De vrijdagavond is nevelig, alsook onze geest. ‘Laten we naar de stad gaan,’ zegt Anis, die hard zijn neus snuit en hem daarna nog een paar keer ophaalt. Hij heeft alweer genoeg van ons en wil naar een plek met, zo vermoed ik, meer oestrogeen.

Naast Anis, een oorspronkelijk Palestijnse jongen, maar cultureel witter dan de witste persoon die er in Almere te vinden is, zit Daan op mijn bank, hij schijnt kwart Indisch te zijn.

Daan lijkt op een Marokkaan, en dat is geen gunstig uitgangspunt voor dit verhaal, zal dadelijk blijken: mijn etnische profileringen zijn niet zonder reden. Ook wil ik onderstrepen dat we geen overheidssubsidie hebben ontvangen voor het stichten van onze diverse vriendengroep.

We zigzaggen fietsend naar een tent waar veel witte liberalen zich etnisch segregeren zonder dat de politiek zich hierover opwindt. Het is een eenrichtingsverkeer, van alle kanten voegen fietsers zich op deze verkeersader richting het centrum, om zich tijdelijk te begeven in een opgerekte werkelijkheid.

Maar heelhuids komen we aan op onze bestemming. Terwijl ik mijn fiets op slot zet, toetert Anis met zijn neus een nummer bij elkaar waar Daan op danst. De avond is veelbelovend, we hebben er veel zin in.

We zijn onszelf niet meer, we zijn mensen die zich gedragen zoals we vermoeden dat mensen zich in een rij gedragen

‘Rechtop staan,’ zegt Anis als we in de rij gaan staan. Mogelijk een vreemde opmerking, maar het heden verklaart zich uit het verleden, we komen geharnast. We zijn onszelf niet meer, we zijn mensen die zich gedragen zoals we vermoeden dat mensen zich in een rij gedragen.

‘Oké, normaal doen,’ instrueert Daan ons.
‘Ja, witte meester,’ lachen we.

De poortwachter van het oord waar wij tijdelijk onszelf willen vergeten en onhandig met vrouwen willen flirten, laat iedereen in de rij naar binnen. Het deurbeleid is de afwezigheid ervan en we komen steeds dichter bij de poort.

Maar terwijl er nog een groepje melkwitte meisjes voor ons staat, kijkt de uitsmijter naar ons en zegt: ‘Dat gaat ‘m niet worden jongens.’ Dan keert hij ons de rug toe.

Ik doe alsof ik niks heb gehoord, mijn vrienden hebben niks gehoord.

‘Wat zegt hij,’ vraagt Daan zachtjes, terwijl hij naar de grond kijkt en zich klein maakt.
‘Dat we niet naar binnen mogen,’ antwoord ik.
‘Ik zweer het,’ zegt Anis, ‘dit heb ik nou nooit met Nederlandse jongens.’ Hij steekt
een sigaret op en probeert zijn zelfbeeld te recupereren. Het gevoel van uitsluiting
activeert in de hersenen het circuit dat is verbonden met fysieke

‘Ik haat jullie, ik wil witte vrienden,’ zegt Daan.
‘Fucking racisten, laten we gaan dan,’ reageert Anis.
‘We blijven,’ zeg ik resoluut.

Het groepje meisjes mag naar binnen. We schuifelen langzaam naar voren.
‘Ik zei toch dat jullie niet binnenkomen,’ zegt de uitsmijter roerloos.
‘Wat is de exacte reden dat we niet naar binnen mogen,’ vraag ik bedeesd en langzaam, terwijl ik mijn uiterste best doe om Algemeen Beschaafd Nederlands te spreken.

De portier bekijkt ons van top tot teen. We worden getaxeerd, we worden gescand als een streepjescode, alsof aan ons lichaam is af te lezen wat voor mensen we zijn.

Maar er is iets gebeurd. Hij heeft zich laten overtuigen. Met een lichte knik dirigeert de portier ons naar binnen. We volgen zijn bevel op, als eerstelijnssoldaten.

Nooit eerder lukte het mij om een portier van gedachten te doen veranderen na diens initiële besluit. De binaire professie van portiers staat op gespannen voet met ambiguïteit. Als een dichter die moet beslissen over militair ingrijpen, over leven en dood.

Verbaasd en vol ongeloof strompelen we naar binnen, we struikelen zowat over elkaar.
‘Waarom zijn we binnen?’ vraagt Anis.
‘Ik imiteerde enkel een Nederlander,’ zeg ik.
‘Komt door het woordje exact,’ oppert Daan. Hij zal het vast wel weten.

Als ik veel later weer naar buiten loop, om gewoon te kunnen ademen, spreek ik de portier aan. Hij doet amicaal en is uit zijn rol gekropen.
‘Waarom mochten we net nou niet naar binnen?’
‘Gewoon, ik wilde weten wat voor vlees ik in de kuip had. Wilde jullie horen praten. Ik weiger ook gewone blanke jongens, hè.’
‘Je zei dat we niet naar binnen mochten voordat we onze mond ook maar hadden
opengetrokken.’
‘Je bent toch binnen, gap. En jongens die er zo uitzien als jij, ja ik vind het vervelend om te zeggen, maar die komen wel altijd rotzooi trappen.’
‘Uitzien zoals ik? Waar kom jij vandaan dan?’ vraag ik de portier, terwijl ik met mijn
hand in de lucht een denkbeeldige cirkel over zijn gelaat trek.
‘Oorspronkelijk uit Colombia,’ zegt de portier. ‘Maar ik ben gewoon Amsterdammer,’ voegt hij er snel aan toe.

Even is het stil.

‘Trouwens, vroeger kwam ik ook geen clubs binnen,’ zegt hij, ‘omdat Amsterdamse portiers dachten dat ik een Marokkaan was.’

De gastheer groet wat bezoekers. Als ik door het raam naar binnen kijk, zie ik Anis zijn neus snuiten en Daan de ogenschijnlijke Marokkaan iets aritmisch met zijn lichaam doen.

Maandelijks beschrijf ik voor De Correspondent een microrevolutie: een moment waarop ik te maken kreeg met vooroordelen, racisme of discriminatie en er iets mee deed.

Lees ook:

Je bent één van ons, je bent géén van ons Maandelijks beschrijf ik voor De Correspondent een microrevolutie: een moment waarop ik te maken kreeg met vooroordelen, racisme of discriminatie en er iets mee deed. In deze eerste column leg ik uit waarom. Lees de column hier terug Etnisch profileren bij de politie: ineffectief en onrechtvaardig Rapper Typhoon werd staande gehouden vanwege zijn dure auto en huidskleur, geeft de politie toe. Het is het zoveelste voorbeeld van etnisch profileren bij de dienst. Hoe komen we tot een rechtvaardiger politie-apparaat? Lees het verhaal hier terug