De onderwijsinspectie zou de nieuwste islamitische middelbare school van Nederland net een positieve beoordeling geven, toen de AIVD dit voorjaar met een alarmerend kwam. De directie van het Amsterdamse Cornelius Haga Lyceum zou banden hebben met Tsjetsjeense islamitische terroristen, en predikers zouden anti-democratische opvattingen overdragen op de leerlingen.

De inspectie trok haar lovende concept-rapport in, en de gemeente Amsterdam adviseert ouders nu kinderen niet langer naar deze school te sturen.

Het is niet de eerste keer dat een islamitische middelbare school in opspraak komt. In 2004 liep ik voor een reportageserie drie maanden rond op de voorganger van het Cornelius Haga Lyceum, het Islamitisch College Amsterdam (ICA). Die school, zo bleek al snel, was in de greep van een machtsstrijd tussen salafistische moslims aan de ene kant en minder strenge moslims en niet-moslims aan de andere kant. Een groep docenten had kort daarvoor om die reden ontslag genomen. Het was het begin van mijn voor islamitisch onderwijs in Nederland.

Wie goed oplette, had het recente debacle rond het Cornelius Haga Lyceum kunnen voorspellen. Want keer op keer raken salafistische schoolbesturen in opspraak wegens wanbestuur en het verspreiden van ondemocratisch gedachtegoed.

En het is voor de overheid vrijwel onmogelijk om daar iets aan te doen. Dat komt omdat scholen in Nederland veel vrijheid krijgen om hun onderwijs in te richten zoals zij dat willen. Dat staat zelfs in de Grondwet: is bepaald dat iedereen een school mag oprichten op basis van een bepaalde religie of pedagogische visie. ‘Bijzondere’ scholen, of het nou om Montessorischolen of confessioneel onderwijs gaat, hebben daardoor net als openbare scholen recht op publiek geld. Inhoudelijk ingrijpen in het lesprogramma staat soms op gespannen voet met deze zwaar bevochten ‘vrijheid van onderwijs’.

Om de steeds terugkerende problemen te voorkomen moet dit wetsartikel nodig worden gemoderniseerd – niet afgeschaft (hoewel daarvoor ook regelmatig stemmen opgaan). En hoewel onderwijsminister Arie Slob (ChristenUnie) van plan is de wet te moderniseren, lijkt het erop dat zijn ingrijpen niet ver genoeg gaat.

Hoe het misging op het Islamitisch College Amsterdam

Het in 2001 opgerichte Islamitisch College Amsterdam worstelde met de kwaliteit van zijn lessen. Er was altijd wel een regel die het onderwijs in de weg stond: samenwerken tussen meisjes en jongens was uit den boze, sommige inhoud van lesmateriaal zou in tegenspraak zijn met de geloofsregels. Volgens de opgestapte docenten stond dat het kritisch leren denken van de leerlingen in de weg.

Daarnaast constateerden de opgestapte docenten dat sommige personeelsleden – niet alleen leraren – zonder medeweten van de directie aparte lessen over de islam organiseerden. Achterdocht, roddel en incompetente leraren die zelf nauwelijks het Nederlands machtig waren legden de school verder lam.

Na mijn reportageserie verliet ik de school met grote twijfel of dit onderwijs wel goed was voor deze leerlingen. Niet lang daarna grepen orthodoxe moslims de macht in het schoolbestuur. In 2006 riep dagblad Trouw het Islamitisch College Amsterdam uit In 2011

Al voor de sluiting waren personeelsleden bezig met een nieuwe school

Een halfjaar voor de opheffing deden personeelsleden van het Islamitisch College Amsterdam al een aanvraag voor een in Amsterdam. In 2017 ging die school, het Cornelius Haga Lyceum van start.

De conciërge van het Islamitisch College Amsterdam, Söner Atasoy, werd directeur en voorzitter van het bestuur van de nieuwe school. Zijn broer Son Tekin Atasoy, bestuurder op de oude school, kwam er ook in de directie. De voormalig leraar islamitische geloofsleer werd er voorzitter van de ouderraad.

