Foto: Popperfoto / Getty

In het nieuwe regeerakkoord schrijft de coalitie:

‘Politiek moet gaan over Nederland én Nederlanders, minder over cijfers en Den Haag. Dat is wat mensen vragen. En dat is ook het uitgangspunt van dit regeerakkoord. Hier vind je het regeerakkoord. Nederland moet niet alleen vooruitgaan in de statistieken, Nederlanders moeten dat ook zelf ervaren.’

Zo klinkt dat nog vrij abstract, en alsof je mensen naar de mond praat. Maar duik eens in de statistieken zelf, bijvoorbeeld inflatiereeksen. Dan zie je hoeveel aanleiding er is voor een politiek die minder gehecht is aan cijfers.

De tegenstrijdige functie van statistieken

Economische statistieken hebben in ons leven en onze maatschappij namelijk een tegenstrijdige functie.

Aan de ene kant vormen ze de basisgegevens voor beslissers, van regeringsfunctionarissen en CEO’s tot gewone burgers zoals jij en ik, wanneer we bijvoorbeeld proberen te beoordelen hoe de economie ervoor staat. Aan de andere kant, juist omdat deze statistieken zo belangrijk zijn, wordt het tricky als ze niet weergeven wat jij en ik willen weten.

Neem bijvoorbeeld het bruto binnenlands product (bbp), de standaardmaat voor de omvang van onze economie. Het bbp negeert waardevolle zaken zoals een gezond milieu of huishoudelijk werk. Daarom gaat het volgens critici helemaal verkeerd als je het bbp gebruikt als een soort graadmeter van het succes van een samenleving.

Het bbp negeert waardevolle zaken zoals een gezond milieu of huishoudelijk werk

Die kritiek is op zich terecht. Maar statistici hebben een minstens net zo redelijk tegenargument: het bbp is namelijk nooit bedacht als een maatstaf voor welzijn. Als opportunistische politici, luie journalisten of onwetende burgers het wél op deze manier gebruiken, is dat niet de schuld van de statistici. Het bbp meet de grootte van de geldeconomie, niks meer en niks minder.

In het geval van bbp kunnen we dat in principe eenvoudig oplossen: als een maatstaf niet weergeeft wat we willen weten, bedenken we gewoon een andere, die dat wel doet.

Maar de problemen met economische statistiek reiken veel verder dan de steeds terugkerende bbp-discussie.

Het prangendste probleem: cijfers meten niet wat ze moeten meten

Ook na de presentatie van het regeerakkoord zie je ze weer voorbijkomen: Het Parool: ‘Zoveel ga jij er op vooruit.’ cijfers over De Telegraaf: ‘We krijgen er 1,1 procent bij.’ koopkracht, FD: ‘Rutte III gaat voor binnenlands gedreven groei.’ inflatie De Volkskrant: Rutte III, een kabinet voor werkend Nederland (Strekking: pensioen wordt de komende jaren niet of nauwelijks verhoogd, terwijl de inflatie wel oploopt). en Reformatorisch Dagblad: ‘Eenverdiener op modaal ziet koopkracht fors stijgen.’ modale inkomens. De problemen die achter deze cijfers zitten, doen niet onder voor de valkuilen van het bbp.

Veel onbekender, maar des te verraderlijker, is dat zulke maatstaven namelijk vaak missen wat ze eigenlijk zouden moeten meten.

Oftewel: ons vermogen om economische concepten precies in cijfers te vatten is inherent beperkt. Voor de duidelijkheid: ik beweer niet dat statistici slordig zijn, dat ze geen oog hebben voor metingsproblemen of de boel manipuleren. Althans, ik ben het in al mijn onderzoek niet tegengekomen. Maar ondanks hun schijnbare objectiviteit zijn economische cijfers veel minder hard dan we gewoonlijk aannemen.

