Amerikanen lopen niet
5. Storm op de Missouri
SoundCloud

Al na een paar uur begint de rivier slaapliedjes te neuriën. Ik hoor ze als ik mijn peddel even stilhoud: ‘Sluit je ogen maar,’ lispelt de Missouri, ‘zie je wel, het is niet gevaarlijk, drijf maar mee, kalm als een ontwortelde boom…’

We gaan ontdekkingsreizigertje spelen, Austin en ik. Voor tweehonderd dollar hebben we een gebutste aluminium kano gekocht: vijf meter lang, met een plaatje van een grizzlybeer op de boeg. We hebben het vaartuig gevuld met blikken Budweiser, twee tentjes en navigatiekaarten van het Army Corps of Engineers. Austin draagt een leren cowboyhoed.

Vanochtend, toen we hem zwaarbeladen te water lieten, waren we nerveus. Op een kleine proefvaart in een kreek na, hebben we niet eerder in het vaartuig gezeten. De man die ons de boot verkocht, schudde zijn hoofd toen we vertelden wat we ermee van plan waren.

Voor vertrek had ik gelezen over boomwortels die je onder water kunnen duwen. En over vliegende karpers: vissen zo zwaar als aardappelzakken. Als je ze laat schrikken springen ze uit het water op. Ze kunnen een volwassen man uit zijn boot slaan. En ik had gelezen over de beruchte ‘Chain of Rocks’, een waterval vlak voor St. Louis, ons einddoel.

Een paar weken geleden besloot mijn vrouw haar baan aan de universiteit op te zeggen. Tijdens haar zwangerschapsverlof had zich namelijk een conflict aangediend met haar leidinggevende: die had haar onderzoeksdata gebruikt zonder haar naam te noemen. Toen mijn vrouw daar wat van zei, waren de poppen aan het dansen. Zonder vaste aanstelling had ze weinig poten om op te staan.

Het betekent dat, na bijna twee jaar, ons visum stopt. En dat we daarna nog maar een maand hebben om onze auto te verkopen, de biezen te pakken en het land te verlaten: de grace period.

Vaarwel, Amerika

Het komt veel te vroeg, voor ons beiden. We hebben het hier inmiddels enorm naar onze zin gekregen, we hebben net wortel geschoten. Haar onderzoek lag net op stoom, ik hoopte nog zoveel ‘wereldsteden’ te bezoeken. En we hebben een zoontje van een paar maanden, die Austin steeds ‘little Americano’ noemt. Maar het is niet anders. In elk geval wil ik dit land nog een laatste keer aan me voorbij zien trekken: een melancholische float trip.

Dus zijn Austin en ik in zijn nieuwe pick-up naar het stadje New Haven gereden, de kano achter in de bak, met een vlaggetje aan de punt. Mijn vrouw reed de auto terug. Vanochtend, na een nacht in onze tentjes, hebben we de kano het water in geduwd.

Ik wil dit land nog een laatste keer aan me voorbij zien trekken: een melancholische float trip

Het was vloed, de strekdammen waren kopje-onder, ze waren alleen te zien aan de draaikolken erboven. Boomstammen dreven voorbij met de snelheid van fietsers. We sprongen in de kano op hoop van zegen, als beginnende bobsleeërs, en begonnen als bezetenen te peddelen naar het midden van de stroom.

Nu we daar eenmaal zijn, overvalt ons de rust. De rivier voelt aan als een meer. Als alles om je heen dezelfde snelheid heeft als jij, merk je niet hoe hard je gaat. We hoeven nauwelijks iets te doen, behalve soms wat bijsturen. ‘De rivier sust ons in slaap’, mompel ik, terwijl New Haven met ruim tien kilometer per uur uit zicht verdwijnt.

In de voetsporen van twee pioniers

De Missouri is de langste rivier van het land. Ze ontspringt in de Rocky Mountains en stroomt dan bijna vierduizend kilometer lang door tot St. Louis, waar ze om de stad heen buigt en dan samenvloeit met de Mississippi. Austin en ik willen de laatste honderd kilometer van de rivier afzakken: van New Haven tot aan St. Louis, in een dag of vijf.