En het zijn deze broers waarover de AIVD dit voorjaar waarschuwde dat ze banden zouden hebben met Tsjetsjeense moslimextremisten.

Söner Atasoy is weliswaar getrouwd met een Tsjetsjeense vrouw, maar er zijn geen concrete bewijzen voor de beschuldigingen over zijn Tsjetsjeense banden gegeven. Ook wat salafistische predikers precies op de school zouden doen, is niet bekend. De gemeente Amsterdam wil desalniettemin dat de broers Sindsdien bekvechten de gemeente Amsterdam en de broers

Los van die beschuldigingen blijft de vraag: hoe kan het dat eenzelfde groep mensen die eerder op zo’n problematische wijze een school bestuurde, toch weer een nieuwe school heeft kunnen oprichten?

Iedereen kan een school starten bij de eigen ‘richting’

Het antwoord is: door van de Grondwet. Het grondwetsartikel geeft naast gematigde religieuze scholen een handjevol orthodoxe scholen bestaansrecht – zo bestaat er onder meer islamitisch, joods, evangelisch, hindoestaans en reformatorisch onderwijs.

De ‘vrijheid van richting’ uit artikel 23 houdt ook in dat de overheid – lees: de Inspectie van het Onderwijs – zich niet mag bemoeien met En dat aan de bestuurders van deze scholen geen eisen worden gesteld. Iedere volwassene – of die nou onderwijservaring heeft of niet – mag in theorie dus schoolbestuurder worden.

Het probleem met sommige islamitische scholen

Niet dat alle islamitische scholen slecht zijn: in het doen de meeste van de islamitische scholen het volgens de Inspectie van het Onderwijs prima.

En waar dat eerder niet zo was, verbeterden ze zich, onder druk van het gedoe bij de islamitische middelbare scholen, in rap tempo. Los daarvan zijn er ook op niet-islamitische orthodoxe scholen geregeld

Maar al sinds de oprichting van de eerste islamitische basisschool in Nederland, in 1988, zijn er relatief vaak verontrustende klachten over islamitische scholen. Die gaan meestal over krakkemikkig onderwijs en

De conclusie van een eerste onderzoek van de Inspectie in 1999: niets aan de hand

Zulke klachten leidden in 1999, toen er zo’n veertig islamitische basisscholen waren, tot het eerste onderzoek door de Onderwijsinspectie. De conclusie: niets aan de hand.

In 2001, na de aanslagen van 11 september, wilde de Tweede Kamer een nieuw onderzoek, maar de inspectie kwam niet veel verder: er was wederom geen sprake van de gevreesde ‘indoctrinatie’. Wel stonden er ongediplomeerde leerkrachten – lees: de assistent van de imam – voor de klas bij godsdienstlessen, zonder bewezen didactische kwaliteiten.

In 2002 ging de in een verder: enkele ‘radicaal-islamitische schoolbestuurders’ zouden vanwege onder meer ‘religieuze’ en ‘macht- en statusoverwegingen’ doelbewust ‘een belemmering van de integratie’ nastreven. De dienst voegde daaraan toe dat de overheid daar maar weinig aan kon doen.

Hoe misstanden op orthodox-religieuze scholen zouden kunnen worden voorkomen

Daarom deed hoogleraar Onderwijsrecht Paul Zoontjes in 2004 om artikel 23 van de Grondwet te veranderen. Zijn idee, destijds: haal de ‘vrijheid van richting’ eruit en geef de inspectie meer macht om scholen te kunnen controleren op onverdraagzaamheid en ondemocratische opvattingen. Dus ook in de religieuze lessen.

Er kunnen dan nog steeds orthodox-religieuze scholen bij komen, maar bij problemen kan de overheid – lees: de Onderwijsinspectie – eerder en adequater ingrijpen.

Het klinkt misschien als een eenvoudige wijziging. Maar voor een grondwetswijziging is in zowel de Tweede als de Eerste Kamer een tweederde meerderheid nodig. En daar is lastig aan te komen, want artikel 23 beschermt niet alleen islamitische scholen, maar álle confessionele scholen. Christelijke politici beschouwen het grondwetsartikel als een van hun kroonjuwelen. Dus telkens als het CDA in het kabinet zat, werd het artikel met rust gelaten.

