Amsterdam, oktober 2016. Foto: Maarten van der Kamp

‘Kom naar mijn nieuwe donkere kamer!’ mailde Maarten van der Kamp (1981) enthousiast. Nu ik daar sta, voor de afbladderende deur van een vier verdiepingen hoog pand aan de Geldersekade in Amsterdam, doet hij niet open en probeer ik hem voor de vierde keer telefonisch te pakken te krijgen.

Het is halftwee, we hadden om één uur afgesproken. Ik bel een laatste keer en kijk naar boven. Zou hij daar ergens liggen te slapen? Of is hij druk in de weer met negatieven en chemische baden en daardoor de tijd vergeten?

Geen opleiding, geen carrière. Dacht heel even dat hij schrijver wilde worden, deed hier en daar wat modellenwerk. Was acht jaar lang alcoholist. En nu, op zijn vierendertigste, staat hij op de drempel van de publicatie van zijn boek De Amsterdammers: straatfotografie uitgegeven door de nieuwe uitgeverij Lees hier meer over Maarten van der Kamps fotoboek: De Amsterdammers. Das Mag. Een verhaal over een laatbloeier.

Een lofzang op de feilbaarheid

Drie jaar lang zwierf Van der Kamp door Amsterdam. Hij fotografeerde mensen op een moment waarop hun ziel heel even naakt lijkt. Alsof de geportretteerden door hem worden betrapt en daardoor zijn gestript van alle pretentie en alle glans. Iedere foto, korrelig en zwart-wit, lijkt een lofzang op de feilbaarheid en de imperfectie.

Maar hij doet nog steeds niet open en neemt niet op. Vlak voor ik de trein terug naar huis instap, krijg ik een mail: ‘Mijn telefoon is gisteren gestolen! Ben je er nog?’

‘Voor het eerst in mijn leven heb ik keihard ergens voor gewerkt en is het ook echt gelukt’

Weer de Geldersekade af. Daar roept hij naar me vanuit een raam op de derde verdieping. Warrig haar, openhangend bloesje, shirt eronder. ‘Ik kom eraan!’ Als hij opendoet en zich aan me voorstelt, is hij opgewekt en nerveus. Zijn haar is lang bovenop en kort aan een zijkant. Zijn bloes is iets te groot; de mouwen komen tot over zijn handen. Eronder draagt hij een joggingbroek en sneakers. De nonchalance van de warrige kunstenaar: je weet nooit of het kloffie gewoon maar bij elkaar is geraapt, of dat erover na is gedacht.

Ik loop achter hem aan de krakende trappen op. Zijn donkere kamer is drie bij twee. Planken met materialen erop tegen de muur, een rij stickers met cijfers op iedere plank. Vier lage bakken met vloeistof: een ontwikkelaar, een stopbad, een fixeer, een met gewoon water. Overal apparatuur. Zijn analoge Leica M6. Een gitaar. Rugzak en plastic tassen op de vloer. Gereedschap. Kleding. Lege blikjes Grolsch. Een lege wijnfles.

Van der Kamp laat me zijn fotoboek zien. Het is lijvig en sober. ‘Ik ben extra trots,’ zegt hij. ‘Nog meer dan je normaal trots zou zijn op een boek, denk ik. Voor het eerst in mijn leven heb ik keihard ergens voor gewerkt en is het ook echt gelukt.’ Dan, na een korte mijmering: ‘Nee, voor het eerst in mijn leven heb ik ergens keihard voor gewerkt.’

Een fotograaf die zijn eerste boek uitbrengt

Er staat maar één stoeltje in de kamer, waar ik op mag zitten. Van der Kamp, nadat hij oploskoffie heeft gemaakt, hurkt op de vloer. ‘Rook jij? Nee? Oké, want ik ga zo wel sigaretten kopen.’

