• Wereldwijd ruim 250.000 exemplaren verkocht!
  • “Het Nederlandse wonderkind”
    The Guardian
  • “Duizelingwekkend erudiet”
    Le Monde

Het probleem is niet dat we het niet goed hebben, het probleem is dat we niet weten hoe het beter kan. In deze internationale bestseller laat Rutger Bregman zien hoe ideeën de wereld kunnen veranderen.

Van een basisinkomen voor iedereen tot een werkweek van vijftien uur, van een wereld zonder grenzen tot een wereld zonder armoede: het is tijd voor de terugkeer van de utopie.

Na Nederland verovert Gratis geld voor iedereen ook de rest van de wereld. Wereldwijd zijn er ruim 250.000 boeken verkocht en er verschijnen vertalingen in dertig landen.

Rutger in de media

  • Het AD interviewt Rutger over zijn ontwikkeling van lezingen voor kleine groepen naar wereldroem.
  • In De Morgen gaat Rutger in tegen de opvatting dat het Finse experiment met basisinkomen is mislukt.
  • In deze aflevering van Nooit meer slapen praat Rutger over zijn pleidooi voor een basisinkomen en waar zijn opvattingen vandaan komen.
  • In dit artikel van het Nederlands Dagblad beargumenteert Rutger waarom werken en spelen dezelfde dingen moeten worden.
  • Wil je nóg meer interviews? Die kun je hier allemaal bekijken.
  • Bekijk Rutger’s TED Talk waarvoor hij een staande ovatie kreeg (in de zaal zaten onder anderen Bill Gates, Steven Spielberg en Richard Branson).

Over Rutger Bregman

Photo: Stephan Vanfleteren

Rutger Bregman (1988) is historicus. In 2012 publiceerde hij Met de kennis van toen; een jaar later volgde het veelgeprezen De geschiedenis van de vooruitgang (bekroond met de Liberales-prijs voor het beste boek van 2013). Van Gratis geld voor iedereen zijn wereldwijd ruim 250.000 exemplaren verkocht. Vertalingen verschijnen in dertig landen. De Engelse titel luidt Utopia for Realists. In 2017 mocht Rutger Bregman een TED Talk geven., die nu bijna 2 miljoen keer bekeken is.

Voor interviews en recensie-exemplaren kun je uitgever Milou Klein Lankhorst mailen via milou@decorrespondent.nl.

Het Nederlandse wonderkind van de nieuwe ideeën
The Guardian
Een van de belangrijkste politieke denkers van het moment.
De Morgen

Dit boek is ontstaan op De Correspondent

Gratis geld voor iedereen is tot stand gekomen op De Correspondent, het snelstgroeiende digitale journalistieke platform van Nederland. De Correspondent is een dagelijks medicijn tegen de waan van de dag. Dat betekent dat het medium iedere dag iets nieuws wil bieden, maar zich daarin niet laten leiden door 'het laatste nieuws.'

De site is volledig advertentievrij en bestaat dankzij 56.000 betalende leden. Zo kunnen we samen met onze leden onafhankelijke journalistiek bedrijven.

Door onze boeken te lezen, steun je die missie: een nieuwe vorm van onafhankelijke en constructieve journalistiek.

Bestel dit boek

De terugkeer van de utopie

Laat ik beginnen met de belangrijkste les van de geschiedenis.

Vroeger was alles slechter.

