Het is ongetwijfeld een van de meest obscure landen van Afrika: de Centraal-Afrikaanse Republiek. Buitenlandse journalisten heb je er nauwelijks - net als wegen, ziekenhuizen en internet. Wat je er wel in overvloed hebt, is wetteloosheid en conflict. Al sinds het land in 1960 onafhankelijk werd van Frankrijk, is het van de ene oorlog in de andere gestort. In afgelopen tien jaar waren er maar liefst elf staatsgrepen en muiterijen. En de oorlog die er sinds maart vorig jaar woedt is erger dan ooit: er zijn inmiddels zo’n duizend doden gevallen en een kwart van de bevolking is ontheemd. 

Volgens veel zou het om een conflict tussen christenen en moslims gaan. Er zou een dreigen. Correspondent Tomas Vanheste schreef er afgelopen week ook al over in zijn Frankrijk heeft troepen gestuurd en ook staan klaar om af te reizen naar centraal Afrika.  

Maar kloppen die berichten wel? Wat is er precies aan de hand in het hart van Afrika? Waarom wordt er gevochten? En is er inderdaad sprake van een genocide?

Wat is de Centraal-Afrikaanse Republiek?

De Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) is een straatarm, chronisch instabiel land met 4,6 miljoen inwoners. Hoewel het land rijk is aan grondstoffen - olie, diamanten, goud, uranium - bungelt het in de onderaan, op plaats 180 van de 187 landen. De CAR wordt wel een ‘failed state’ genoemd. De overheid in de zuidelijk gelegen hoofdstad Bangui heeft geen werkende instituties om het gebied - dat ongeveer even groot is als Frankrijk - effectief te besturen. Al jaren zijn er dus verschillende opstanden en rebellengroepen. Meestal komen die uit het noorden van het land: een onbegaanbaar regenwoud, dat nog armer is dan het zuiden. 

Ook rebellen uit het aangrenzende Zuid-Soedan, Tsjaad en de Soedanese regio Darfur begeven zich in de CAR. En het Verzetsleger van de Heer van Joseph Kony, dat oorspronkelijk uit Noord-Oeganda komt, schijnt zich er schuil te houden. De aartsbisschop van de CAR, Dieudonné Nzapalainga, noemde zijn land onlangs in dagblad Trouw ‘de prullenbak van de regio.’

Illustratie: Momkai
Illustratie: Momkai

Van 2003 tot 2013 was François Bozizé de president van de CAR. De voormalige kolonisator Frankrijk hielp hem aan de macht, en verdedigde zijn regime met gevechtsvliegtuigen tegen couppogingen. Maar Bozizé was corrupt. Hij plaatste familieleden (en maîtresses) op belangrijke posities. Hij deed niets om het platteland te ontwikkelen, drukte opstanden daar met harde hand de kop in en was zelf grootaandeelhouder in een diamantbedrijf. 

Toen François Hollande in 2012 aan de macht kwam in Frankrijk, bekoelden de betrekkingen met de CAR. Hollande wilde af van de corrupte banden met francofoon Afrika. Toen begin 2013 een nieuwe opstand tegen Bozizé begon, greep Frankrijk niet in om de president te redden. 

Hoe begon die opstand eigenlijk?

In maart 2013 werd president Bozizé afgezet door een samenwerkingsverband van islamitische rebellen uit het noorden van de CAR. Deze zogenoemde Séléka (Séléka betekent ‘alliantie’) namen diezelfde maand met ogenschijnlijk gemak de hoofdstad Bangui in en installeerden daar hun leider Michel Djotodia als nieuwe president. Djotodia bleek echter in de praktijk nauwelijks grip te hebben op de Séléka-rebellen. NRC Handelsblad omschreef de groepering als ‘een allegaartje van islamitische extremisten, gewone misdadigers, economische gelukzoekers, stropers en gerekruteerde kindsoldaten.’

