Een patrouille van de 6e Compagnie van Infanterie XV ten westen van Batu-Batu op Sulawesi, waarschijnlijk eind februari 1947. Deze maakt geen deel uit van de in dit verhaal beschreven patrouilles, maar is vergelijkbaar. Foto: Kavelaars (voornaam onbekend)

Dat Nederlandse soldaten talloze Indonesiërs doodden op het eiland In de koloniale tijd heette dit eiland Celebes. is al even bekend. Twee jaar geleden kwam ik Lees hier mijn verhaal van twee jaar terug. er ook achter om hoeveel mensen dat ging: 1.200.

Dat aantal was nooit eerder naar buiten gekomen, terwijl er in het Nationaal Archief talloze documenten worden bewaard over deze executies.

Want dat gebeurde er in 1947: onder leiding van de militairen Jan Vermeulen, Jan Stufkens en Berthold Rijborz werden gedurende vier weken ongewapende mannen standrechtelijk geëxecuteerd. Dit in een poging In 1942 was Japan Indonesië binnengevallen en had het Nederlands-Indisch gezag van de troon gestoten. De Nederlanders verdwenen in kampen en de Japanners gaven tijdens de bezetting het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs een impuls. Op 17 augustus 1945 riep Soekarno de onafhankelijke Republik Indonesia uit, twee dagen na de capitulatie van Japan. Nederland wilde zijn kolonie niet verliezen en erkende de republiek niet. De Nederlandse overheid zond troepen naar Indonesië in een poging de touwtjes weer in handen te krijgen. De militairen, onder wie Vermeulen, Stufkens en Rijborz, probeerden de opstand met grof geweld de kop in te drukken.

Na aanvullend onderzoek op Sulawesi kom ik terug op dat aantal. Ik heb het hier specifiek over de doden die vielen tijdens speciale acties tussen half januari 1947 en half februari 1947 onder leiding van Jan Vermeulen, Jan Stufkens en Berthold Rijborz. Op andere delen van Sulawesi werd door andere militairen huisgehouden. Daar heb ik echter geen onderzoek naar gedaan. Ze executeerden mensen op veel meer plekken dan tot nu toe bekend, waarbij ze nog wreder te werk gingen dan we wisten.

Hoe ik tot dit nieuwe aantal kwam

Toen ik twee jaar geleden publiceerde Lees hier mijn verhaal over de vondst van de dodenlijsten. over de vondst van de dodenlijsten, bleef een reactie niet uit. Liesbeth Zegveld is advocaat van de nabestaanden van de geëxecuteerde mannen die schadevergoeding eisen van de staat. Ze zegt: ‘Door jouw vondst moest de staat van de rechtbank zijn bevindingen uit het eigen archiefonderzoek openbaar maken.’

Al tijdens het archiefonderzoek dat ik destijds deed, vermoedde ik dat er veel meer executies werden voltrokken dan ik kon terugvinden. Van meerdere dagen kon ik op basis van de archieven niet reconstrueren waar de militairen waren en wat ze deden. Daarom besloot ik naar Sulawesi te gaan voor aanvullend onderzoek.

Er vielen volgens ooggetuigen ongeveer 350 doden bij deze eerder onbekende executies

In oktober en november 2016 bezocht ik het deel van het eiland waar Vermeulen, Stufkens en Rijborz Indonesiërs vermoordden. Ik heb alle ooggetuigen afzonderlijk van elkaar gesproken, om te voorkomen dat ze elkaar tijdens het gesprek zouden beïnvloeden. Aan alle mensen heb ik tot in detail gevraagd hoe ver ze van de executies vandaan waren, of ze zaten of stonden, met wie ze op dat moment samen waren. Dit alles om er zeker van te zijn dat ze echt zelf aanwezig waren. De verklaringen van de ooggetuigen op Sulawesi stroken met zestig getuigenverklaringen uit de jaren veertig die in het Nationaal Archief in Den Haag worden bewaard. Kinderen die moesten toekijken toen hun vader of broer werd vermoord, vrouwen die zagen hoe hun man werd doodgeschoten, ik sprak ze allemaal.

