw van hun tent. Overdag kan de temperatuur oplopen tot 50 graden Celsius. Foto: Andreas Stahl

De derde stad van Mauritanië

Anny Tchowa, hoofd van het kantoor van de Wereldvoedselprogramma in het aan M’bera grenzende Bassikounou, zag de eerste groep vluchtelingen arriveren toen de MNLA en islamisten de regio begin 2012

‘Het waren vooral nomaden en veehouders die in de problemen kwamen omdat gewapende groepen hun dieren afnamen,’ legt ze uit. ‘Ze willen terug naar huis, maar stellen voorwaarden: hulp bij terugkeer, veiligheid, en een duurzame oplossing voor het conflict.’

De tweede groep arriveerde begin 2013 toen de Fransen de regio terug veroverden op de islamisten. Ze leefden bij de rivier en gingen goed om met andere groepen binnen de samenleving en de overheid. Ze willen graag zo snel mogelijk terug, maar durven nog niet.

M’bera huisvest een kleine 70.000 vluchtelingen. Voor 99 procent Toearegs en Arabieren. M’bera is daarmee de derde stad van Mauritanië

Inmiddels huisvest het vluchtelingenkamp bij M’bera een kleine 70.000 vluchtelingen. Voor 99 procent Toearegs en Arabieren. M’bera is daarmee de derde stad van Mauritanië. 

Het is er stoffig en heet. Vrouwen en kinderen liggen puffend op tapijten onder provisorisch opgezette hutjes. Kinderen rennen lachend rond en af en toe loopt er een ezeltje volgeladen met zakken rijst voorbij. 

Het kamp ligt in een extreem afgelegen gebied dat wordt bevolkt door islamisten en drugscriminelen. Er is geen blanke medewerker te bekennen vanwege het gevaar op ontvoering. 

En het is er arm. Zelfs zo arm dat de werkloze jeugd uit Bassikounou tot twee keer toe de voedselvoorraad van het kamp plunderde. Ze zeggen het nog slechter te hebben dan de vluchtelingen in het kamp.

Angst

De mensen in het kamp zijn de moedeloosheid nabij. Ze horen telkens dezelfde verhalen van mensen die zijn achtergebleven in Mali: huizen van Toearegs en Arabieren worden vernietigd, er vinden represailles plaats, en men is bang voor islamisten en het leger die nog geregeld met elkaar in conflict komen. 

Mohamed Taher (25) is vooral bang voor het leger, zegt hij zacht. Hij vluchtte toen de Fransen begin dit jaar zijn dorp in de buurt van Timboektoe innamen en is er van overtuigd dat hij vermoord zal worden als hij teruggaat. 

‘Dat komt omdat ik blank ben. Het leger zal mij aanzien voor een terrorist.’ 

Ook de Arabische Salka Mint Mohamed (42) is bang om te worden vermoord, zij het door islamisten. Ze kwam in januari 2012 aan in het kamp nadat islamisten de stad Lere hadden ingenomen. ‘Ze wilden iedereen vermoorden die ze tegenkwamen,’ zegt ze opgewonden. 

Nu staat ze wild gebarend bij de voedseldistributieplaats van de Wereldvoedselorganisatie in de hoop meer voedsel te krijgen voor haar kinderen.

Khougymala Ag Assartet Ansare (28) komt uit Essakane, waar het beroemde wereldmuziekfestival Festival au Désert wordt gehouden.

Net voor zijn eindexamen, in april 2012, vertrok hij uit Timboektoe, waar de spanning steeg terwijl de opmars van de rebellen vorderde. Stadsbewoners wantrouwden hem omdat hij jong was en een rebel zou kunnen zijn, zegt hij somber. 

Hij reisde terug naar het dorp van zijn familie, maar die waren al vertrokken naar M’bera.

‘Het dorp was leeg. Alleen mijn broer en een paar anderen waren er nog om op de dieren te passen. Ze verscholen zich voor het patrouilleerde Malinese leger, en overleefden dankzij water uit een gat wat ze groeven nabij het festivalterrein.’

Hij schudt zijn hoofd wanneer hij terugdenkt aan het eens zo bruisende muziekfestival en het leven wat hem is ontglipt.

‘Deze hele opstand had nooit moeten gebeuren,’ zegt hij boos. ‘Maar als de regering ons had geholpen dan was het ook nooit gebeurd. In het noorden van Mali is niets. Alle opbrengst van de grondstoffen gaat naar het zuiden, iedereen is corrupt, en er heerst geen gerechtigheid. Daardoor is het leven in het noorden ondragelijk.’ 

‘Hiertegen kwamen de mensen in verzet, en daarna liep het uit de hand.’

 

Meer dan 68.000 Malinezen leven inmiddels in M’Bera. Foto: Andreas Stahl
Meer dan 68.000 Malinezen leven inmiddels in M’Bera. Foto: Andreas Stahl

‘We hadden hulp nodig’

Abdoullahi Ag Mohamed El Maouloud is de voorzitter van de Organisation des Sociétés Civiles de l’Azawad (OSCA), een Toeareg organisatie die een civiele oplossing zoekt voor het conflict.