Gedurende zo ongeveer 99 procent van de wereldgeschiedenis was 99 procent van de mensheid arm, hongerig, bang, vies, dom, ziek en lelijk. Blaise Pascal (1623-1662), de Franse filosoof, schreef in de zeventiende eeuw nog dat het leven één groot tranendal was. ‘De mens is groots omdat hij van zichzelf weet dat hij ellendig is,’ noteerde hij. Zijn Britse collega Thomas Hobbes (1588-1679) stemde in. ‘Smerig, beestachtig en kort,’ zo vatte hij het leven van de mens samen. In de afgelopen tweehonderd jaar is die toestand op zijn kop gezet. In slechts één promille van de tijd die wij als soort hebben doorgebracht op deze planeet zijn miljarden van ons rijk, doorvoed, veilig, schoon, slim, gezond In 1820 leefde 84 procent van de wereldbevolking in extreme armoede. In 1980 was dat afgenomen naar 52 procent en nu, slechts een paar decennia later, zitten we onder de 10 procent. Als het zo doorgaat is de extreme armoede – de toestand waarin bijna iedereen bijna altijd heeft geleefd – binnen dertig jaar uitgeroeid. De armen die dan nog overblijven, zullen tot de rijksten uit de wereldgeschiedenis behoren. Zo ontvangt een Nederlander met een daklozenuitkering nu al meer dan de gemiddelde burger in 1950 en vier keer zoveel als een Nederlander tijdens de zogenaamde ‘Gouden Eeuw’, toen de Hollanders nog heersten Eeuwenlang stond de geschiedenis bijna stil. Er gebeurde genoeg om bibliotheken te vullen, daar niet van, maar beter werd het er niet op. Zouden we een Italiaanse boer uit het jaar 1300 in een tijdmachine stoppen en naar het platteland van 1880 transporteren – hij zou weinig verschil zien. Historicischatten het gemiddelde inkomen in het Italië van 1300 op ongeveer 1600 dollar per jaar. Bijna zeshonderd jaar later, na Columbus, Galilei en Newton, de wetenschappelijke revolutie, de reformatie en de verlichting, de uitvinding van het buskruit, de boekdrukkunst én de stoommachine, was dat nog steeds: 1600 dollar. De gemiddelde Italiaan was weinig opgeschoten met zeshonderd jaar aan beschaving. Pas rond 1880 – Alexander Graham Bell had net de telefoon uitgevonden, Carl Benz sleutelde aan zijn eerste auto en Josephine Cochrane broedde op misschien wel het geniaalste idee aller tijden (de vaatwasmachine) – pas tóen werd ook die Italiaan meegesleurd in de geschiedenis van de vooruitgang. En wat een waanzinnige achtbaan is het geweest. In de afgelopen twee eeuwen is niet alleen de wereldbevolking, maar ook de welvaart explosief gegroeid. Het inkomen per hoofd van de bevolking is nu tien keer zo hoog als in 1850. De gemiddelde Italiaan is meer dan vijftien keer zo rijk als in 1880. En de wereldeconomie? Die is 250 keer zo groot als voor de industriële revolutie, toen bijna iedereen bijna overal nog arm, hongerig, bang, vies, dom, ziek en lelijk was.

