Voor een geldinzamelcampagne om De Correspondent naar het Engelse taalgebied te brengen, rijden we rond met een zendwagen. Het idee: zendwagens zijn hét symbool voor nieuws ter plekke. De Correspondent belicht grote structurele ontwikkelingen, dus onze bus rijdt juist

Alleen kan-ie helemaal niet uitzenden. De satelliet op het dak is nep. Een rekwisiet, Hollywood-waardig. Gemaakt door een decorbouwer die zich noemt.

Busje, auto, monstertruck

In de voor The Correspondent zitten we ook in de auto. Hoofdredacteur Rob Wijnberg laat New York aan zich voorbij glijden vanuit een omlaag gedraaid raampje.

De kijkers kunnen zich vereenzelvigen met een nieuwkomer die de wereld waar hij over verslag wil doen bijna kan ruiken, bijna kan horen en bijna kan aanraken. Het is een handige manier om een nieuwe wereld te tonen. Twee documentaires waar ik aan gebruikten dezelfde verteltechniek.

De Speld rook de satire en publiceerde een van onze vertelvorm per auto, onder de kop: ‘Dit gaat De Correspondent doen om Amerika te veroveren’.

'[Uitgever Pfauth] zal alle staten rondrijden in een monstertruck, om leden te werven en de puien van concurrenten in het medialandschap te vernielen.’
'[Uitgever Pfauth] zal alle staten rondrijden in een monstertruck, om leden te werven en de puien van concurrenten in het medialandschap te vernielen.’

Vanwaar nemen we ons standpunt over mobiliteit in?

Nummer 6 van onze naar Amerikaans-Engels vertaalde van The Correspondent luidt: ‘We don’t take the view from nowhere. We tell you where we’re coming from.’

klinkt dit iets minder spectaculair: ‘We doen niet alsof we ‘neutraal’ zijn, maar zijn transparant over ons wereldbeeld.’

In een discussie op de redactie over dit punt merkte iemand op dat je vaak zelf niet doorhebt waar dat wereldbeeld vandaan komt. Laat nu precies dat het geval zijn met de keuze voor de zendwagen als metafoor voor onze Unbreaking News-campagne. We bekijken de wereld vanachter een voorruit, zonder het glas te zien.

Verkeer is autologica

Neem het fenomeen file, dat zo ontzettend vaak het nieuws haalt.

Voordat ik erover begon te schrijven, nam ik volautomatisch aan dat files een probleem waren, aangezien we die als maatschappij zo hebben gedefinieerd. Prompt dat fietsers de autofiles moesten oplossen. Toen ontdekte ik mensen die nadenken over hoe je een stad, een land en onderweg zijn kan vormgeven. En dat alles wat we op straat zien het gevolg is van keuzes.

Ik ontdekte dat een wegsysteem waar je niets aan doet, zichzelf in balans houdt. Op dit moment steken we miljarden in oplossingen (wegverbredingen), waardoor mensen Door die wegverbredingen staan er uiteindelijk alleen maar meer mensen Overigens wel in een comfortabele, warme cocon.

Altijd had ik verondersteld dat zebrapaden er zijn voor voetgangers. Nu ontdekte ik dat ze zijn uitgevonden en neergelegd voor automobilisten. Hetzelfde geldt voor verkeerslichten met fietsers erop en fietspaden zelf. Weg-infrastructuur die er op gericht is om autoverkeer zo optimaal mogelijk te laten doorstromen.

Als Correspondent Mobiliteit ontdekte ik de afgelopen twee jaar hoe vanzelfsprekend ik ons mobiliteitssysteem altijd heb gevonden en voor lief heb genomen. Ik merk dat heel veel mensen in Nederland en daarbuiten datzelfde hebben. Verkeer is als het water waar we in zwemmen, zonder te beseffen dat er

Het verkeer, dat is een wereldbeeld ontstaan van achter een voorruit of een naar de stoep toe opengedraaid zijraampje.

In zicht, uit zicht, inzicht, uitzicht

Nu staat er dus een zendwagen, achter de redactie van De Correspondent in hartje Amsterdam, terwijl bijna alle medewerkers op de fiets, of lopend naar de redactie komen.