Op aanwijzingen van de bevolking vond ik vijf plaatsen waar wel mannen werden geëxecuteerd, maar waarover geen informatie in de archieven te vinden is. Ook vond ik één executieplek op Sulawesi waarover ik later alsnog summiere informatie in het Nationaal Archief heb gevonden. Er vielen volgens ooggetuigen ongeveer 350 doden bij deze eerder onbekende executies. Mogelijk levert meer onderzoek een nog hoger aantal op.

Op 18 augustus verschijnt bij uitgeverij Walburg Pers Lees hier meer over mijn boek Massaexecuties op Sulawesi. Hoe Nederland wegkwam met moord in Indonesië. Massaexecuties op Sulawesi. Hoe Nederland wegkwam met moord in Indonesië, het boek dat ik na mijn bezoek aan Sulawesi schreef over de daden van Vermeulen, Stufkens en Rijborz. Vandaag wil ik alvast een hoofdstuk met jullie delen over de executie van ruim tweehonderd mannen in het koninkrijk Suppa, een van de vele plekken waar de Nederlanders tekeergingen.

Hoe de massamoord in zijn werk ging

Net als veel ouderen in Indonesië weet Abdul Rahman niet wat zijn leeftijd is. Waarschijnlijk is hij ongeveer tussen de 75 en 85 jaar oud. hoort slecht en is blind. Hij zit op de vloer, familie en andere belangstellenden luisteren mee. Zijn vrouw, ook blind, zit een paar meter verderop op een matras. Abdul Rahman woont in het dorpje Parenki, dat in het koninkrijk Suppa ligt.

Als kind was hij getuige van de massaexecuties. ‘De Nederlandse soldaten verbrandden eerst alle huizen in Parenki,’ roept hij. ‘Alle dorpen vanaf Udjung Lero werden daarna verbrand. Dat is iets wat ik nu nog steeds kan zien, ook al ben ik blind.’

Wanneer alle huizen in brand staan, worden de dorpsbewoners afgevoerd. Abdul Rahman gaat met zijn oom en diens zoon mee. Hij woont bij hen in huis, omdat hij geen ouders meer heeft.
‘Het was ongeveer twee uur ’s middags toen we op de executieplaats aankwamen. De vrouwen moesten apart gaan zitten. Ik was nog een kind en ik liep wat rond. De mannen werden per dorp bij elkaar gezet, in rijen van vijf mensen naast elkaar.’

Abdul Rahman ziet hoe de mensen uit het dorp Sabamparu rij na rij worden doodgeschoten. ‘De lichamen werden weggebracht door anderen uit het dorp, die werden aangewezen door de soldaten. Daarna schoot een soldaat de tweede rij van vijf mannen dood. En zo ging het verder. Ze werden doodgeschoten met een pistool, recht door het hoofd, terwijl ze op de grond zaten.’

Niet alleen de mannen uit Sabamparu, ook de mannen uit Parenki en Barakasanda Die dag worden in totaal ruim 200 mannen doodgeschoten door de Nederlandse soldaten in het koninkrijk Suppa. De drie dorpen Sabamparu, Parenki en Barakasanda maken daar maar een klein deel van uit. Hoeveel mannen er uit die drie dorpen worden doodgeschoten, weet Abdul Rahman niet. Hij herinnert zich alleen dat er acht mannen waren die het overleefden. ‘Uit die drie dorpen bleven slechts acht oude mannen in leven.’