Meer dan tweehonderd jaar geleden voeren twee mythische Amerikaanse ontdekkingsreizigers ook over deze rivier: Meriwether Lewis en William Clark. Hun Corps of Discovery Expedition staat bekend als de eerste Amerikaanse expeditie naar het westen.

Lewis en Clark vertrokken in mei 1804 vanuit St. Louis. Ze peddelden precies de andere kant op, tegen de stroom in, naar terra incognita, met een grote roeiboot en een leger van dertig man. Net een jaar eerder, in 1803, hadden de nog jonge Verenigde Staten voor vijftien miljoen dollar die enorme lap grond van de Fransen gekocht: bijna alles ten westen van de Mississippi, tot aan de Rocky Mountains.

Dat nieuwe land moest verkend worden, zodat het kon worden geëxploiteerd. Het duo kreeg een specifieke opdracht mee van president Thomas Jefferson: een waterweg te vinden naar de oceaan, een gedroomde, nieuwe handelsroute. ‘The Corps of Discovery Expedition’, zo ging hun missie de annalen in, maar het was in feite een militair-commerciële veroveringsmissie.

En zo peddelden Lewis, Clark en hun dertig soldaten westwaarts. Ook aan boord was de zwarte man York, die tot slaaf gemaakt was door de vader van Clark. De enige vrouw aan boord was de tiener Sacagawea, een vrouw uit de Shoshone-stam, die was meegenomen als gids en tolk.

Hier is een mens te zien

Het is onmogelijk om onderweg niet aan Lewis en Clark te denken. Al was het maar omdat elke plek waar de twee ook maar een plasje hebben gedaan of een boterham hebben gegeten, gemarkeerd is met een plaquette of standbeeld.

Maar ook omdat, tot mijn grote verbazing, vanaf de rivier gezien Amerika in tweehonderd jaar geen spat lijkt te zijn veranderd. De Amerikaanse overheid heeft veel land langs de rivier opgekocht: beide oevers zijn grotendeels natuurgebied geworden. De maisvelden erachter zie je niet. Zelfs sommige stadjes die we passeren zijn onzichtbaar door die groene haag. De Missouri lijkt hier wel de Amazone.

Weliswaar passeren we bruggen, oude fabrieken en energiecentrales. Soms zijn er tekenen van menselijk leven, zoals af en toe een geweerschot in de verte. Eén keer nadert een boot: twee mannen met geweren. ‘Kalkoenjagers’, zegt Austin. Als ze langszij varen, zet hij zijn plattelandsaccent op, als teken dat we goed volk zijn.

’s Nachts dromen we onrustige dromen ingefluisterd door het driftige klotsen, het krakende drijfhout en de doffe plons van een monsterlijke vis

Verder is er geen mens te zien. Alleen de arenden in de lucht en soms – of verbeeld ik me dat maar? – de schimmen van reusachtige meervallen onder de kano. Amerika bestaat hier uit drie kleuren: het blauw van de hemel, het bruin van het water, het groen van de beboste oevers.

Daar, in het bos, kamperen we. We sprokkelen hout, we drinken Budweiser, we proberen op een oude radio zenders te vinden. ’s Nachts dromen we onrustige dromen ingefluisterd door het driftige klotsen, het krakende drijfhout en de doffe plons van een monsterlijke vis.

’s Ochtends, als de mist optrekt, zien we op het strand de sporen van dieren: herten, coyotes, wasberen, alles door elkaar, als in het paradijs. En eenmaal op het water zijn we weer alleen. ‘De rivier is van ons’, zeggen we dan.

Het Amerikaanse gevoel van toe-eigening

‘Onze rivier, ons land’ – in dat bezittelijk voornaamwoord ‘ons’ ligt het hele verhaal van de Verenigde Staten besloten. Het is die ándere Amerikaanse droom: de fantasie dat deze onmetelijke ruimte van jou is. Het is de droom om Adam en Eva te zijn in het paradijs. Of Lewis en Clark op ontdekkingstocht.

‘Het is het gevoel van absolute macht’, schreef de Trinidadiaanse schrijver V.S. Naipaul in een essay over de ontdekking van Amerika, getiteld Columbus & Crusoë.

Maar in het paradijs blijken er meestal – heel vervelend – ook anderen rond te lopen. Zelfs Robinson Crusoë kwam op zijn onbewoonde eiland iemand tegen, die hij omdoopte tot Vrijdag. Crusoë zei direct tegen deze Vrijdag dat hij hem meester moest noemen, hij was hier tenslotte ‘eerst’. En de verhoudingen moesten wel helder zijn.