Net als veel andere Toeareg organisaties werkt hij noodgedwongen vanuit een vluchtelingenkamp aan de wederopbouw van zijn land. Hij wil pas terug als het veilig is.

‘De situatie was extreem en is nog uiterst gespannen. Op een gegeven moment waren er gebieden waar zwarte mensen blanken vermoorden, en andersom. Ook al had je helemaal geen politieke mening, mensen vermoorden elkaar om hun kleur,’ zegt hij vanuit zijn tent aan de rand van het kamp.

‘Het was een onhoudbare situatie die zonder steun van de Fransen nog veel erger was uitgepakt,’ vervolgt hij. ‘Het probleem was te groot geworden voor Mali om alleen op te lossen. We hadden hulp nodig en het is goed dat die kwam.’

Maar er zijn volgens Maouloud nog veel problemen die moeten worden opgelost voordat aan de wederopbouw van zijn land kan worden begonnen.

‘Mensen zijn arm, hebben geen kansen, worden gewantrouwd om hun kleur, en worden benaderd door extremisten en Ze worden verleid door hun geld, de status en de macht. Die situatie drijft mensen naar hen toe.’

‘Als de Fransen echt willen dat er vrede komt moet er voor worden gezorgd dat er geen voedingsbodem meer bestaat waardoor mensen kiezen om zich bij deze groepen aan te sluiten.’

‘Dat betekent welvaart in het noorden, meer kansen dan alleen drugsgeld en geweld, en een blik over de grenzen. Extremisme in de hele regio moet worden bestreden.’

‘Nu gebeurt dat niet. De Fransen voeren een ondoordachte politiek van geweld. Er is geen bewijs dat de islamisten dood zijn. De interventie is daardoor niet relevant. Ik ben bang dat de ze terug zullen komen als de Fransen weer weg zijn.’

Geen rebel

Voor Mohamed Ag Nod kan het moment dat hij terug naar huis kan niet snel genoeg aanbreken. Hij mist zijn school en vrienden, en hunkert ernaar zijn oude leven weer op te pakken. Maar hij is bang dat dit nog lang gaat duren.

‘Mijn moeder heeft contact met onze vroegere buren, dat zijn zwarte mensen. Ze passen op ons huis, en vertelden dat het de afgelopen maand is geplunderd door het leger,’ zegt hij terneergeslagen.

‘Ik ben heel erg boos dat het zo is gelopen. Als ik terugga pakt het leger me op. Dat gebeurde ook met mijn buurman die nu gevangen zit in Bamako. Er zijn rovers in het bos en het is gevaarlijk.’

‘Mensen moeten beseffen dat ik een gewone Toeareg ben, geen rebel. Die zijn in Kidal en komen uit landen zoals Libië en Algerije. Wij zijn geen terroristen, maar ik ben bang dat het lang duurt voordat mensen dat gaan beseffen en ik weer naar huis kan.’

 

Zo’n 25% van de vluchtelingen in M’Bera zijn kinderen tussen de 0 en 11 jaar. Foto: Andreas Stahl
Zo’n 25% van de vluchtelingen in M’Bera zijn kinderen tussen de 0 en 11 jaar. Foto: Andreas Stahl

 

Een man neemt een voedselpakket mee naar zijn familie in het kamp, dat zojuist is uitgedeeld door het World Food Program. Foto: Andreas Stahl
Een man neemt een voedselpakket mee naar zijn familie in het kamp, dat zojuist is uitgedeeld door het World Food Program. Foto: Andreas Stahl

 

Een Toeareg vrouw in haar tent. Zo’n 47% van de vluchtelingen in M’Bera is Toeareg. Foto: Andreas Stahl
Een Toeareg vrouw in haar tent. Zo’n 47% van de vluchtelingen in M’Bera is Toeareg. Foto: Andreas Stahl

 

Vrouwen en kinderen vullen tanks met drinkwater bij een van de waterbronnen in M’Bera. Foto: Andreas Stahl
Vrouwen en kinderen vullen tanks met drinkwater bij een van de waterbronnen in M’Bera. Foto: Andreas Stahl

 

Na uren te hebben gewacht, kunnen ook de laatsten in de rij geholpen worden met registratie om een voedselpakket te kunnen ontvangen. Foto: Andreas Stahl
Na uren te hebben gewacht, kunnen ook de laatsten in de rij geholpen worden met registratie om een voedselpakket te kunnen ontvangen. Foto: Andreas Stahl

 

Een verlaten tent in het vluchtelingenkamp M’Bera in Mauritanië. Foto: Andreas Stahl (voor De Correspondent)
Een verlaten tent in het vluchtelingenkamp M’Bera in Mauritanië. Foto: Andreas Stahl (voor De Correspondent)