Hoe politici op alle niveaus het islamitisch onderwijs dwarszitten

In de tussentijd volgden vele pogingen van ministers en wethouders om het islamitisch onderwijs op andere manieren aan te pakken.

Met een nieuwe wet tegen ‘anti-integratieve tendensen’. Door te bepalen dat op een nieuwe school niet meer dan 75 procent achterstandsleerlingen mochten zitten. Door de financiering af te knijpen. Door ouders te adviseren hun kinderen naar een andere school te sturen. Door huisvesting tegen te werken. Of zoals in 2013, toen het ministerie, de gemeente Rotterdam en christelijke schoolbesturen met een truc de – door examenfraude beruchte – scholengemeenschap Ibn Ghaldoun dwongen de deuren te sluiten.

En ook nu probeert de gemeente Amsterdam het Haga Lyceum tegen te werken door ouders te waarschuwen voor de school. Islamitische basisscholen in Amsterdam hebben zich eveneens vanaf de oprichting uitgesproken tegen het Cornelius Haga Lyceum. Maar tot nu heeft de school nog steeds het recht aan haar kant, en staat de overheid net zo machteloos als in 2002, ten tijde van het eerste rapport van de AIVD.

De harde aanpak van de overheid schiet zijn doel voorbij: het Cornelius Haga heeft al 150 aanmeldingen

Het lijkt er zelfs op dat deze keer de harde aanpak van de overheid zijn doel is voorbij geschoten: er hebben zich volgens de directie van de school 150 nieuwe leerlingen aangemeld voor het nieuwe schooljaar, dat in september zal beginnen. Dat is bijna een verdubbeling van het leerlingenaantal. Het bestuur probeert nu de gemeente Amsterdam via de rechter te dwingen voor grotere huisvesting te zorgen.

En zelfs als de school het uiteindelijk niet overleeft, is het wachten tot er in, zeg, 2025 weer een nieuw Islamitisch College Amsterdam of Haga Lyceum wordt opgericht. Tenzij artikel 23 van de Grondwet grondig wordt gewijzigd.

Gaat de huidige minister de Grondwet toch aanpakken?

In 2015 kwam staatssecretaris Sander Dekker (VVD, Onderwijs) met een alternatief. Hij schreef het wetsvoorstel ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen: naar een moderne interpretatie van artikel 23’. Dat deed hij niet alleen om slecht presterende confessionele scholen aan te pakken, maar ook om het makkelijker te maken een vernieuwende school op te richten.

De kern van artikel 23 van de Grondwet bleef daarin echter intact: die ‘vrijheid van richting’, oftewel het recht om zonder inmenging van de overheid het (religieuze) onderwijs vorm te geven.

Wat wel zou veranderen was de uitleg van artikel 23. Voor de oprichting van nieuwe scholen zouden voortaan steunverklaringen van ouders voldoende zijn. En tegelijk met de versoepeling van de voorwaarden waaronder scholen konden worden opgericht, zou er óók een aanscherping komen van de eisen die aan aspirant-bestuurders worden gesteld. (Die tot nu toe niet verder ingevuld is dan een verplichte Verklaring Omtrent Gedrag voor bestuurders.)

De huidige onderwijsminister, Arie Slob (ChristenUnie) erfde het dossier van zijn voorganger, en wil dit jaar nog een aangepaste versie van het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer sturen. Maar zoals het er nu naar uitziet laat ook hij de kern van artikel 23 over de vrijheid van richting ongemoeid.

Waarom schaffen we artikel 23 dan niet gewoon af?

Artikel 23 helemaal afschaffen, wat eens in de zoveel tijd weer door iemand wordt voorgesteld, is geen verstandige optie. We gooien daarmee het kind met het badwater weg. Door alle scholen gelijk te financieren hoeven ouders in Nederland niet de keus te maken tussen openbaar gratis onderwijs en duur privéonderwijs, zoals in de Verenigde Staten, Engeland en Frankrijk.