Neem het inflatiecijfer, een van de meest fundamentele economische kengetallen. In beginsel is het een duidelijk concept. Inflatie meet hoeveel het prijsniveau in een economie van jaar tot jaar verandert of, preciezer uitgedrukt, hoe de koopkracht van geld in de loop van de tijd afneemt.

Ik heb bijvoorbeeld nog een Asterix en Obelix die mijn vader in de jaren zestig heeft gekocht. De prijs staat op de kaft: 2,80 Duitse mark, ongeveer 1,43 euro. Als je hetzelfde stripboek tegenwoordig koopt, betaal je er 12 euro voor, meer dan acht keer zoveel.

Dit soort prijsveranderingen doet ertoe. Als je geld op een bankrekening hebt, kun je daar in de loop van de tijd steeds minder voor kopen. Geen wonder dat burgers niet weg zijn van overheidsbeleid dat de inflatie hoog doet oplopen.

Maar hoeveel inflatie is er nou echt? Om te laten zien hoe problematisch het antwoord daarop is, gebruik ik graag een Amerikaans voorbeeld, omdat daar meerdere officiële cijferreeksen voor inflatie bestaan. (Dezelfde problemen als in het Amerikaanse geval spelen ook in Nederland, alleen kunnen we die niet direct voorrekenen, omdat wij van de alternatieve rekenmethodes maar een in de praktijk brengen.)

Maar hoeveel inflatie is er nou echt? Het antwoord op die vraag is politiek dynamiet

Laten we aannemen dat een doorsnee Amerikaanse burger in de jaren vijftig 10.000 dollar per jaar verdiende en dat het gemiddelde inkomen tegenwoordig rond de 30.000 dollar is. Verdienen Amerikanen nu dan gemiddeld meer of minder dan in de jaren vijftig?

Het antwoord op die vraag is politiek dynamiet. Veel van de woede onder het volk jegens elites – waardoor ook Donald Trump aan de macht is gekomen – vindt zijn oorsprong in het gevoel dat terwijl de rijken steeds rijker worden, veel mensen zelf geen verbetering zien. Het antwoord hangt helemaal af van de Dat is de maatstaf waarmee je het nominale loon – het bedrag dat vermeld wordt op het loonstrookje – omrekent naar het huidige prijsniveau. die je gebruikt.

Neem een specifiek geval, jonge mannen tussen 25 en 34, voor wie wij die data hebben. Als je hun doorsneesalaris uit 1959 met de Consumer Price Index for Urban Consumers (CPI-U). vertaalt naar het equivalent van vandaag, kom je uit bij 38.700 dollar. Het actuele doorsneesalaris van diezelfde groep is maar 37.200 dollar, dus werkende jonge mannen zijn erop achteruitgegaan.

Maar vertaal je hetzelfde salaris van 1959 met De Personal Consumption Expenditures price index (PCE) van het US Bureau of Economic Analysis. naar vandaag, dan is zijn actuele waarde nog maar 30.100 dollar. Daarmee vergeleken is een huidig jaarsalaris van 37.200 dollar juist een grote verbetering.

Beide bedragen zijn gebaseerd op officiële Amerikaanse cijferreeksen. Toch verschillen ze ongeveer 25 procent, en is er, ondanks alle wondermiddelen waar de statistiek tegenwoordig gebruik van kan maken, nog altijd geen eenduidig antwoord op de vraag of het reële loon is gestegen of gedaald.

Waarom is het zo lastig om inflatie te meten? Vier redenen.

1. Geleidelijke veranderingen in wat we kopen

Hoe we inflatie meten is niet alleen van belang voor wetenschappers of politici die hun economische stokpaardjes willen onderbouwen. Vaak heeft inflatie rechtstreekse gevolgen voor je portemonnee.

In veel hoeken van de wereld worden vaste inkomens min of meer automatisch gecorrigeerd voor officiële inflatiecijfers – denk bijvoorbeeld aan pensioenen, werkloosheidsuitkeringen en vaak ook lonen. Om de juiste correcties te vinden, moeten we inflatie nauwkeurig meten en bepalen hoeveel duurder ons leven van jaar tot jaar is geworden.