Nog zo’n verhaal. Toen de Franse pioniers de plek aandeden die nu St. Louis heet, troffen ze tientallen met gras begroeide heuvels aan. Een soort piramides van aarde, de grootste was een meter of dertig hoog. Ze waren duidelijk door mensenhanden opgeworpen en dateerden, aan de verwering te zien, van ver voor Columbus.

Maar de kolonisten konden zich niet voorstellen dat de oorspronkelijke bevolking deze bergen gebouwd had. Dus opperden ze de wildste theorieën. Dat die bulten restanten waren van een hoge, maar exotische beschaving, van een ander continent. Vikingen bijvoorbeeld, of Feniciërs. En die massagraven die hier werden gevonden? Die waren natuurlijk van Aziatische krijgsolifanten.

Een vergeten stad, eeuwen ouder dan St. Louis

Terwijl: tussen onze tiende en veertiende eeuw heeft op deze plek wel degelijk een grote stad gelegen: een archipel van tientallen hoge en lage terpen, ommuurd met houten palissades. Die stad telde op zijn hoogtepunt enkele tienduizenden inwoners – meer dan het Parijs of Londen van die tijd. Er was zelfs een observatorium voor hemellichamen.

Cahokia wordt die stad nu genoemd, het was de eerste metropool van Noord-Amerika.

Ik hoorde zelf pas van die ‘indianenstad’, tussen aanhalingstekens, toen ik er in de buurt kwam wonen. Ook voor mij was het nieuw dat er onder de Amerikaanse Indianen stedenbouwers waren (ik dacht eerlijk gezegd dat ze allemaal in tentendorpjes woonden, dat krijg je als Walt Disney en Karl May je beeld bepalen – mythen zijn hardnekkig).

Wat ik verder leerde over Cahokia: eind veertiende eeuw, nog voor de Europeanen kwamen, stortte de beschaving in. De stad werd compleet verlaten. Waarom dat gebeurde, is tot op heden een mysterie. Het kunnen misoogsten geweest zijn of overstromingen, klimaatverandering of gewoon wanbestuur.

De botten die er werden gevonden, waren niet van olifanten: het waren hoogstwaarschijnlijk de restanten van mensenoffers

Wel bekend is dat de moderne Amerikanen de piramides afgroeven om plaats te maken voor wegen of landbouw. Alleen de grootste heuvel van Cahokia lieten ze staan, op een paar kilometer van East St. Louis. Die heuvel kun je nog steeds bezoeken. Een betonnen trap voert naar de top, vanaf de heuvel heb je een goed zicht op de skyline van St. Louis, de wolkenkrabbers omkranst door die reusachtige glimmende stalen boog, de Arch.

We hoeven het leven in Cahokia niet te romantiseren om ervan te kunnen leren – de botten die er werden gevonden, waren niet van olifanten: het waren hoogstwaarschijnlijk de restanten van mensenoffers. Maar vanaf die heuvel besef je goed welke waarschuwing van de ruïnestad uitgaat: namelijk dat elke beschaving, hoe machtig ook, zomaar kan inzakken als een plumpudding.

Velen gingen Lewis en Clark voor

Terug naar de rivier, terug naar Lewis en Clark. Die waren dus bij lange na niet de eerste Europeanen die hier kwamen: Franse huidenhandelaars waren hun al decennia eerder voorgegaan; het gebied was ‘Frans’ totdat Napoleon het verkocht. En ze zagen dat de oorspronkelijke bevolking soms paarden bezat met Spaanse brandmerken.

In hun dagboeken noemden Lewis en Clark de mensen die ze ontmoetten consequent ‘wilden’. Terwijl: het gebied dat de avonturiers hadden ‘verkend’, was al negenduizend jaar bewoond. De Osage in Missouri woonden bijvoorbeeld in landbouwnederzettingen van enkele honderden of soms duizenden inwoners. Met hun eigen vorm van democratie.

Veel inheemsen zagen de ‘ontdekkingsreizigers’ zelf juist als barbaren, blijkt uit hun overlevering. De Amerikanen wasten zich amper, stonken, aten honden- en paardenvlees. Soms schoten ze dieren dood, puur voor de lol.