De utopie van de middeleeuwen

Vroeger, kortom, was alles slechter. Niet zo gek dus, dat er toen nog gedroomd werd van betere tijden. Het mooiste voorbeeld van zo’n droom is misschien wel Luilekkerland. Wie er wil komen moet zich door een berg rijstebrij van drie mijl dik vreten. Maar die moeite loont, want eenmaal in Luilekkerland aangekomen, blijken de wijn en de limonade door de rivieren te stromen. Gebraden ganzen vliegen door de lucht, pannenkoeken groeien aan de bomen en het regent warme vlaaien en pasteien. Boer, ambachtsman en klerk – iedereen is gelijk en ligt heerlijk te luieren in het gras. In Luilekkerland, ook wel Cocagne genoemd, is nooit ruzie. Er wordt gefeest, er wordt gedanst, er wordt gezopen. Iedereen doet het met iedereen. ‘Naar middeleeuwse opvatting zou het huidige West-Europa in hoge mate de verwezenlijking van Cocagne zijn,’ schrijft de historicus Herman Pleij. ‘Fastfood is er op elk uur van dag en nacht, evenals klimaatbeheersing, vrije seks, arbeidsloos inkomen en plastische chirurgie die de jeugd verlengt.’ Aan het begin van de eenentwintigste eeuw lijden wereldwijd zelfs meer mensen aan overgewicht dan aan honger. Het gemiddelde moordcijfer in West-Europa ligt veertig keer lager dan in de middeleeuwen en voor iedereen met het juiste paspoort is een indrukwekkend sociaal vangnet opgetuigd. Misschien is dat wel ons grootste probleem: de oude, middeleeuwse droom van Luilekkerland raakt op. Een beetje meer consumptie, een beetje meer veiligheid – het kan nog wel, maar de nadelen in de vorm van vervuiling, obesitas en Big Brother zijn zo langzamerhand een stuk groter. Voor de middeleeuwer was Luilekkerland nog een paradijselijke fantasie. ‘Een vluchtroute uit het aardse lijden,’ noemt Pleij het. Maar als we die Italiaanse boer uit 1300 zouden vragen wat hij vindt van onze wereld, dan zou hij vast aan Luilekkerland moeten denken. Wij leven zelfs in een tijd waarin Bijbelse visioenen uitkomen. Wat in de middeleeuwen nog een wonder was, voltrekt zich nu voor onze ogen: blinden zien, lammen lopen en doden staan op uit hun graf. Neem de Argus II, een breinimplantaat dat mensen met een erfelijke oogziekte weer een beetje zicht geeft. Of neem de Rewalk, een set van robotbenen die lammen weer laat lopen. Of denk aan de Rheobatrachus, een kikkersoort die in 1983 uitstierf, maar door Australische wetenschappers opnieuw tot leven is gewekt met oud DNA-materiaal. De Tasmaanse tijger is de volgende op het wensenlijstje van deze onderzoekers, die onderdeel uitmaken van het zogenoemde ‘Lazarus Project’ (Johannes 11, vers 1 tot 44). Want ja, we leven in tijden waarin Bijbelse visioenen uitkomen. Sciencefictionverhalen trouwens ook, want de eerste zelfrijdende auto’s doen hun rondjes al. Op dit moment rollen er hele embryonale celstructuren uit 3D-printers en zijn er verlamde mensen die met een chip in hun brein, op pure denkkracht, robotarmen besturen. Of nog zoiets: de prijs van 1 watt zonne-energie daalde sinds 1980 met 99 procent. De oude droom van Karl Marx (alle productiemiddelen in handen van de massa) zou zomaar werkelijkheid kunnen worden, maar dan nu door de opkomst van 3d-printers en zonnepanelen. En – niet geheel onbelangrijk – zonder een bloedige revolutie. Lange tijd was Luilekkerland voorbehouden aan een kleine elite in het rijke Westen. Maar dat is verleden tijd. Sinds China het juk van het communisme heeft afgeschud, zijn 700 miljoen Chinezen uit de extreme armoede opgeheven. Ook Afrika is geen hopeloos continent meer. Het herbergt zes van de tien snelst groeiende economieën. Anno 2013 hadden zes van de zeven miljard wereldbewoners al een mobiele telefoon (ter vergelijking: 4,5 miljard hadden een toilet). Het aantal wereldburgers dat toegang heeft tot het internet steeg van 0,4 procent in 1994 naar 40,4 procent twintig jaar later. Qua gezondheid, de grootste belofte van Luilekkerland, is de vooruitgang werkelijk op hol geslagen. Krijgen we er in rijke landen iedere week nog een weekend bij aan levensverwachting, in Afrika zijn het meer dan vier dagen. Wereldwijd steeg de levensverwachting van 64 jaar in 1990 naar 70 jaar in 2012. Dat is bijna 2,5 keer zo hoog als in 1900. En hoewel in ons Luilekkerland de ganzen niet gebraden en al door de lucht vliegen, is sinds 1990 het aantal ondervoede mensen toch met meer dan een derde afgenomen. Het aantal wereldbewoners dat moet leven van minder dan 2000 calorieën per dag is zelfs gedaald van 51 procent in 1965 naar 3 procent in 2005. Meer dan 2,1 miljard mensen hebben tussen 1990 en 2012 toegang gekregen tot schoon drinkwater. Het aantal kinderen met een groeiachterstand is in dezelfde tijd met één derde gedaald, de kindersterfte is met maar liefst 41 procent afgenomen en de moedersterfte is gehalveerd. Of neem de teloorgang van ziekte. De grootste massamoordenaar uit de wereldgeschiedenis – pokken – is al uitgeroeid. Polio is bijna verdwenen; in 2013 waren er 99 procent minder slachtoffers dan in 1988. Ondertussen worden steeds meer kinderen gevaccineerd. Neem mazelen: de wereldwijde vaccinatiegraad steeg van 16 procent in 1980 naar 84 procent nu. Het aantal slachtoffers van mazelen is met drie kwart afgenomen in slechts dertien jaar. Sinds 1990 is het aantal slachtoffers van tuberculose bijna gehalveerd. Sinds 2000 daalde het aantal malariadoden met een kwart. En sinds 2005 is ook het aantal aidsdoden met een kwart gekrompen. Soms lijken de cijfers bijna te mooi om waar te zijn. Zo stierf vijftig jaar geleden één op de vijf kinderen vóór het vijfde levensjaar. Nu is dat één op de twintig. In 1836 overleed Nathan Meyer Rothschild, de rijkste man ter wereld, nog bij gebrek aan een simpele antibioticakuur. Maar in de afgelopen decennia hebben de spotgoedkope vaccins tegen mazelen, tetanus, kinkhoest, difterie en polio meer levens gered dan wereldvrede in de twintigste eeuw zou hebben gedaan. Ondertussen worden we steeds slimmer. In 1962 zat 41 procent van alle kinderen niet op school. Nu is dat minder dan 10  procent. De kinderarbeid is met een derde afgenomen sinds 1990. Het aantal mensen dat kan lezen is gestegen van 76 procent in 1990 naar 84 procent in 2012. In de meeste landen stijgt het IQ met zo’n 3 tot 5 punten per decennium, vooral dankzij betere voeding en onderwijs. Dat verklaart wellicht ook waarom we zoveel beschaafder zijn geworden: het afgelopen decennium was het meest vreedzame in de hele wereldgeschiedenis. Volgens het Peace Research Institute te Oslo is het jaarlijks aantal oorlogsslachtoffers sinds 1946 met maar liefst 90 procent afgenomen. Ook het aantal moorden, berovingen en andere vormen van misdaad is op zijn retour. ‘Criminaliteit is aan het uitsterven in grote delen van de rijke wereld,’ schreef het tijdschrift The Economist onlangs nog. ‘Er zijn nog steeds criminelen, maar ze zijn met steeds minder, en ze worden oud.’