Het hele cijferwerk over hoe het gaat met de ‘gemiddelde Nederlander’ - denk aan de reacties op het regeerakkoord - en of die er met nieuw beleid op vooruitgaat of achteruit, hangt aan inflatiemeting.

Het eerste probleem waar we tegenaan lopen, is dat waar we ons geld aan uitgeven in de loop van de tijd verandert. Veertig jaar geleden kochten we geen computers, mobiele telefoons of cd’s. Een manier van inflatie meten is het bijhouden van de prijs van een standaardboodschappenmandje. Maar welke moeten we gebruiken, het mandje van destijds of dat van nu, waar allerlei dingen in zitten die in 1970 niet eens bestonden?

Statistici debatteren al geruime tijd over de verschillende wiskundige correcties voor dit probleem, en hebben een soort consensus bereikt over de beste manier om ermee om te gaan. Maar afhankelijk van de keuzes die je maakt, zal je inflatiethermometer een hogere of lagere prijsstijging laten zien, met een grotere of juist kleinere verhoging van de lonen of pensioenen tot gevolg.

In de VS liggen politici al twintig jaar met elkaar overhoop over de vraag met wat voor inflatiecijfer sociale uitkeringen moeten worden gecorrigeerd – en de strijd blijft tot op heden onbeslist.

2. Kwaliteitsveranderingen van gadgets...

Maar er is een nog neteliger en fundamenteler probleem, waar eigenlijk nog helemaal geen oplossing voor is. Niet alleen komen er nieuwe producten in ons boodschappenmandje, de kwaliteit van wat er al in lag verandert ook. Waarom is dat een probleem?

Neem de verschillende generaties iPhones sinds de eerste iPhone ongeveer tien jaar geleden op de markt kwam. Als je alleen naar de prijs kijkt, is er weinig verschil tussen een actuele iPhone 8 en de allereerste: de prijs was en is pakweg 700 euro.

Maar de kwaliteit ervan is enorm veranderd: meer geheugen, betere camera, scherper beeld. Dus je krijgt meer iPhone voor dezelfde prijs. Of, andersom geformuleerd, je betaalt minder voor dezelfde hoeveelheid iPhone-prestatie. Dus als we rekening houden met de verbeterde kwaliteit zijn ze wel degelijk goedkoper geworden, behoorlijk zelfs. En de dalende prijzen van iPhones en andere elektronische apparaten hebben het algehele inflatiecijfer gedrukt.

Als consument zou je daar nog best anders over kunnen denken. Je betaalt immers nog steeds 700 euro voor een up-to-date apparaat, net zoals tien jaar geleden. En het is goed mogelijk dat veel mensen hun huidige telefoon ongeveer op dezelfde manier gebruiken als de eerste versie die destijds in de winkel lag – bellen, berichten sturen, e-mail, nieuws, een beetje Google Maps.

Maar je kunt de redenering ook omdraaien. Een nieuwe smartphone is niet alleen een telefoon, maar ook een navigatiesysteem, een mp3-speler, een videocamera, een afstandsbediening voor je centrale verwarming, en nog veel meer. Moeten we de prijs van een nieuwe smartphone dan niet vergelijken met wat al die andere apparaten afzonderlijk kostten?

Als je het zo bekijkt, hebben smartphones ons leven ontzettend veel goedkoper gemaakt, omdat je met een smartphone al die verschillende gadgets ineen hebt. Op wat voor manier moeten smartphones – en veel andere elektronische apparaten – in onze inflatiecijfers tot uiting komen? Het is maar hoe je ernaar kijkt.

Met iPhones is het tenminste duidelijk dat veranderingen in kwaliteit een lastig probleem vormen voor statistici die zich met prijzen bezighouden. Maar als je verder kijkt, kom je overal in de economie zulke kwesties tegen.