Ik heb een verkorte editie van de dagboeken van Lewis en Clark meegenomen tijdens onze kanotocht. ’s Avonds in de tent blader ik er wat in. Ik lees over honger, vrieskou, hitte, sneeuwstormen, beren, muskieten, vijandelijke ‘wilden’.

Pas bijna drie jaar na vertrek – men dacht al dat ze dood waren – keerden Lewis en Clark terug. De mythische waterweg naar zee hadden ze niet gevonden: de Missouri bleek niet verder te gaan dan de bergen.

‘Ik overpeinsde dat ik erg weinig had gedaan, echt heel weinig, om het geluk van het menselijk ras vooruit te helpen’, schreef Meriwether Lewis in zijn dagboeken. Later raakte Lewis aan de drank, in de schulden en aan de drugs. Op 35-jarige leeftijd overleed hij aan een schotwond – waarschijnlijk zelfdoding.

Generaal Clark dwong de Osage later om akkoord te gaan met een bestand waarin ze vrijwel heel hun grondgebied afstonden: bijna heel Missouri en de helft van Arkansas. Dat alles in ruil voor een snippertje land en een symbolisch geldbedrag.

De Osage hadden decennialang op goede voet gestaan met de Fransen. En ze hadden nooit oorlog gevoerd tegen de Amerikanen, toen die plotseling ‘eigenaar’ van hun land waren geworden. Sterker, ze hadden Lewis en Clark onderweg zelfs geholpen. Dit was verraad, ordinaire landjepik – daar was ook Clark zelf zich trouwens terdege bewust van. Want, zo schreef hij later: ‘Als ik na dit leven verdoemd zal zijn, dan zou het zijn vanwege dit bestand met de Osage.’

Hoe dan ook: een halve eeuw na de tocht waren veel van de volken die langs de rivier leefden uitgeroeid of van hun land verdreven. Een genocide die misschien niet bedoeld was, maar wel gefaciliteerd werd door het voorbereidend werk van ‘ontdekkingsreizigers’ Lewis en Clark.

Een geschiedenis vol gaten en misleiding

Dat staat allemaal niet op de bordjes en plaquettes die we tegenkomen langs de rivier. Daar lezen we verhalen van twee helden, die de oersnelweg naar het westen voor het eerst in kaart brachten. Het is het verhaal dat veel Amerikaanse schoolkinderen leren: dat dit land niet ‘ontdekt’ werd door de Italiaan Christopher Columbus, laat staan door de Amerikaanse indianen, maar door dat duo Lewis en Clark. Hun dagboeken gelden als Amerika’s ‘officieuze Odyssee’, aldus de inleiding van mijn verkorte editie.

Later, na mijn tocht, zal ik een essay lezen van de Amerikaans-Indiaanse schrijfster Debra Magpie Earling. Ze vertelt wat die ‘duizend’ bordjes met Lewis en Clark háár zeggen. ‘Hier!’ zeggen die bordjes, ‘en daarginds ook, hebben wij jou ontdekt!’

Dit land is van ons, ga weg – zo zou je ‘Amerikaanse droom’ ook kunnen vertalen. En dat ‘ons’ betekent in dit geval: de nakomelingen van de eerste witte Europese kolonisten. Of zoals de Amerikaanse jurist Michelle Alexander kort na de rellen in Ferguson op haar Facebookpagina schreef: ‘Dit land is gesticht met het idee dat sommige levens er níet toe doen.’

Het was president Thomas Jefferson die de expeditie van Lewis en Clark uitstuurde. Hij wordt tegenwoordig alom gezien als de belangrijkste geestelijk vader van de VS, de hoofdarchitect van het land.

Hij was in elk geval de hoofdauteur van de Onafhankelijkheidsverklaring van 1776, die prachtige, revolutionaire tekst over individuele vrijheid, met zinnen als ‘All men are created equal’ en dat iedereen van nature recht heeft op vrijheid en op ‘the pursuit of happiness’, het nastreven van geluk.