De plunderende Séléka richten zich vooral op de christelijke meerderheid in het zuiden van de CAR. En zo kreeg het conflict steeds meer een religieus karakter. Om hun dorpen te verdedigen begonnen de christenen zich te organiseren in kleine gevechtseenheden: de zogenoemde Anti-Balaka-strijders. Toen die strijders in december ook de hoofdstad aanvielen om de Séléka te verdrijven, werd een spiraal van wraak en wederwraak tussen moslims en christenen in gang gezet. Burgers sloegen op de vlucht of wapenden zich met geweren en machetes. 

Inmiddels is Séléka verdreven uit de hoofdstad en heeft voorman Djotodia onder regionale druk van onder meer Tsjaad afstand gedaan van het presidentschap. De huidige interim-president Catherine Samba-Panza, voorheen burgemeester van Bangui, wacht de taak om de groepen te verzoenen. 

Het is dus een religieuze oorlog?

Nee, eigenlijk niet. Religie is niet de reden dat er gevochten wordt. Christenen (ongeveer 50 procent van de bevolking) en moslims (een minderheid van zo’n 15 procent) hebben decennia relatief vreedzaam naast elkaar geleefd. Zowel Kerstmis als Ramadan zijn nationale feestdagen. 

Maar er is wel sprake van ongelijkheid tussen de religieuze groepen. Moslims wonen voornamelijk in het armere noorden, dat door de CAR-regering jarenlang is gemarginaliseerd. Ze voelen zich meer verbonden met het naburige (islamitische) Soedan, dan met Bangui. Ze zijn nooit in de hoogste posities vertegenwoordigd geweest in het CAR-bestuur. De Séléka-rebellen misbruiken de onvrede onder de moslims om strijders te rekruteren. Maar hun motief is niet religieus - een islamitische staat vestigen is niet het doel. Ze willen simpelweg zoveel mogelijk plunderen om het plunderen.

De christelijke meerderheid ziet hun land plots bezet door moslims. Maar nog belangrijker: ze zien hun land bezet door buitenlandse moslims. Veel rebellen komen namelijk uit buurland Tsjaad, waar ze zonder succes een coup hebben geprobeerd te plegen. Nu zijn ze naar de CAR getrokken om daar buit te maken. De angst voor buitenlanders is in de CAR misschien nog wel belangrijker dan de angst voor moslims. Er is in het zuiden van de CAR een diepgeworteld gevoel dat hun land wordt uitgebuit door buitenlandse machten. Dat gevoel is niet ongegrond. Naast de voormalige kolonisator hebben zowel Tsjaad als een flinke vinger in de pap in de CAR. Beide landen - die elkaar ervan beschuldigen elkaars rebellengroepen te steunen - willen het land gebruiken als bufferzone. 

De buitenlanders-angst groeide onder de corrupte president Bozizé, die steun kreeg van de Fransen en de Tsjaadse president Laatstgenoemde stuurde (islamitische) soldaten om Bozizé te beschermen. "Moslims" staan voor de christelijke bevolking van de CAR dus gelijk aan "buitenlanders," en dus aan uitbuiting en corruptie. Aan het afnemen van hun rijkdommen. 

Gaat de oorlog dan om grondstoffen?

Deels. Bozizé zou met de Chinezen hebben onderhandeld over het ontginnen van de olievelden in het noorden van de CAR. Dat komt de Fransen slecht uit: zij willen die olie ook hebben. En het komt buurland Tsjaad ook slecht uit: datzelfde olieveld kan namelijk ook vanuit Tsjaad worden ontgonnen. Beide landen hadden dus voordeel bij het vertrek van Bozizé; om de olie veilig te stellen. 

Hoewel de internationale belangen om grondstoffen draaien, vechten de rebellen niet echt om de grondstoffen. Die leveren individuen simpelweg te weinig op. De diamanten in de CAR zijn namelijk van slechte kwaliteit en alleen geschikt voor gebruik in industriële machines. Het goud is alleen te vinden in poedervorm. En het uranium heeft speciale bewerking nodig, die het verkopen alleen winstgevend maakt als er heel hoge prijzen op de wereldmarkt geboden worden. 