3. …en in de rest van ons boodschappenmandje

Toen ik twintig jaar geleden naar Berlijn verhuisde om te gaan studeren, dook ik enthousiast in de toen opkomende cultuur van de koffiehuizen. Italiaanse koffie was nog een zeldzaamheid, en de kwaliteit van de gemiddelde kop koffie was op z’n hoogst middelmatig te noemen.

Anno 2017 is er op elke straathoek wel een hippe koffiebar te vinden. Zelfs bij politicologieafdelingen, van oudsher bastions van bittere filterkoffie, vind je tegenwoordig versgemalen koffie. Kortom, over het algemeen is koffie tussen 1997 en 2017 beter geworden.

Maar niet alleen beter, ook duurder. Ik leg zonder mokken 3 euro neer voor een hippe americano of flat white, een prijs die niet lang geleden nog bespottelijk was voor koffie in een kartonnen beker.

In hoeverre is de koffie beter geworden, en in hoeverre gewoon duurder?

En daarmee rijst voor de prijsstatisticus de vraag: in hoeverre is de koffie beter geworden, en in hoeverre gewoon duurder? Het hangt van je antwoord af of hazelnut latte macchiato’s van 3,50 de inflatie omhoog hebben gestuwd of niet.

Op het eerste gezicht lijkt het koffievoorbeeld misschien triviaal, en op zichzelf bekeken is het dat ook. Je moet zwaar cafeïneverslaafd zijn, willen cappuccinoprijzen een groot verschil in je uitgaven maken. Maar dit staat niet op zichzelf. Zijn hippe designerjeans van 280 euro beter dan een goeie ouwe Levi’s 501, of alleen maar duurder? En precies hoeveel beter is de nieuwste Volkswagen Golf dan het model dat tien jaar geleden in de showroom stond?

Er kan ook sprake zijn van verborgen inflatie als de prijzen gelijk blijven of zelfs dalen, maar de kwaliteit wel afneemt. Veel keukenapparaten, zoals vaatwassers, gaan tegenwoordig minder lang mee dan twintig jaar geleden, en moeten dus vaker vervangen worden. Feitelijk is dit inflatie, ook al is de winkelprijs van een vaatwasser hetzelfde gebleven en heeft hij de eerste één of twee jaar zonder problemen gefunctioneerd.

En als je online een camera koopt, is die dan echt goedkoper dan in de winkel? Of koop je eigenlijk een slechter product omdat je online geen persoonlijk advies krijgt en je de camera niet in je eigen hand kunt houden voordat je op de koopknop klikt?

Dit geldt in nog sterkere mate voor diensten: de kapper, gezondheidszorg, of advies van je bank. Hoe kunnen we in cijfers uitdrukken hoe de kwaliteit daarvan in de loop van de tijd veranderd is?

Achter ieder inflatiecijfer gaan, al of niet expliciet, allerlei aannames schuil over hoe de kwaliteit van elk artikel in je boodschappenmandje is veranderd. Breng je daar helemaal geen correcties voor aan, dan ga je er in feite van uit dat de kwaliteit niet verandert – terwijl we weten dat dat voor veel artikelen die we consumeren toch echt het geval is.

Dit probleem valt niet te omzeilen. Statistici breken zich het hoofd om kwaliteitsveranderingen in cijfers te vangen, maar vaak kunnen ze niet veel anders dan nogal arbitraire methoden toepassen. En niet alleen dat: bij veel producten is de beleving van veranderde kwaliteit ook nog eens heel subjectief: lekkerdere koffie, hippere spijkerbroeken, meer rijcomfort – iedereen ervaart dit soort dingen op zijn eigen manier.

Terwijl het leven volgens jou steeds duurder wordt, wordt het voor mij misschien steeds beter. Geen van ons beiden heeft daarbij 100 procent gelijk, en een objectieve maat voor kwaliteitsverandering zal er nooit komen. Dus zelfs als we elke dag precies dezelfde dingen kochten, dan nog zou jouw inflatie anders zijn dan de mijne.