Volgens Rahman gaat de executie door tot het avond is, daarna mogen de overlevenden naar huis. ‘In Parenki hebben de soldaten enkel Bijna overal laten de Nederlanders de moskeeën met rust. Ik heb geen verklaring in de archieven kunnen vinden waarom, maar ik heb wel een vermoeden. De militairen wilden de bevolking weer op de hand van de Nederlanders krijgen. Ze wilden de ‘kwaadwillenden’ bestraffen, maar de bevolking niet in haar religie raken. Dat zou namelijk averechts werken. dus daar sliepen we. Er was verder niets meer. Geen eten, want alles was verbrand. Ook de bananenbomen waren verbrand en de kokosnoten waren allemaal uit de bomen gevallen vanwege de hitte van het vuur. Er was alleen nog maïs op het veld, dus aten we dat.’

Na moord en brand komt de hongersnood

Abdul Rahman vertelde mij over de branden en massamoorden in drie dorpen, La Subuh en Abdul Majid vertellen wat er gebeurde in het verderop gelegen dorp Garessi. Abdul Majid was destijds een jaar of zeventien, schat hij. La Subuh was jonger, een jaar of tien.

Abdul Majid zat bij het verzet. ‘Ik liep patrouille en controleerde de plaatsen waar de Regelmatig meerden er bootjes vanuit Java aan met mannen die het verzet op Sulawesi kwamen versterken. En ik had de leiding over de kinderen die in de gaten hielden of er Nederlandse soldaten aankwamen.’

De tegenstand is dan ook groot, wanneer de Nederlandse soldaten op 28 januari 1947 naar Garessi komen om de mensen te verzamelen voor de executie. ‘Het ergste in de kampong Garessi,’ verklaart de Nederlandse militair Vermeulen later, ‘waar een groep van twaalf man van ons werd aangevallen door een grote bende; deze mensen waren gedeeltelijk bewapend, enkelen met vuurwapens, velen met steekwapens.’ Het is een zwaar gevecht, waarbij de soldaten verschillende aanvallers doden.

Op dat moment is Abdul Majid niet in Garessi, de jongere La Subuh wel. ‘De vrouwen en kinderen bleven in het dorp achter, alleen de mannen moesten meekomen.’ Ook La Subuh blijft bij zijn moeder in het dorp, hij is nog jong. ‘De mannen waren al weg toen de militairen de huizen in brand staken. Ze gebruikten bladeren van de kokosbomen. De oude huizen hadden daken van bladeren en muren van bamboe, waardoor het gemakkelijk was om ze in brand te steken. We konden niets redden uit de huizen, want de soldaten hadden ons al bij elkaar gezet.’

Heel Garessi gaat in vlammen op, vertelt La Subuh verder. Bijna overal laten de Nederlanders de moskeeën met rust. Ik heb geen verklaring in de archieven kunnen vinden waarom, maar ik heb wel een vermoeden. De militairen wilden de bevolking weer op de hand van de Nederlanders krijgen. Ze wilden de ‘kwaadwillenden’ bestraffen, maar de bevolking niet in haar religie raken. Dat zou namelijk averechts werken. ‘We sliepen daarna onder de bomen. We aten alleen fruit zoals bananen en kokosnoten. En er was cassave. We hadden geen rijst. Alles was verbrand, ook de rijstopslag. In mijn huis was ook Pas geoogste rijst met het kaf er nog omheen. die wel een week bleef smeulen.’

‘Het was een heel moeilijke tijd,’ vervolgt hij. ‘Je wilde eten, maar er was geen rijst. Je wilde slapen, maar er was geen huis. Het was regentijd. Kinderen gingen dood, ze waren te jong en niet opgewassen tegen de omstandigheden. Ik denk dat ongeveer tien kinderen van mijn dorp stierven. Het ging om kleine kinderen van een jaar of twee. We kregen geen hulp. Niet van de Nederlanders, niet van andere dorpen. Andere dorpen waren ook verbrand. Alles was vies, onze kleren, wijzelf, alles om ons heen.’

Een week na de executie komt Abdul Majid terug in Garessi. ‘Sommige huizen smeulden toen nog vanwege de padie,’ herinnert hij zich. ‘Een van mijn jongere zusjes is doodgegaan. Ze was een jaar oud. Toen ik terugkwam, werd ze ziek. Een dag of drie later stierf ze. Ze ging dood omdat er geen eten was.’