Als ik voorstel dat hij die eerst gaat kopen, zodat we daarna rustig kunnen praten, wil hij daar niets van weten. Toch denk ik aan hem te merken dat hij ernaar snakt. Hij oogt schichtig en kwetsbaar, alsof hij zich ergens voor geneert. Voorafgaand aan ieder antwoord dat hij geeft - helder gesproken en intelligent geformuleerd, maar vaak eindigend in een niet afgemaakte zin - lijkt hij zijn focus even bij elkaar te moeten sprokkelen.

Ik wijs naar de lege bierblikjes en de lege wijnfles. ‘Je dronk toch niet meer?’ Hij lacht, ontwijkt mijn blik en legt uit: ‘Klopt. Een vriendin van me was hier. Zij dronk het.’ Niettemin denk ik drank in zijn adem te kunnen ruiken.

Dan, na een paar seconden waarin hij lijkt na te denken en er een zekere gelatenheid of berusting over hem heen lijkt te komen: ‘Ik moet je eerlijk zeggen dat ik de laatste tijd weer af en toe de fout in ga.’ Hij zegt het met schaamte en opluchting tegelijk. ‘Je bent de eerste buiten mijn vrienden tegen wie ik dit zeg.’ Of ik het in dit artikel mag zetten, weet hij nog niet.

Nu snap ik de schichtigheid beter, de telefoon die weg is. Een terugval, dus. Hij kan het uitleggen, er zijn redenen voor. Maar misschien is het beter als ik eerst even wat verder terugga.

Een getalenteerde columnist met een boekencontract

Eigenlijk zou Maarten van der Kamp schrijver worden. Op zijn zestiende werd hij aangespoord om mee te doen aan Lees hier meer over Kunstbende. Kunstbende, een nationale cultuurwedstrijd voor jong talent. Hij won zowel de regionale voorronde als de nationale finale.

In de zaal zat Adriaan Krabbendam, destijds redacteur bij de nu niet meer bestaande uitgeverij Vassallucci. ‘Hij bood me een contract aan en stelde me voor bij dagblad Trouw.’ Ineens had Van der Kamp een vaste column. Zestien jaar oud. ‘Ik denk dat ik die column vooral kreeg doordat ik zo jong was. Die stukjes waren niet slecht hoor, maar dat ze werden geschreven door een puber zorgde wel voor een soort vertedering bij de lezer, denk ik, waardoor men minder kritisch was.’

Goede columns of niet, Van der Kamp besloot te stoppen met het vwo. De schoolleiding probeerde hem ervoor te behoeden, maar zijn ouders waren het met hem eens. Een vaste column in een nationale krant, een voorschot voor een debuutroman, wie maakte hem wat?

Nog wat verder terug. Op zijn vierde scheidden zijn ouders. Zijn moeder: dominee. Zijn vader: klassiek zanger. In zijn puberteit, toen hij dus ineens schrijver was, woonde hij bij zijn vader op een woonboot op de Amstel. Zijn vader was vaak op tournee. ‘Dat was natuurlijk fantastisch. Er stond een drumstel, een grote vleugel. Ik kon muziek draaien zo hard als ik wilde.’

‘Ik deed het alleen maar omdat het zo soepel ging. Bij het eerste beetje tegenslag had ik er al meteen geen trek meer in’

Op die boot werkte hij aan zijn roman. De redactie van Trouw vroeg hem of het hem misschien leuk leek om een feuilleton voor hen te schrijven. Natuurlijk. Hoe makkelijk het allemaal ging.

Maar toen, na de eerste versie van zijn roman te hebben ingeleverd, ontving hij een uiteenzetting van alles wat er niet goed aan was, wat beter kon, wat moest worden veranderd, waar hij toch nog eens naar moest kijken. In één klap was al zijn zelfvertrouwen weg.

‘Bij Trouw hebben ze me altijd gewoon maar laten schrijven, zonder enige redactie. Op geen enkele zin hadden ze kritiek.’ Het hele principe van geredigeerd worden, van kritiek krijgen, was Van der Kamp vreemd. Het enige wat hij uit de feedback kon opmaken was: je kunt het niet. Zijn ego was als een strak opgeblazen ballon; één speldenprikje en klap.

