Na iedere grote terroristische aanslag zien wij ons op de redactie van De Correspondent geconfronteerd met de vraag: wat te doen? Aanslagen, zeker dicht bij huis, genereren zoveel media-aandacht dat je er haast niet aan ontkomt. Als zelfverklaard medicijn tegen de waan van de dag levert dat een haast onmogelijk dilemma op.

Volledig negeren, zoals we met de meeste dagelijkse actualiteit doen, voelt ongemakkelijk: alsof je de tragiek van tientallen - en indirect duizenden - mensen bagatelliseert of negeert.

Direct context geven, zoals we met veel andere onderwerpen doen, heeft een vergelijkbaar euvel: melden dat het gevaar van aanslagen statistisch verwaarloosbaar is bijvoorbeeld, of dat ons werelddeel relatief weinig last heeft van aanslagen, voelt ongepast als net mensen het leven hebben gelaten.

Dan maar even helemaal geen verhalen publiceren? Dat kan, maar dan wreekt zich algauw het gevaar van etnocentrisme: waarom bij een aanslag dichtbij - Parijs, Brussel, Londen - wel, maar ver van het bed - Bagdad, Ankara, Nairobi - niet?

Meedeinen op de stroom van berichten is tot slot misschien wel de slechtste optie. Dat is immers precies waar aanslagplegers op uit zijn - zo veel mogelijk aandacht. Aanslagen, schreef ik vier jaar geleden al, zijn Zonder media-aandacht zijn ze aan hun belangrijkste doel voorbijgegaan.

Een duivels dilemma, kortom.

De aandachtseconomie die aanslagen hun bestaansrecht verschaft

Dat dilemma hebben wij niet alleen. Of ze willen of niet, alle nieuwsmedia zijn onderdeel van de aandachtseconomie die aanslagen hun bestaansrecht verschaft. ‘Dat is de keiharde waarheid: er is in onze samenlevingen de afgelopen jaren een informatie-infrastructuur ontstaan waarin journalisten en media aangemoedigd en financieel beloond worden om het spelletje van de terroristen te spelen,’ onlangs in NRC Handelsblad.

‘Voor verslaglegging over ‘gewone’ zelfmoorden hebben veel nieuwsmedia richtlijnen, waarom voor zelfmoorden met terroristisch oogmerk niet?’

Afgelopen zaterdag hier op De Correspondent het debat over die media-infrastructuur nog eens aan. Moeten media niet anders gaan berichten over aanslagen, vraagt hij zich af. Voor verslaglegging over ‘gewone’ zelfmoorden hebben veel nieuwsmedia richtlijnen, waarom voor zelfmoorden met terroristisch oogmerk niet? Van Reybrouck doet een aantal bruikbare suggesties, zoals: wees zuinig met extra nieuwsuitzendingen en speciale bijlagen, publiceer geen afscheidsbrieven of -video’s en vooral: vermijd gespeculeer.

Het stuk leverde talloze zeer interessante bijdragen op, waaruit de complexiteit van het dilemma eens te meer duidelijk werd. Terecht bijvoorbeeld op dat nieuwsmedia in een ‘ongemakkelijk verbond’ gevangen zitten met aanslagplegers, maar dat ‘simpelweg stoppen met berichtgeving’ geen soelaas biedt.

Tegelijkertijd zijn redacties zich wel bewust van hun rol als gatekeeper van informatie. ‘Bij NU.nl zijn we gestopt met het maken van een apart bericht wanneer IS een aanslag opeist, zetten we nooit door IS geproduceerde video’s door en zijn we altijd al terughoudend geweest als het gaat om het publiceren van volledige namen,’ hoofdredacteur van de grootste nieuwssite van Nederland. Maar, merkt hij op, ‘de daad ís de propaganda. Je ontkomt er als nieuwsorganisatie helaas niet aan om dit groot te brengen.’

De echoput: nieuws is wat er in het nieuws is

In die formulering - ‘je ontkomt er als nieuwsorganisatie niet aan...’ - schuilt volgens mij een belangrijke kern van de problematiek. Daarmee bedoel ik het volgende.

Als medium opereer je niet in een vacuüm. Je bent onderdeel van een groter geheel - een geheel dat in het dagelijkse taalgebruik vaak ‘de media’ wordt genoemd. En dat geheel fungeert voor een belangrijk deel als echoput: wat het ene medium als nieuwswaardig ziet, bepaalt voor een groot deel hoe belangrijk het door andere media wordt gevonden. Aandacht van het ene medium spoort aan tot aandacht van het andere medium - en andersom. Of simpeler geformuleerd: nieuws is wat in het nieuws is.

Ziedaar de bron van een gevoelde noodzaak iets als nieuwsorganisatie te brengen (‘je ontkomt er niet aan’): die heeft veel te maken met het feit dat journalisten zelf nu eenmaal heel veel (nabije) media consumeren. Strikt genomen voelt NU.nl die noodzaak bij het gros van het nieuws in de wereld niet - wat nu op de voorpagina’s in Zimbabwe of China staat, wordt hier doorgaans niet eens opgemerkt. Maar, als iets groot nieuws is in het ecosysteem van media om ons heen, groeit het gevoel het niet ‘te mogen missen.’ Zo bepalen media elkaars nieuwsagenda.

Tegelijkertijd, en hier zit een belangrijke paradox, opereren nieuwsmedia nog steeds als eilandjes - alsof die andere media niet bestaan. Daardoor hoor je, als nieuwsvolger, hetzelfde nieuws soms wel twintig keer op een dag. Eerst uit een krant, dan op de radio, dan online, dan op het journaal, dan weer in talkshows, enzovoorts en zo verder.

