Het begon op maandagavond, met drie vliegen en twee maaien rond de vensterbank. Ik weet dat ze ‘maden’ heten, maar ik heb de neiging platter te gaan praten als ik in paniek ben. Waar kwamen ze vandaan? Ik checkte de vuilnisbak, het balkon, keek onder en achter elk meubelstuk. Nergens vuil of een nest te bekennen. Ik sloeg ze dood, gooide bleek op de plekken waar ze hadden gezeten en ging naar bed.

Die nacht werd ik wakker van getik tegen m’n slaapkamerdeur. Ik pakte een sleutelbos, stak de sleutels tussen m’n vingers door en trok de deur open. Niemand.

Toen tikte er iets tegen m’n voorhoofd. Weer een vlieg, weer zo’n obese groen-paarse die eerder in mijn woonkamer had gezeten. Na zijn moord liep ik terug de woonkamer in. Het gezoem was misselijkmakend. De concentratie vliegen was driehonderd procent hoger dan een paar uur geleden, het wit van de kozijnen was op sommige plekken nog nauwelijks zichtbaar. Alle beesten zaten aan de linkerkant van de kamer, ver weg van de keuken maar dicht bij het aangrenzende huis.

En ik had mijn linkerbuurman al weken niet gehoord.

Mijn buren

Sinds mijn verhuizing een paar maanden geleden maakte ik kennis met een aantal buren.

Zoals de oudere vrouw die elke ochtend met haar boodschappentrolley bij de voordeur rondhangt. In haar jaszak zit een, vermoedelijk door haarzelf geschreven, boodschappenbriefje dat ze op de grond laat vallen zodra je langsloopt. Dan vraagt ze of jij dat hebt laten vallen, waarna ze een gesprek met je aanknoopt.

Een vriendelijke man, ‘maar een man alleen hè?’

En de jongen van de eerste verdieping, die zijn oude grijze bulldog in de lift naar boven zet en dan zelf de tien treden naar boven neemt omdat hij aan het trainen is voor de marathon.

Mijn directe buurvrouw, die na de eerste kennismaking niet alleen de moeder van de vorige bewoonster bleek, maar ook het meisje waarover mijn oma me weleens Zij woont rechts, links heb ik nog een directe buur, maar die heb ik dus nog nooit gezien. Wel hoorde en rook ik hem op gezette tijden. Zijn toilet zit parallel aan het mijne gemonteerd aan de andere kant van de muur, dus als ik hem daar bezig hoorde, maakte ik er een sport van simultaan door te trekken. Op zaterdagochtend hield ik mijn raam dicht omdat ik anders zijn frietpan rook. Van de huismeester hoorde ik dat hij nogal een kluizenaar was. Een vriendelijke man, ‘maar een man alleen hè?’

De plaag wordt erger

Intussen werd mijn vliegenplaag erger. Ze zaten op de ramen, in de gordijnen. Sommige vlogen verwilderd rond, andere vielen zomaar dood neer. Na de groene kwamen er ook bruine, nog grotere, vliegen.

Ik sloeg gif in. Lokdoosjes, spuitbussen, plakstrips. Ze werkten voor de vliegen die er al waren, maar hielden de komst van nieuw gezoem niet tegen. Het gif verminkte de indringers: maaien verschompelden, vliegen liepen. Twee keukenrollen per dag gingen er doorheen om de lijken op te ruimen.

Een week lang belde ik drie keer per dag aan bij de buurman. Geen gehoor. Ik ging op straat staan om te zien of ik iets zag bewegen, maar de gordijnen bleven gesloten. ‘s Avonds brandde er geen licht. De luxaflex aan de andere kant van zijn huis zat potdicht maar leek met de dag geler te worden. In zijn postbus zat een enorme stapel brieven. Ik belde de huisbaas, maar die kon hem ook niet bereiken. Aankloppen, aanbellen, opbellen, briefjes onder de deur door schuiven, midden in de nacht stofzuigen en expres met de stang tegen zijn muur aan bonken: hij reageerde nergens op.

De huismeester wilde even wachten met de politie inschakelen: misschien was de buurman gewoon op vakantie.