Waarom nemen mensen dan wél de wapens op?

Onderzoeker Louisa Lombard stelde die vraag in 2010 aan verschillende rebellengroepen in het noorden van de CAR. Hun antwoorden vielen in drie categorieën. De overheidstroepen van Bozizé hadden hun dorpen aangevallen. De regering van Bozizé had niets voor hen gedaan: ze hadden geen wegen, scholen of ziekenhuizen.

En misschien wel de meestgenoemde reden: ze waren arm. Als ze zich bij de rebellen zouden aansluiten zouden ze in aanmerking komen voor geld van de ontwapeningsprogramma’s van de internationale gemeenschap. Ironisch genoeg leidden die ontwapeningsprogramma’s dus tot meer bewapening. Zoals NRC Handelsblad-redacteur Wim Brummelman schreef: ‘Politieke logica is ver te zoeken in een land waar elk perspectief op goede banen voor jongeren ontbreekt.’ Dit verklaart ook het hoge aantal kindsoldaten in de CAR.

Waarom stuurt Frankrijk zoveel troepen?

In december stemde de VN-Veiligheidsraad unaniem in met een interventie van Franse en Afrikaanse Unie troepen in de CAR. Frankrijk heeft nu zo’n 1.600 soldaten in het land. Ook de EU heeft deze maand troepen toegezegd. 

Voor Frankrijk speelt natuurlijk de historische band met hun voormalige kolonie een rol. Maar vooral economisch is het gebied belangrijk voor de Fransen. Het conflict in de CAR betekent een verdere destabilisering van een toch al fragiele regio (Tsjaad, Kameroen, Congo), waar Frankrijk veel olie en uranium vandaan haalt. 

Ook het ‘Rwanda-trauma’ is belangrijk. Tijdens de genocide die daar plaatsvond in 1994 keek de internationale gemeenschap besluiteloos toe. Bovendien hielpen de Fransen nog lange tijd de Hutu-milities, die uiteindelijk de daders van de genocide bleken. Om een dergelijke fout te voorkomen wil Frankrijk nu daadkrachting optreden. 

Gaat dit een genocide worden?

De parallel met Rwanda is snel getrokken, maar niet accuraat. Hoewel onschuldige burgers op brute wijze vermoord worden, zijn de strijdende partijen lang genoeg om van een ‘systematisch uitmoorden van een bevolkingsgroep’ te kunnen spreken. 

Toch wordt het woord genocide zowel in de door niet geschuwd. Dat lijk vooral effectbejag. Het woord rechtvaardigt het sturen van buitenlandse troepen. Begin november werd binnen de Verenigde Naties voor het eerst van een ‘genocide-in-the-making’ gesproken - door de Fransen. Kort daarna gaf de VN groen licht voor een Frans-Afrikaanse troepenmacht. En halverwege januari duikt het woord weer op in de media - vlak voor de goedkeuring van EU-troepen voor de CAR. 

Hoewel de term ‘genocide’ de aandacht op de CAR heeft gevestigd, is het risico ervan dat het de valse indruk geeft dat het een oorlog is met een ‘goede’ en een ‘slechte’ kant. Terwijl de onlusten in de Centraal-Afrikaanse Republiek - zoals zoveel oorlogen - in feite vele malen chaotischer zijn dan dat. 

  Politieke verandering en sociale media in Centraal Afrika Voor dit artikel werd mij veel informatie verschaft door Catherina Wilson en Mirjam de Bruijn, van het African Studies Centre in Leiden. Zij doen onderzoek, in onder meer de Centraal Afrikaanse Republiek, naar politieke verandering en de rol van sociale media daarin. Lees hier meer over hun onderzoeksproject