Ik opper dat het op een diepe onzekerheid duidt. Hij denkt even na, lijkt het zich nu pas te realiseren. ‘Ja…ja, inderdaad. Maar ook de noodzaak ontbrak. Ik had helemaal niet per se een schrijver willen worden. Ik deed het alleen maar omdat het zo soepel ging. Bij het eerste beetje tegenslag had ik er al meteen geen trek meer in.’

Hij zette geen woord meer op papier. Geen columns, geen feuilleton, geen roman. Tot zover de schrijverscarrière. Hij moest nog twintig worden.

Een leven van feesten, drank, trouwen en scheiden

Geen werk, geen school, wel veel vrije tijd. De woonboot leende zich perfect voor feestjes. ‘Gek genoeg had ik voor die tijd amper alcohol gedronken, maar toen ik was gestopt met schrijven dacht ik: dan maar drinken.’

En ook dát ging hem makkelijk af. Er volgde een periode van acht jaar dronkenschap. ‘Die periode is een beetje vaag,’ zegt hij. ‘Ik heb veel rare dingen meegemaakt...’ De zin valt dood. Want waar te beginnen?

Er waren baantjes. In een skateboardwinkel bijvoorbeeld, waar hij scheel van de drank en veel te laat binnenwandelde, en dus snel werd ontslagen. Het enige baantje dat werkte, was modellenwerk. Ze plukten hem van straat voor een casting. Niet lang daarna was hij te zien op billboards door heel Nederland als het gezicht van internetaanbieder Chello. En, o ja, in de tussentijd was hij ook nog even getrouwd en gescheiden.

Net zo hield, na acht jaar, zijn drankverslaving ook ineens op. ‘Eén nacht was ik weer zo dronken dat ik dacht dat het echt niet goed ging. Toen heb ik een meisje gebeld dat ik leuk vond. Ze nam niet op, ik sprak haar voicemail in. De volgende dag kreeg ik een berichtje. Ze schreef dat ze met haar vriendje in bed had gelegen en dat ze echt niet zat te wachten op mijn onzin. Dat kwam ineens zó hard binnen. Gek hè?’

Ik opper dat het misschien hetzelfde voelde als de kritiek op zijn roman. Weer die mijmerende blik, gevolgd door iets wat op een openbaring lijkt, alsof hij er zelf nog niet op was gekomen. ‘Het is wel zo dat voor die tijd eigenlijk niemand iets had gezegd van dat drinken, inderdaad.’

Voor- of achteruit?

De eerste jaren daarna had hij geen idee wat hij wilde doen. Hij had misschien wel een ambitie, maar nog geen medium. Dus kocht hij een Leica M6 (eerst met een dure lens van Leica zelf, maar recent, omdat hij die lens uit geldnood moest verkopen, met een goedkopere Voigtländerlens) en begon op straat plaatjes te schieten.

‘Er ging een knop om. Ik ga dit doen, besloot ik. En ik ga het góéd doen.’ Nu hij er eenmaal aan was begonnen, mocht hij niet meer stoppen. Niet meer falen. Niet meer vroegtijdig opgeven. Je gaat bijna denken dat Van der Kamp met deze vastberadenheid evengoed alsnog die roman had kunnen schrijven, of schilder had kunnen worden.

Vanaf 2013 deed hij niets anders meer dan door het centrum van Amsterdam dwalen en fotograferen. Analoog. ‘Ik heb het mezelf moeten leren. Omgaan met mensen die boos op me werden als ik ze fotografeerde, compositie, licht, al die dingen.’ Een sociaal leven had hij niet meer. Hij loste op in de stad, bestond niet meer, was alleen nog maar een oog.