Het bleef op Sulawesi dus niet bij branden en moorden, er volgde ook een hongersnood die talloze levens eiste.

Wat moeten we nu met deze nieuwe informatie?

Dit zijn slechts drie van de negentig mensen die ik sprak over de massamoorden op Sulawesi. Daar kwam ik erachter dat er dus niet 1.200, maar minstens 1.550 mensen overleden door Nederlands toedoen.

Wat zijn de consequenties van deze vondst? ‘Als klopt wat u is verteld, bevestigt dit nog eens dat archieven niet voldoende zijn om te bekijken wat er destijds is gebeurd,’ reageert historicus en hoogleraar Gert Oostindie op mijn onderzoek. ‘En het bevestigt de vrees dat naarmate je meer gericht gaat zoeken naar massageweld, je meer tegenkomt.’

Oostindie is als directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) betrokken bij een door de overheid gefinancierd Het kabinet maakte in december 2016 bekend dat er financiën worden vrijgemaakt voor een onderzoek onder leiding van het KITLV, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het Instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies (NIOD) naar de dekolonisatie van Nederlands-Indië. Deze beslissing viel nadat Rémy Limpach een zeer geruchtmakend historisch onderzoek publiceerde naar deze periode. In zijn boek De brandende kampongs van Generaal Spoor komt hij tot de conclusie dat Nederlandse militairen op grote schaal extreem geweld gebruikten tegen Indonesiërs. Met Indonesische historici wordt het geweld in een aantal regio’s onderzocht. Niet alleen op basis van archieven, maar ook op basis van ooggetuigen of nabestaanden. Oostindie: ‘Zuid-Sulawesi is een van de regio’s die we willen bezoeken. De resultaten van uw onderzoek zullen we daar uiteraard ook bij betrekken.’

Voor de rechtszaken die nu nog spelen tussen nabestaanden van doodgeschoten mannen op Sulawesi en de Nederlandse Staat kan mijn nieuwe onderzoek ook van belang zijn, zegt advocaat Zegveld. ‘Wat uit jouw boek blijkt, is dat je de feiten van de mensen ter plekke moet hebben. Je krijgt het verhaal niet boven tafel door data uit het archief te vergelijken met monumenten in Indonesië.’

Ook het ministerie van Buitenlandse Zaken is om een reactie gevraagd op mijn bevindingen. De persvoorlichter gaat niet in op mijn onderzoek op Sulawesi en verwijst naar Lees hier het eerste persbericht, over de steun van het grootschalige onderzoek. twee Lees hier het tweede persbericht, over de duur van het grootschalige onderzoek. persberichten van de afgelopen maanden. In deze berichten maakt het ministerie bekend dat het Namelijk het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie. een grootschalig onderzoek laat uitvoeren naar de dekolonisatie en dat de overheid dit onderzoek financieel steunt met 4,1 miljoen euro. Het onderzoek zal vier jaar duren.

Meer weten?

Massaexecuties op Sulawesi. Hoe Nederland wegkwam met moord in Indonesië In dit boek reconstrueer ik de periode waarin Nederlandse militairen 1.500 Indonesiërs doodden. Aan de hand van interviews met overlevenden op Sulawesi laat ikzien wat zich daar in die vier weken afspeelde. Het relaas van deze mensen wordt ondersteund door documenten uit Nederlandse archieven. Lees hier meer over het boek Hoe Libris-winnaar Alfred Birney ons de ogen opent voor een weggestopte koloniale oorlog Met een wreed verhaal verpakt in wonderschone zinnen won Alfred Birney deze week de Libris Literatuur Prijs voor zijn roman De tolk van Java. Die overwinning staat niet op zichzelf. Langzaam lijkt de aandacht voor ons diep weggestopte koloniale verleden in Indonesië toe te nemen. Lees het verhaal van Ronald Nijboer hier terug