Bidden tot Mozes

Ik zat inmiddels letterlijk met de handen in het haar: er was een door het gif versufte bromvlieg in gevlogen en die zat vast. In Exodus 8:20-32 stuurt God een vliegenplaag op Egypte af omdat de farao het de Israëlieten had verboden Egypte te verlaten. Mozes bleek de beroerdste niet, hij schoot te hulp en stopte de plaag.

Dus bad ik tot Mozes. Spoot meer gif. Begon zwarte vlekken te zien, wist het verschil niet meer tussen vlekken en vliegen, draaide de kap van de ventilator af en strompelde met onafgedekte propellorbladen door het huis in de hoop een paar ellendelingen te kortwieken.

Mozes bleek de beroerdste niet, hij schoot te hulp en stopte de plaag. Dus bad ik tot Mozes

De verhuurder bleek niet te doen aan ongediertebestrijding. Ze bestreden alleen beesten die de woning zelf aantastten. ‘Puur bouwkundig ongedierte, zeg maar.’ De huisbaas kwam nog een keer langs maar de politie bellen stelden we nog even uit; als er echt een rottend lijk aan de andere kant van de muur lag, zouden we toch wel iets ruiken?

De vliegenvangplakstrips zaten elke ochtend zo vol dat ik ze dagelijks moest vervangen. Ik durfde niet te lang van huis te zijn uit angst dat die beesten eitjes zouden leggen voordat ik ze dood kon slaan.

Ik probeerde niet te googelen naar ontbinding, geen verhalen te lezen van eenzame mensen die pas maanden later werden gevonden.

De verklaring

Na een week, de huismeester had intussen heel het pand geïnspecteerd en was erachter gekomen dat ik de enige was met overlast, kwam de verklaring. Op de dag dat mijn plaag begon, waren de glazenwassers langsgeweest. Met hun hogedrukspuit hadden ze de gevels schoongemaakt en per ongeluk een dode rat uit een goot tussen de gevelplaten op mijn huis gespoten.

Door de kieren van het huis waren de maaien en vliegen die het kadaver uitvraten naar binnen gekropen. Ik schold een kwartier lang tegen de onzichtbare scheurtjes waar ik zo van had gehouden; als het warm is zorgen ze voor een briesje, in het weekend hoor ik er het draaiorgel op de markt doorheen.

Het fijne aan een rattenkadaver tegen je gevel? Op een gegeven moment is het uitgevroten. Na acht dagen, om precies te zijn. Einde vliegen en maaien dus, op een paar verdwaalde na.

Waar de buurman was? In het ziekenhuis, hij is al een hele tijd ziek. Toen het kadaver op was, kwam hij thuis. De huismeester is voor de zekerheid nog even bij hem binnen gaan kijken, of het toch niet stiekem zijn huis was dat de overlast veroorzaakte. Later bracht hij verslag uit. ‘Het was niet schoon. Maar geen beesten. Je was de eerste die hem miste denk ik. Een man alleen hè?’

Supersociaal: de hele dag met je telefoon spelen Pokémon GO lijkt de ergste vermoedens over smartphoneverslaafde individualisten te bevestigen. Als correspondent Vooroordelen was ik benieuwd of dit vooroordeel klopt en besloot het spel uit te proberen. Ik ontdekte dat het tegenovergestelde waar is: niks gezelliger dan de hele dag (en nacht) naar je telefoon staren. Lees het verhaal hier terug Iemand die ik niet ken: De man met één schoen Elke twee weken schrijf ik over een moment dat ik deelde met iemand die ik niet ken. Een ontmoeting die de betovering verbrak, of het ongrijpbare verklaarde. Dit keer met de vrouw in Antwerpen die om een sigaret vroeg. Lees het verhaal hier terug Iemand die ik niet ken: Wiesda Elke twee weken schrijf ik over een moment dat ik deelde met iemand die ik niet ken. Een ontmoeting die de betovering verbrak, of het ongrijpbare verklaarde. Deze keer die met het jongetje dat zijn bal probeerde te verdrinken. Lees het verhaal hier terug