En nu zijn we hier, op de spreekwoordelijke vooravond van de publicatie van zijn boek, zijn eerste echte succes en biecht hij op dat hij weer drinkt. ‘Ik heb drie jaar lang niemand gezien,’ legt hij uit. ‘Drie jaar geen seks gehad, zelfs niet gezoend. Ik had geen geld en at bijna niets anders dan spaghetti à la crème. Nu is het boek af en…’

Wil je ontladen? vraag ik. ‘Ja!’ Hij staat op, blijft staan en denkt na, zijn handen verscholen onder zijn lange mouwen. Ik zie hem schipperen tussen zelfrechtvaardiging en schaamte. ‘Het is ook dat ik heel hard aan het werk ben en ik daardoor het gevoel heb dat het nu gewoon wat minder erg is om te drinken. Ik ben trots en voel me zeker van mezelf. Dat was vroeger niet zo.’

Maak je je er zorgen over? vraag ik. Nu antwoordt hij zonder aarzelen: ‘Ja.’ Pas daarna komt de nuancering: ‘Ik heb het vooralsnog onder controle. Het valt heel erg mee en ik ondervind er geen last van tijdens het werk. Ik doe de dingen die ik moet doen.’

Ik denk aan zijn mobieltje. Gisternacht werd hij gerold. Hij verdacht een jongen op een scooter, stapte eropaf, kreeg meteen een harde vuistslag tegen zijn sleutelbeen en maakte zich snel uit de voeten. Vandaag heeft hij er nog last van; af en toe wrijft hij erover, en wanneer we even later een pakje Gauloises blauw en een flesje Coca-Cola gaan kopen is het te zien aan zijn houterige bewegingen, waarbij hij af en toe grimast van de pijn.

Op straat, met cola en peuk, schiet hij af en toe een foto. ‘Het is niet hetzelfde met jou erbij,’ zegt hij. ‘Ik kom zo niet in de juiste gemoedstoestand.’ We lopen tot aan de Dam en dan via een andere weg weer terug. Het is niet moeilijk om voor te stellen hoe hij de afgelopen drie jaar hier heeft rondgelopen. Hij beweegt zich even vanzelfsprekend voort als de duiven.

In de deuropening nemen we afscheid. Of ik mag schrijven over zijn terugval weet hij nog steeds niet. Dan gaat hij zijn donkere kamer weer in. Hij heeft nog zo’n vijfenzeventig grootformaat foto’s te ontwikkelen. De boekpresentatie van De Amsterdammers fonkelt aan de horizon. Maar wat er áchter die horizon ligt, dat is nog even de vraag.

Een tijdje geleden kreeg ik een mailtje. Van der Kamp had het bovenstaande artikel gelezen. Het was even slikken, schreef hij, maar ik mocht alles zo laten staan. Wel wilde hij even kwijt dat hij, nadat hij drie dagen bibberend bij een vriendin op bed had gelegen, alweer twee weken broodnuchter was.

Meer verhalen over fotografie en film:

De man die bepaalt hoe Nederlandse hiphop eruitziet, wil zelf niet in beeld Teemong. Praten met journalisten doet de meest gevraagde videomaker in de Nederlandse rapindustrie liever niet. Niettemin mocht ik de opname van een nieuwe videoclip bijwonen. Zo kon ik toch een beeld krijgen van de man wiens kunst zo gerespecteerd wordt dat hij muzikanten overtuigt met pitches als: ‘Er staat een Chinees in een open veld en die gaat allemaal shit slopen.’ Lees mijn portret hier terug Hoe fotograaf Cor Jaring het leven omarmde De beroemde Nederlandse fotograaf Cor Jaring (1936-2013). Diens rauwe foto's van protestbeweging Provo gingen in de jaren zestig de hele wereld over. De rest van zijn leven zou hij bekend komen te staan om zijn pure en avontuurlijke manier van fotograferen. Lees het portret van Joris van Casteren terug Deze beroemde fotograaf voert een overdonderend gesprek met de natuur Recent opende Dialogues with Nature, een overzichtstentoonstelling van het werk van natuurfotograaf Frans Lanting. Het is het beeldverslag van veertig jaar praten met – en vooral: kijken naar – de natuur. Lees de aanbeveling van Lynn Berger hier terug

Facebook
Twitter
LinkedIn
Whatsapp
E-mail