Ons busje is maar een symbool. Wel kregen we het verzoek vooral met het symbool te rijden, want ‘anders staat ’ie er maar’. We kunnen hem misschien ook ergens centraal parkeren, waar de mensen hem zien? Moet er nog iemand verhuizen?

Wat we ons niet hardop afvragen: beneemt de bus wellicht het zicht op waar u eigenlijk naar had willen kijken?

Ik had de party pooper kunnen uithangen en die vraag kunnen opwerpen. Niet gedaan. Ik hoop namelijk dat The Correspondent er komt, dankzij of ondanks die nepbus. Dan kunnen we het hier namelijk echt over hebben, met mensen uit 130 landen of meer. Volgens mij is er bijna geen land ter wereld meer waar de auto niet het straatbeeld domineert.

Over de macabere kant van mobiliteit

Zelf schrijf ik op dit moment over de macabere kant van snelle en zware mobiliteit: de verkeersongevallen.

We hebben in de afgelopen decennia een mobiliteitssysteem ontwikkeld waarbinnen in Europa iedere week vijfhonderd levens abrupt en vaak gewelddadig eindigen: Daarmee breken ook de harten van vele tienduizenden, die hun kind, geliefde, vriend, juf of kleinkind op deze manier verliezen. Elke week weer. Een plotse verkeersdood, ontdek ik nu in interviews met nabestaanden, is heel moeilijk om te accepteren.

Onlangs ontdekte ik dat in Nederlandse grote steden twee op de drie dodelijke verkeersslachtoffers omkomen doordat ze worden aangereden door een bestuurder van een een gemotoriseerde Van de rest komen er heel wat op de fiets ten val, in een systeem dat is geoptimaliseerd voor de snelheid en matige wendbaarheid van een auto.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over verbrijzelde botten en gescheurde schedels van het ruime dertigvoud aan ernstig gewonden - ruim 20.000 het afgelopen jaar in Nederland -

Dit is pas brekend nieuws. En ontbrekend nieuws tegelijkertijd.

Creatief nieuw gebruik van de publieke ruimte

Ik wil een internationaal gesprek voeren over het automatisme waarmee we voor lief nemen hoe we onderweg zijn en op welke manier we daarvoor de publieke ruimte gebruiken.

Vooral in de stad, waar de ruimte door heel veel mensen wordt gedeeld, er veel bestemmingen en verschillende manieren zijn om je voort te bewegen, door straten die ook leefruimte zijn. Stadsleven is reizen - een manier om contact met anderen te ervaren.

Ik wil in dialoog met mensen uit steden in het buitenland, waar het mobiliteitssysteem nog eenzijdiger, dwingender of verminkender is dan in Nederland. Maar ook met mensen die wonen in steden waar juist volop en creatief met het gebruik van die ruimte wordt gespeeld.

In Parijs en Gent bijvoorbeeld kun je op veel plekken je (deel-)fiets op de weg parkeren. De parkeerplaatsen voor fietsers liggen daar tussen de autoparkeerplaatsen, in plaats van op de stoep.

Waarom geldt het recht van de snelste?

Dit is de grote vraag die ik graag internationaal zou willen stellen, en waar ons busje als verhalenvehikel voor mij symbool voor staat:

De sterkste, de snelste, de gevaarlijkste, degene die er het warmst bij zit, heeft in een democratie niet per se de meeste rechten: dat is nu net het geweldige van democratie. In de openbare ruimte in veel steden wereldwijd geldt wél het recht van het sterkste, snelste, gevaarlijkste voertuig. Waarom is dit zo? Hoe is dit zo gekomen en hoe verschilt dit per land? En in hoeverre zijn mensen hier en elders zich daar bewust van?

In Nederland deelden fietsers en voetgangers tot zeventig jaar geleden de straat, nauwelijks gereguleerd, zonder doorlopende zorg dat een zware machine ze aan zou rijden. Het publieke leven speelde zich vroeger veel makkelijker voor de deur af. Toch vragen we ons niet af: waarom zijn onze straten doorvoerpijpen voor verkeer geworden? In hoeverre heeft de naoorlogse invloed van de Verenigde Staten op Europa en de rest van de wereld een rol gespeeld?

Om kort te gaan: wat zit er achter die speelgoedsatellietbus, dat we niet zien?