Na mijn lezing komt een man naar me toegesneld, zijn goede bedoelingen vooropgesteld. Hij heeft een bril, een sjaal, een blouse en een broek, twee benen en twee armen, en al zijn vingers nog. Hij loopt verder niet mank en ook heeft hij geen zenuwtrekken in het gezicht. Een vrij kleurloze man, als je het mij vraagt, ondanks zijn witte huid.

‘Ik woon sinds kort in Amsterdam-West, en mijn Turkse buren brachten mij laatst een schaaltje met baklava. Ik wist niet wat ik ermee moest. Ik ben het namelijk niet gewend om met mijn buren, hoe zeg ik dat, te praten,’ zegt hij.
‘Wat heb je met dat schoteltje gedaan?’
‘Teruggegeven.’
‘Heb je er iets op gedaan?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Een plak cake bijvoorbeeld?’
‘Nee.’

Na een korte pauze besluit ik ‘oké’ te zeggen. Geloof me, ik ben net zo teleurgesteld in mezelf.

‘Ik wil ze best een keer bij ons uitnodigen, maar waar moeten we het dan over hebben?’
‘Misschien willen ze iets kwijt over hoogopgeleide witte Nederlanders die de wijk intrekken en de oude bewoners wegjagen.’
De man lacht moeizaam. ‘Maar er zijn wel degelijk verschillen tussen ons. Zij zijn religieus, en ik niet. De vrouw van die man heeft een hoofddoek.’
‘Ja, ja,’ knik ik gespeeld empathisch. Ik zoek oogcontact met anderen, en probeer onder het gesprek uit te komen.
‘Jij lijkt veel meer op ons, en je spreekt goed Nederlands,’ vertrouwt de man mij toe, terwijl hij mijn elleboog met de zijne begroet.

Ik voel prikkeldraad op mijn huid. Niet het prikkeldraad aan hekken, maar de steken van het prikkeldraadspel dat ik vroeger speelde, wanneer iemand met zijn linker- en rechterhand het vel van mijn onderarm in tegengestelde richting draaide. Ik wil de beklemmende jas van de uitzondering op de regel niet.

Wat ik wilde zeggen

Het doet me denken aan die ene conducteur die mijn kaartje wilde zien: ‘Meneer. Spreekt. U. Nederlands?’

Alsof hij in gesprek was met een klein kind. Ik reageerde niet snel genoeg, omdat ik sterretjes zag, afgewisseld met scheutjes licht en donker. Diverse antwoorden schoten door mijn hoofd en ik haatte mijn gebrek aan gevatheid. Dus herhaalde de conducteur zijn woorden, maar luider: ‘Meneer. Spreekt. U. Nederlands?’

Beter dan je hele familie bij elkaar, je moeder, wilde ik antwoorden. Maar het keurslijf van het betamelijke knelt ook, daarbij wilde ik de conducteur niet voor het hoofd stoten.

Na dit incident heb ik maanden geoefend op mijn comeback, voor de spiegel, in diverse omstandigheden, met diverse omstanders.

‘Meneer. Spreekt. U. Nederlands?’

Maar toen glimlachte ik breeduit naar de conducteur. Ik glimlachte vriendelijk, omdat de woorden niet kwamen. Ik heb ook geglimlacht naar de man van de lezing, met zijn goede bedoelingen. Ik wilde niet bozig overkomen, en ook wilde ik niet polariseren. Ik wilde meneer niet kwetsen en ik wilde niet overkomen als overgevoelig.

Dus stop ik, tegenstrijdig genoeg, veel energie in het niet voor het hoofd stoten van hypergevoelige witte Nederlanders.

Eigenlijk wilde ik zeggen: zie de ander niet als een cultureel object, maar als een buurman. Ik wilde mijn stem verheffen, en meneer wijzen op hoe politiek rechts het idee huldigt van een botsing der beschavingen en politiek links graag bruggen wil bouwen, maar dat conservatieve en progressieve Nederlanders uiteindelijk dezelfde grondstelling delen over ‘gescheiden culturele werelden.’ Alsof individuen herkenbare, afgebakende culturele mozaïeken zijn. Alsof ze stilstaan in de tijd.

Soms wil ik liever brullen op je cocktailfeestje. Gitaar spelen met je sjaal, en doen alsof ik je niet begrijp. Mijn ongemak op je projecteren en je ongemakkelijk maken. Schreeuwen op wat het nummer van Sigur Ros in me losmaakt tussen minuut 2.49 en 4.40. Exploderen, niet imploderen.

Wat Wendy van me vond

De volgende dag ga ik naar mijn werk, het leven gaat nu eenmaal verder. Op straat, in de bus en metro glimlach ik preventief naar iedereen. Dat doe ik ook op de universiteit, het zit tussen mijn oren, dat weet ik.

Mijn werkplek bevindt zich aan het einde van een lange gang, verstopt achter een grote, zware schuifpui. Ik moet de enorme schuifpui met twee handen opentrekken. Wanneer de schuifpui volledig openstaat, zie ik een meisje zitten.

Ik kijk om me heen, er is verder niemand op de gang te vinden. Het meisje met blond haar en blauwe ogen kijkt op een iPad naar een tekenfilm.

‘Hoi,’ zeg ik, mijn stem is erg hoog en ik glimlach veel. Het meisje reageert niet. Ik loop twijfelend mijn kantoor in, zet mijn tas op de grond, hang mijn jas op, ga zitten in mijn stoel en zet mijn computer aan.
‘Wat heb je met Martijn gedaan?’ vraag ik het meisje. Martijn moet haar vader zijn, ze zit op zijn stoel.
Ik hoor Tom-en-Jerry-geluiden van haar iPad komen.
‘Ben je Tom en Jerry aan het kijken?’
Weer geen reactie.
‘Spreek. Je. Nederlands?’ probeer ik.

Ik geef het op en ga aan het werk. Af en toe kijk ik naar het meisje. Af en toe kijkt ze stiekem mijn kant op, maar niet zo stiekem dat het haar ongezien lukt.

Mijn collega Martijn komt binnenlopen. Hij verontschuldigt zich, want hij had een afspraak en kon geen oppas vinden. Ik zeg dat het nergens voor nodig is. Ik vraag Martijn, met hoge stem, hoe zijn dochter heet. Wendy heet ze.

Later die middag ontvang ik van Martijn een berichtje: ‘Wendy vond het heel leuk om met je te praten. En ze zei dat ze het helemaal niet eng vond.’

Lees ook:

De mooiste microrevolutie van het jaar heet Meryem Meryem is als leerling met een migratie-achtergrond een uitzondering op haar school in hartje Amsterdam. Docenten vragen ‘waarom ze niet naar een school is gegaan in haar eigen buurt’ en spreken over ‘wij’ en ‘jullie’. Dit is haar verhaal. Lees mijn column hier terug Wie kritiek levert op het Huis Nederland, wordt eruit gedonderd Racisme is pijnlijk concreet. Wat zou jij doen als in de trein of bus witte Nederlanders zwarte Nederlanders beledigen, of zelfs de deur wijzen? Lees mijn column hier terug Nederlanders verbazen zich: waarom doet de Syrische Mahmoud zoveel in huis? Veel Nederlanders zijn verbaasd als ze bij de Syrische Mahmoud en Huda thuiskomen in Glimmen. Mahmoud kookt, maakt schoon én zorgt voor de kinderen. Hij blijkt er een onverwachte reden voor te hebben. Lees de reportage van Greta Riemersma hier terug