Jefferson was geen voorstander van slavernij, integendeel. Maar er is een verschil tussen theorie en praktijk

Jefferson was een filosoof, een archeoloog, een kind van de verlichting. Hij was geen voorstander van slavernij, integendeel. Maar er is een verschil tussen theorie en praktijk. Jefferson zelf, het is bekend, was een slavenhouder die gedurende zijn leven op zijn plantage honderden zwarte Amerikanen gevangenhield. Voor hen gold kennelijk geen pursuit of happiness.

Diezelfde Jefferson schreef trouwens in zijn Notes on the State of Virginia (verschenen in 1785) dat zwarte mensen niet alleen lelijker maar ook veel dommer zijn dan witte mensen.

Jefferson toonde tijdens zijn leven ook een wetenschappelijke en persoonlijke belangstelling voor de oorspronkelijke inwoners van ‘zijn’ land, die hij aanvankelijk als nobele mensen zag. Maar toen bleek dat ze niet wilden meewerken aan zijn beschavingsoffensief, noemde hij ze ‘wilde barbaren’ en meende hij dat ze weg moesten wezen. En desnoods moesten worden uitgeroeid als dieren.

Jefferson legde het eens uit aan Alexander von Humboldt, die beroemde Pruisische verlichtingswetenschapper, in een brief waarin hij trouwens ook verslag uitbrengt van de expeditie van Lewis en Clark. Jefferson schrijft dat er niets anders op zit dan de – ik citeer – ‘aboriginal inhabitants’ te vervolgen tot ze zijn vernietigd of anders te verdrijven naar nieuwe standplaatsen buiten ons bereik.

Pursue them to extermination’, die woorden gebruikt Jefferson letterlijk.

Dat is geen slippertje. Want in een brief aan John Adams (11 juni 1812), schrijft Jefferson zelfs dat weerspannige stammen als dieren verjaagd mogen worden: ‘We shall be obliged to drive them, with the beasts of the forest into the Stony mountains’.

Aldus de architect van de VS.

Een land gebouwd op ongelijkheid

Dus inderdaad, niet gelijkheid, maar ongelijkheid: dat is het fundament waar dit land op is gebouwd.

‘Je moet zoiets in zijn tijd zien’, hoor je dan vaak. Of je hoort: het is wel heel makkelijk om verontwaardigd te zijn over wanstaltige ideeën van eeuwen geleden. Maar wat als deze Jefferson nog steeds als een eerbiedwaardige founding father wordt gezien?

Hier in Missouri zijn er zelfs meer gedenktekens voor Jefferson dan in zijn eigen staat Virginia. Er is zelfs een stad naar hem vernoemd, de hoofdstad van de staat. En overal in de VS wordt deze Jefferson vereerd tot de huidige dag. Zijn gezicht staat zelfs op het tweedollarbiljet.

En dat roept de vraag op: zou het heel misschien kunnen dat zijn ideeën de tand des tijds ongeschonden hebben doorstaan? Want dat is wat me in ieder geval het meest verrast heeft in St. Louis: hoe actueel dat fundament van ónvrijheid en óngelijkheid nog is.

Een maand nadat we naar St. Louis verhuisden, werd deze ‘vergeten’ stad wereldnieuws toen een tiener door een agent werd doodgeschoten. Hier, in een stad die inmiddels omringd is door Trump-supporters, veranderde #BlackLivesMatter van een hashtag in een straatbeweging.

De afgelopen twee jaar hoorde ik schoten en snoof ik traangas. Maar het is vooral de achteloze alledaagsheid van de ongelijkheid die onder de huid is gaan zitten: hoe gewoon het is dat er een stad is waar een derde van de inwoners arm is, hoe normaal dat er wijken zijn waar iedereen die je spreekt wel iemand kent die is vermoord.

Hetzelfde ziekenhuis, heel andere levens

Op de Missouri naderen we inmiddels de noordelijke suburbs van St. Louis. We zien het op onze navigatiekaarten, de stad is nog onzichtbaar vanaf de rivier. Die heerlijke illusie van ongereptheid en onschuld houdt stand tot na de stadsgrenzen van St. Louis zelf: ook daar vormt de natuur een discreet kamerscherm.

Ik denk aan de koude wintermaand februari, toen ergens achter die groene haag mijn zoontje werd geboren. Het was in een ziekenhuis waar verder vooral jonge zwarte tienermoeders kwamen. Op de gang belde een vader in wording – hij zal zestien zijn geweest, droeg sagging pants, een afgezakte broek – met een vriend. Hij zei dat hij ‘de relatie niet zag zitten’, terwijl achter de deur zijn vriendin hoorbaar aan het bevallen was.