4. De maatschappij verandert

Alsof dat nog niet genoeg is, zit er in inflatiecijfers een complicatie ingebakken die nog verdergaande gevolgen heeft. Voor de meeste mensen is het inflatiepercentage het antwoord op de vraag: hoeveel duurder is het voor mij geworden om mijn levensstandaard op peil te houden? Hoeveel kost het mij dit jaar meer om het even goed te hebben als vorig jaar?

Maatschappelijke veranderingen hebben daar invloed op. Stel dat de misdaad bij jou in de buurt is toegenomen: om even goed als vroeger tegen inbrekers beveiligd te zijn, moet je een duurder slot op je deur zetten. Een statisticus zal dat niet zien als een vorm van inflatie: je hebt gewoon een beter product gekocht. Maar toch heb je meer betaald om voor hetzelfde niveau van veiligheid. Andersom gezegd: inflatie kan ook zijn dat je aan hetzelfde slot in de loop der tijd steeds minder hebt – een soort kwaliteitsverandering door de achterdeur. Dan wordt je leven misschien niet direct duurder, maar ga je er toch op achteruit.

Of stel dat je steeds meer onderwijs – betere en hogere opleidingen – nodig hebt om na je afstuderen een bepaald niveau van inkomen en arbeidszekerheid te bereiken. Je krijgt dan wel meer onderwijs en je leert meer, maar je moet door maatschappelijke veranderingen wel steeds meer investeren om hetzelfde resultaat te behalen. Het onderwijspakket dat nodig is om een specifieke status te bereiken is duurder geworden, ongeacht hoe hoog het collegegeld door de jaren heen was.

En wat betekent dat?

Wat betekent dit allemaal? Dat inflatiecijfers onbetrouwbaar of zelfs complete onzin zijn? Nee. Niets van wat ik heb gezien in mijn onderzoek van officiële statistieken gaf aanleiding te denken dat de cijfers bewust worden gemanipuleerd. Statistici streven ernaar eenduidige, eerlijke cijfers samen te stellen. En ze houden behoorlijk goed bij wat er in de loop der tijd met de prijs voor dat gemiddelde boodschappenmandje is gebeurd.

Maar het doorrekenen van veranderingen in de kwaliteit van wat er in dat boodschappenmandje zit, gaat ze een stuk slechter af. Inflatiecijfers zeggen gewoonweg niet zoveel over of ons leven beter wordt of niet. En ze zeggen helemaal niets als we ons afvragen of de inhoud van dat mandje, omdat de maatschappij nou eenmaal verandert, nog net zo nuttig is als een paar decennia geleden.

Wat betekent dat voor ons? Het goede nieuws is dat we ons geen zorgen hoeven te maken om manipulatie. Het slechte nieuws is dat de cijfers mogelijk slechts van beperkt nut zijn in de bredere discussie over onze levensstandaard en wat ervoor nodig is om deze stabiel te houden. Cijfers die de overheid bekendmaakt over ‘hoe de huishoudens ervoor staan’ vertellen gewoon niet het hele verhaal.

We zullen zien of het kabinet inderdaad volwassener zal omgaan met economische statistieken, zoals het regeerakoord belooft, of dat een politiek voorbij de spreadsheet toch een lege belofte blijft.

Dit artikel is een voor De Correspondent bewerkte versie van mijn Hier vind je mijn oratie. oratie.

Meer lezen?

Mijn TEDx-talk: Zo verdedig je jezelf tegen cijfergeweld in het nieuws Wat doe je als je een peiling in het wild tegenkomt? Hoe zet je een grafiek op haar plek? En hoe zorg je ervoor dat je niet verdrinkt in de eindeloze stroom dieetadviezen? Daar sprak ik onlangs over bij TEDxMaastricht. Kijk Sannes TEDx-talk hier terug Cijfers. De getallen die onze wereld dicteren Tijd dus, om dat statistische schouwspel te fileren. Waar moet je op letten als je een cijfer tegenkomt? Hoe herken je misleiding? Wie meet en wie beslist? Lees het thema hier