Zestig jaar geleden was hier nog een logica voor. Toen las een doorsnee burger misschien één krant en keek één journaal. Daardoor gold voor ieder medium: als wij iets niet melden, heeft onze lezer/kijker het niet meegekregen. Maar inmiddels geldt deze logica niet meer. In het online tijdperk krijgen burgers talloze bronnen tegelijk binnen.

Toch is de praxis van nieuwsredacties daarin niet meeveranderd. Nog steeds melden de meeste media het meeste nieuws als waren zij de enige nieuwsbron voor hun publiek. Zo ontstaat het gevoel van ‘hype’ of ‘overvloed’ aan de ontvangende kant. Je wordt als nieuwsvolger overspoeld door steeds maar dezelfde berichten uit verschillende bronnen.

Het resultaat is een media-complex waarin de makers elkaar nopen tot het brengen van nieuws uit angst iets te missen, terwijl de ontvangers angstig worden gemaakt, omdat het nieuws nauwelijks nog te missen valt.

Een mediacode kan helpen, maar is niet genoeg

Nergens zie je deze ongezonde dynamiek zo sterk als bij aanslagen. Onmiddellijk versturen persbureaus pushberichten uit, brengen nieuwssites zwart omrande liveblogs, lassen journaals extra uitzendingen in en pakken kranten groot uit op de voorpagina. Aanslagen lijken er haast voor uitgevonden, zo naadloos sluiten ze aan op de mechanismen en reflexen van de moderne nieuwsindustrie. Terroristen zijn, cynisch genoeg, misschien wel de beste pr-strategen van de moderne tijd.

Dat de pr-effectiviteit van aanslagen een gevolg is van de nieuwsindustrie als geheel, maakt het dan ook een welhaast onmogelijk op te lossen probleem. Richtlijnen voor terughoudende berichtgeving, zoals David Van Reybrouck voorstelt in zijn stuk, kunnen zeker behulpzaam zijn - al was het maar om journalisten te laten reflecteren op hun rol en verantwoordelijkheid ten aanzien van een fenomeen dat zo sterk in zijn bestaansrecht leunt op hun aandacht.

Maar met richtlijnen kom je er niet. Niets minder dan een fundamentele transformatie van onze nieuwsvoorziening zou ervoor nodig zijn om het probleem dat terrorisme voor de media vormt het hoofd te bieden. Hoewel ik niet pretendeer het recept voor zo’n transformatie in pacht te hebben, doe ik hierbij enkele suggesties voor verandering.

Drie suggesties voor verandering van de nieuwsindustrie

Ten eerste: Zolang het dominante model (groten)deels advertentiegedreven is, blijft het een wetmatigheid dat media elkaar op sensatie en snelheid beconcurreren. Willen we af van de papegaaierij, het sensationalisme en de haastige berichtgeving, dan zullen betalende abonnees belangrijker moeten worden gemaakt. Immers: als het nieuws zelf (nagenoeg) gratis is, is het jouw aandacht die als product wordt verkocht.

Ten tweede: meer specialisatie in soorten nieuws. Nu geldt: hoe meer media ergens over berichten, hoe nieuwswaardiger het wordt. Dat kan ook worden omgedraaid. Met name traditionele media - tv, radio en kranten - kunnen leren van het internetadagium: Als NU.nl en de NOS zich toeleggen op de onmiddellijke actualiteit, biedt dat ruimte voor kranten en talkshows om zich te richten op iets anders. Hoe meer redacties zich bewust zijn van hun rol in het totale nieuwsaanbod, hoe kleiner de kans op hype of overdaad wordt.

Ten derde: minder concurreren en meer samenwerken. Nu zien nieuwsmedia elkaar vooral als concurrenten die elkaar aftroeven in de strijd om de aandacht van burgers. Het gaat er niet om of jij, de nieuwsvolger, al iets vernomen hebt, het gaat erom dat je het van ons [vul hier het nieuwsmedium in] vernomen hebt. Maar wat heeft de ontvanger daaraan? Zien nieuwsmedia elkaar meer als collega’s met hetzelfde doel - de burger goed en proportioneel informeren -, dan krijgen David Van Reybroucks mediarichtlijnen ook meer kans van slagen. En dan kunnen we er ook een rode draad aan toevoegen:

Als een aanslag gepleegd is, dempe men de echoput.

Schrijf je hier in voor mijn wekelijkse nieuwsbrief! In mijn nieuwsbrief houd ik je op de hoogte van mijn laatste media-analyses en kritische noten over de journalistiek, geef ik je kijkjes achter de schermen bij De Correspondent (zoals onze plannen om The Correspondent op te richten) en tip ik het beste lees-, kijk- en luistervoer dat ik die week ben tegengekomen. Hier kun je je aanmelden voor mijn wekelijkse mail

Meer lezen?

Moeten media anders berichten na aanslagen? Denk en praat mee Aanslagen hebben als doel angst en chaos te zaaien. Media-aandacht is daarin cruciaal. Tijd dus voor een fundamentele discussie over de vraag: wat kunnen media doen om wel te informeren, maar aanslagplegers niet te geven wat ze willen? Lees het verhaal van David hier terug Zo verslaan we Donald Trumps aanval op de democratie Nieuws produceert dagelijkse verontwaardiging, maar zelden duurzaam verzet. Nu Donald Trump een regelrechte aanval op de democratie heeft ingezet, zal de journalistiek fundamenteel anders te werk moeten gaan. Laat journalisten de historici voor zijn en de geschiedenis opschrijven voordat zij zich herhaalt. Lees het verhaal van Rob hier terug