Wat voor toekomst zal dat kind krijgen, dat op bijna exact dezelfde plek, op hetzelfde moment, met hetzelfde paspoort geboren werd als mijn zoon?

Hij zong het Amerikaanse volkslied mee, maar in plaats van ‘land of the free and the home of the brave’ zong hij ‘…and the home of the slaves

En terwijl we met een grote boog om de stad drijven, richting de Mississippi, denk ik aan mijn goede vriend Chuck, die in het arme noorden van de stad woont. Vorige maand kwam hij weer eens eten, mijn zoon was net geboren, ik zong voor de grap het Amerikaanse volkslied als wiegenliedje. Hij zong mee, maar in plaats van ‘land of the free and the home of the brave’ zong hij ‘…and the home of the slaves’.

Ik moest lachen, maar hij zong het niet alleen als grap: voor hem voelt ‘home of the free’ zo vaak als een farce.

Ook Donald Trump krijg ik niet uit mijn kop tussen het groen. Maar zijn populariteit zou toch geen schok mogen zijn in een land waar Lewis en Clark en Thomas Jefferson nog als heiligen worden vereerd. Trump heeft een eeuwenoude White-Lives-Matter-beweging wakker gekust. Hij gaat terug naar de bronnen, hij lispelt die oude droom: dit land is van ons.

Een nieuwe droom voor Amerika

Hoe heerlijk die droom is, en meer dan alleen een droom, constateer ik onderweg, bij het kampvuur met een blik bier, uitkijkend op een lege rivier. Budweiser heeft deze zomer de merknaam op het blik weggelaten: er staat, tot aan de verkiezingen, geen ‘Budweiser’, maar ‘America’.

Ook prijken er vaderlandslievende citaten op het blik, zoals een strofe uit het volkslied. En een citaat uit de protestsong This Land is Your Land van Woody Guthrie: ‘From the Redwood Forest to the Gulf Stream Waters this land was made for you and me.’

Al dit land, allemaal van ons. Zelf vind ik het in elk geval een prettige sensatie. Maar dit land behoort niemand toe, zal ik zo leren, hooguit aan het water.

Je leest weleens dat zinnen meanderen, net zoals rivieren dat doen: dat klinkt behoorlijk liefelijk en heel poëtisch. Maar we leren hier wat dat meanderen inhoudt: we ervaren de onvoorstelbare stuwkracht van een wakker gekuste, woedende rivier die zijn eigen pad kiest.

Het onweer barst los vlak voor we de stad bereiken. We hebben niet opgelet, zijn in slaap gesust, verheugden ons te veel op het moment dat de Missouri dadelijk samenvloeit met de Mississippi. Regendruppels tikken op onze rug. En al gauw zien we ook schuimkoppen.

We peddelen naar de kant, maar de oever is te steil en er hangen takken over het water. Volgens de kaart zou hier, op het punt waar de twee rivieren samenkomen, een landtong zijn met een opgang en een observatieplaats.

Verderop zien we betonnen platen liggen, schots en scheef, opgetild bij een van de laatste overstromingen, als piepschuim. We trekken de kano de oever op en schuilen onder een betonnen afdak, naast een informatiebord over Lewis en Clark.

Voor ons de boze rivier, de donderende hemel. Stronken van vers ontwortelde bomen drijven voorbij als in een versneld afgespeelde film. De kleuren van Amerika verdwijnen nu: er zijn alleen nog grijstinten, de overkant is weg.

Het lijkt alsof de riviergod de hele Verenigde Staten wil wegspoelen, met al zijn goed en zijn kwaad: alsof hij de inwoners de kans wil geven om het land opnieuw te funderen, maar dan goed.

Deze podcast is geproduceerd en geregisseerd door Stefan van Duyn (Thinium Audioboekproducties). Wil je meer verhalen vanuit het hart van Amerika? Lees dan mijn gelijknamige boek uitgegeven door De Correspondent. Of ga naar Daar vind je alle verhalen die ik voorlees terug, inclusief foto’s en verwijzingen. En kun je, als je wilt, ook met me in gesprek over Amerika.