Een treurig paradijs

Welkom dus, in Luilekkerland. Hier is het goed toeven. Het leven in Cocagne is rijk, veilig en gezond. Eigenlijk ontbreekt het aan maar één ding: een reden om uit bed te komen. Want ja, in het paradijs valt toch niets meer te verbeteren. De Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama schreef het al in 1989: we zijn in een tijdperk beland waarin alleen de ‘economische berekening, het eindeloze oplossen van technische problemen, bezorgdheid om het milieu, en de bevrediging van de steeds verfijndere wensen van de consument’ nog resten. Een procentje extra koopkracht. Wat minder CO2-uitstoot. En misschien een nieuwe gadget – maar veel verder reiken onze visioenen niet meer. We leven in een rijk en overvloedig, maar ook treurig tijdperk. Er is ‘kunst noch filosofie’, schrijft Fukuyama. We hoeven alleen nog maar te zorgen voor ‘het museum van de menselijke geschiedenis’. Oscar Wilde, de Ierse dichter, vond dat we bij aankomst in Luilekkerland opnieuw in de verte zouden moeten kijken om vervolgens de zeilen weer te hijsen. ‘Vooruitgang is de verwezenlijking van Utopia’s’ schreef hij. Maar we zien niets in de verte. Het is mistig in Luilekkerland. Juist op het moment dat we voor de historische taak staan om zin te geven aan dit rijke, veilige en gezonde bestaan, hebben we de utopie begraven. Een nieuwe droom is er niet, simpelweg omdat we ons geen betere wereld kunnen voorstellen. De meeste ouders in rijke landen denken zelfs dat hun kinderen slechter af zullen zijn dan zij. Maar de echte crisis van deze tijd, van mijn generatie, is niet dat we het niet goed hebben, laat staan dat we het niet goed zullen hebben. De echte crisis is dat we niet weten hoe het beter kan.

