Wanneer ik de zaal betreed, overspoelt een golf van witheid me. Ik moet denken aan de laseroperatie aan mijn ogen, midden in de winter, in Istanbul. De stad was bezaaid met een dik pak sneeuw. Bij het verlaten van het ziekenhuis was het wit van de zon en de sneeuw zo verblindend, dat ik mijn arm voor mijn nieuwe ogen moest houden.

In de zaal draait iedereen synchroon zijn hoofd om, veel wenkbrauwen staan asynchroon. Verwarde en verbaasde blikken – is dit de spreker? Alsof ik ergens op het platteland een onbekend café ben binnengestapt, smiespel, smiespel, wie is deze indringer, smiespel, smiespel, wat komt hij hier doen, smiespel, smiespel, we hadden het net zo gezellig in dit dorp.

Wat een denk ik ondertussen, en ik vergroot de afstand tussen mezelf en de aanwezigen nog meer. Ik kijk om me heen en begin lichamen te bestuderen, als een achterhaalde antropoloog categoriseer en reduceer ik iedereen schaamteloos tot het biologische.

Nog even en ik ga schedelmeten.

Als wit de norm is

Ik voel me, een space invader, een indringer en buitenstaander. Alsof ik hier niet hoor en hier alleen voorwaardelijk mag zijn. Witheid is de norm in deze ruimte, en ik kleur af. Ik maak me zorgen over hoe mijn verhaal straks wordt ontvangen.

Witheid is de norm in deze ruimte, en ik kleur af

Het doet me denken aan de ruimtelijke indringers uit mijn onderzoek naar politiediscriminatie. Bruine en zwarte Nederlanders die niet zouden passen in vermogende witte wijken omdat ze afweken van de couleur locale. ‘Toch even snel controleren,’ dacht de agent dan. Het witte lichaam was vrijwel nooit out of place, het is de norm.

‘Ik ben blank,’ zegt de witte, die graag lichaamloos, onopgemerkt en onzichtbaar door het leven wil blijven wandelen. Maar iedereen spreekt vanuit een bepaalde positie. Zo ben ik ook een man, naast een boel andere dingen. Ik moet denken aan de grap van Louis C.K.: ‘Oh god, I love being white, if you are not white, you are missing out. Let me be clear, I am not saying that white people are better, I am saying that being white is clearly better. No one can hurt my feelings.’

Ja, het is superfijn om een man te zijn. Zo mag ik onbekommerd met gespreide benen zitten en hoef ik me ’s avonds geen zorgen te maken als ik alleen naar huis loop - als heteroseksuele man dan. Tegelijkertijd maken anderen zich mogelijk weer meer zorgen als een space invader die op me lijkt ’s nachts over straat loopt. Mannen en vrouwen.

Als wit ook wit maakt

De golf van witheid overspoelt me niet alleen, hij wast me ook wit. Dat doet het opgroeien in Nederland natuurlijk in constante mate, zoals het afronden van een opleiding, of het werken aan de universiteit dat nog meer doet.

Schouders naar achteren, instrueer ik mezelf. Niet veel later betrap ik me op overdreven articuleren, ik ga netjes praten.

Klasse domineert, zou je denken, maar deze hele affaire laat zien dat klasse en kleur onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Ik probeer zo normaal mogelijk over te komen, en toch verloopt de lezing moeizaam, het is horten en stoten, met veel vragen tussendoor. De boodschap is confronterend, dus moet ik enorm ploeteren.

Als klasse en kleur weer met elkaar verbonden zijn

Op weg naar huis, via trein en tram, voel ik me steeds minder exotisch. In mijn eigen wijk aangekomen, zie ik in de verte mijn Marokkaanse slager zijn koopwaar opruimen.

Oh gentleman,’ groet hij mij enthousiast, luid en lachend, terwijl hij me scant. ‘Zo, zo,’ zegt hij, en lijkt te doelen op mijn kleren.
‘Ja maar jij bent patron,’ antwoord ik, en sla hem op zijn schouder. ‘Deze hele tent is van jou.’
Hij lacht hard. ‘Ik ben elke dag om vijf uur wakker en ga om zeven uur weer naar huis,’ zegt hij, ‘wat patron.’ Hij scheldt me uit in de paar woorden Turks die ik hem heb geleerd.

Ik loop door naar de bakkerij voor een panini tonijn. De broodjes zijn immens populair. ‘Ik kom helemaal uit Oost voor dit broodje,’ zei iemand een keer, terwijl we samen stonden te wachten. Net als nu. Verveeld kijk ik om me heen en luister een gesprek tussen twee jongens af.

‘Alles goed jongen, kifesh?’
‘Goed, goed, dingen met school a mattie. Toetsen.’
‘Fakka, heb je efficiency problems?’
‘Is moeilijk toch, werk, school. Geeft veel stress.’
I feel you bro.’
‘Wat kijk je vriend?’

Ik had het niet door, maar gaandeweg was ik de jongens gaan aangapen. Ik voel me weer een space invader, nu treedt klasse op de voorgrond.

‘Je komt niet van hier, hè,’ zegt de ander.
‘Niet uit Amsterdam, nee. Waarom?’
‘Hoe je bent gekleed. En hoe je praat, je praat te netjes.’
‘Je praat tatta,’ zegt de ander.

Ik moet lachen, de jongens lachen mee, maar ze lachen veel harder, en langer.
Ze betalen hun broodjes, we groeten elkaar, ze verlaten de bakkerij. Ik bekijk de jongens zolang ik kan, totdat de afstand tussen ons te groot wordt.

Dan betaal ik mijn broodje en loop naar huis. Onderweg groeten oudere Marokkaanse mannen me in het Arabisch. As-selamun aleykum, zeggen ze, en brengen hun handen naar hun hart. Ik groet ze terug in het Arabisch, maar met Turks-Nederlandse tongval. Selamünaleyküm, articuleer ik, en doe echt mijn best.

Lees ook:

Nederland is weer rechtser geworden. Het antwoord is aan de jongeren Het populisme is niet gestopt met deze verkiezingsuitslag, het is gemeengoed geworden. Ook heeft links niet gewonnen, het is juist rechts dat aan het langste eind trekt. Mijn hoop is gevestigd op de jongeren. Lees de column hier terug Ja, ik spreek goed Nederlands. Kunnen we het ergens anders over hebben? Ik wilde zeggen: zie de ander niet als een object, maar als een buurman. Maar ik glimlachte, omdat ik gevoelige witte Nederlanders niet voor het hoofd wil stoten. Lees de column hier terug