Zonder het grondwetsartikel zou het privéonderwijs (dat nu nog slechts 3 procent van het totaal aantal scholen uitmaakt) groeien, want dat is dan nog de enige manier om een op een religie of pedagogische visie gebaseerde school te stichten.

En de vraag is dan: als een school als het Cornelius Haga Lyceum geen geld meer zou krijgen van de overheid, waar haalt ze haar geld dan vandaan? Sommige islamitische scholen hebben, net zoals sommige moskeeën, zo waarschuwde de AIVD al in 2002, banden met De overheidsfinanciering vormt nu nog een buffer, die de scholen minder kwetsbaar maakt voor de eisen van zulke buitenlandse geldschieters.

Dat privéscholen een reëel gevaar kunnen vormen, blijkt bij onze westerburen. In het Verenigd Koninkrijk is geen ‘artikel 23’ en worstelt de overheid met orthodoxe islamitische en joodse scholen waar het onderwijs ver onder de maat is. De Engelse overheid krijgt geen greep op die onderhand meer dan 350 illegale onderwijsinstellingen.

Wat moeten we dan wel doen?

Het is verstandig om in het licht van de gebeurtenissen rond het Cornelius Haga Lyceum, en ook van misstanden bij andere orthodoxe scholen, het huidige wetsvoorstel ’Meer ruimte voor nieuwe scholen’ nog eens goed tegen het licht te houden.

Het zou beter zijn om harder in te grijpen in artikel 23 van de Grondwet, zoals hoogleraar onderwijsrecht Paul Zoontjes al in 2004 voorstelde. Dus: ten eerste is het effectiever de kern, dus de ‘vrijheid van richting’ uit artikel 23 van de Grondwet schrappen. Ten tweede is het de hoogste tijd, via de uitleg van de wet, de Inspectie van het Onderwijs de bevoegdheid te geven inhoudelijke eisen te stellen aan de (godsdienst)lessen.

Leerlingen moeten onderwezen worden over de maatschappij waarin ze opgroeien

Die eisen kunnen gaan over of een school normen en waarden overdraagt die in strijd zijn met onze samenleving. Dat leerlingen wel moeten leren wat de wetenschappelijke consensus is over het ontstaan van de aarde; dat ze geen conservatieve opvattingen over man-vrouwverhoudingen en seksuele geaardheid opgelegd krijgen bij het vak maatschappijleer; dat er niet langer bepaalde boeken bij het vak Nederlands worden verboden.

De leerlingen van een school moeten, kortom, onderwezen worden over de maatschappij waarin zij opgroeien en daarover onafhankelijk en kritisch leren oordelen. Dat is de prijs die deze meestal orthodoxe scholen dan zullen moeten betalen voor publieke financiering.

Vervolgens moeten de aspirant-bestuurders bevestigen dat ze bovenstaande uitgangspunten zullen toepassen in hun op te richten school. Alleen een Verklaring Omtrent Gedrag, zoals nu in het wetsvoorstel staat, is te weinig om te kunnen controleren of zij geschikt zijn.

Na honderd jaar onderwijsverzuiling is dat dé modernisering van artikel 23 van de Grondwet die hoognodig is om een kwalitatief goed en open pluriform onderwijsstelsel in stand te houden.

Meer lezen?

Waarom ik m’n vmbo-klas niet stil kon krijgen Nergens is het zo druk in de klas als in Nederland. Voor veel docenten is dat – naast administratieve rompslomp en overvolle agenda’s – een grote bron van stress. Ik bleek daarop geen uitzondering. Lees het verhaal van Johannes hier terug

Elk kind heeft een verhaal dat in de krant mag Alle kinderen in Rotterdam tussen 7 en 12 jaar krijgen maandelijks Jong010. Dat zijn er 38.000. Negen op de tien van hen lezen de kinderkrant ook. Drijvende kracht achter het succes zijn twee ondernemende en idealistische vrouwen: Angelique van Tilburg en Suzanne Huig. In Rotterdam is het gelukt. Nu de rest van Nederland nog. Luister de podcast van Lex hier terug