De moord op de grote verhalen

Dit boek is geen poging om de toekomst te voorspellen. Het is een poging om de toekomst te ontgrendelen, om de ramen van het denken weer open te zetten. Natuurlijk, utopieën zeggen altijd meer over de tijd waarin ze geschreven zijn dan over wat komen gaat. De utopie van Luilekkerland zegt alles over het bestaan van de middeleeuwer. Dat wil zeggen: hoe ellendig het was. Of zeg gerust: hoe ellendig het bestaan van bijna iedereen bijna overal bijna altijd was. Varianten op de droom van Luilekkerland vinden we immers in iedere cultuur terug. De simpelste verlangens leiden tot de simpelste utopie. Wie honger heeft, droomt van een zalig feestmaal. Wie het koud heeft, droomt van een brandende kachel. Wie snel aftakelt, droomt van een eeuwige jeugd. Al deze verlangens zien we terug in de oude utopieën, die geschreven werden toen het leven nog smerig, beestachtig en kort was. ‘De aarde bracht geen angst of ziekte voort,’ fantaseerde de Griekse dichter Telecides al in de vijfde eeuw voor Christus. ‘Alles wat nodig was, verscheen spontaan. Iedere bergstroom zat vol met wijn en de gersttaarten vochten met de broden om bij de monden van de mensen te komen.’ Maar tegenwoordig worden de dromen van een betere wereld er al vroeg uit gehamerd. Dromen veranderen in nachtmerries, zo luidt het cliché. Utopieën zouden in dwang, geweld of zelfs genocide ontaarden. Een utopie wordt een dystopie, of sterker nog, een utopie is een dystopie. ‘De wereld is niet maakbaar,’ klinkt het dan, terwijl we zelf het paradijs van de middeleeuwers hebben geschapen. Natuurlijk, de geschiedenis zit vol met afschuwelijke vormen van utopisch denken – fascisme, communisme, nazisme – zoals ook iedere religie gewelddadige stromingen voorbrengt. Maar als één gelovige oproept tot geweld, dan brengt dat toch niet alle gelovigen in diskrediet? Waarom zou dat wel gelden voor de utopisten? Moeten we dan maar helemaal stoppen met dromen van een betere wereld? Nee. Maar dat is wel wat er gebeurt. Optimisme en pessimisme zijn synoniem geworden aan consumentenvertrouwen, of het gebrek daaraan. Radicale ideeën over een andere, betere wereld zijn bijna letterlijk ondenkbaar geworden. De notie van wat we als samenleving kunnen, is aan zware erosie onderhevig. En dan blijkt: zonder de utopie rest slechts de technocratie. Politiek is verworden tot probleemmanagement. Kiezers zijn gaan zweven, niet omdat partijen zo van elkaar verschillen, maar omdat ze steeds meer op elkaar lijken. De kloof tussen links en rechts is gekrompen tot enkele procentjes koopkracht. We zien het in de journalistiek, waar politiek wordt afgeschilderd als een spelletje waarbij niet idealen maar carrières op het spel staan. We zien het aan de universiteit, waar veel wordt geschreven, maar weinig gelezen, veel gepubliceerd, maar weinig gepolitiseerd. Universiteiten zijn een soort fabrieken geworden, net als ziekenhuizen, scholen en televisiezenders trouwens. Het enige wat dan nog overblijft, is sturen op de cijfers. Kwaliteit wordt kwantiteit – of het nu om de economie, de kijkcijfers of het aantal publicaties gaat. De bijbehorende ideologie wordt nog wel eens ‘het liberalisme’ genoemd, maar is daar eigenlijk nog maar een schim van. ‘Lekker jezelf zijn’, ‘gewoon je ding doen’, is al wat rest. Vrijheid is ons hoogste goed, maar het is een lege vrijheid geworden. De afschuw van ieder moralisme heeft de moraal uit de publieke discussie gebannen. Zo zou de publieke ruimte nu ‘neutraal’ moeten zijn, terwijl deze in werkelijkheid nog nooit zo paternalistisch is geweest. Op iedere hoek van de straat schreeuwt het ons toe: zuip, vreet, leen, werk, stress, koop en bedonder. Wat we onszelf ook mogen wijsmaken over de vrijheid van meningsuiting, onze waarden lijken verdacht veel op de waarden van juist die bedrijven die kunnen betalen voor de reclameslots rond acht uur ’s avonds. Zou een school of kerk ook maar een fractie van de invloed hebben die de reclame-industrie op ons en onze kinderen heeft, dan zouden we moord en brand schreeuwen. Maar als het om de markt gaat, dan zijn we ‘neutraal’. Het enige wat rest voor de overheid is het heden repareren. Want mocht je als individu niet voldoen aan de blauwdruk van een echt succesvol leven, dan gelooft zij nog heilig in de maakbaarheid. Trefwoorden: controle, surveillance, repressie. De verzorgingsstaat is zich ondertussen steeds meer op de symptomen van ons onbehagen gaan richten in plaats van op de oorzaken. We gaan naar de dokter als we ziek zijn, naar de therapeut als we verdrietig zijn, naar de diëtist als we te dik zijn, naar de gevangenis als we crimineel zijn en naar de werkcoach als we werkloos zijn. Al deze diensten kosten handenvol geld, zonder dat ze veel opleveren. In het land met de hoogste zorgkosten ter wereld, de Verenigde Staten, daalt de levensverwachting zelfs voor veel mensen. Ondertussen krijgen markt en commercie vrij spel. De voedselindustrie voorziet ons van goedkope troep vol zout, suiker en vet, zodat we weer door kunnen naar de dokter en de diëtist. De oprukkende technologie vernietigt steeds meer banen, zodat we weer langs mogen bij de werkcoach. De reclame industrie roept op om met geld dat we niet hebben troep te kopen die we niet nodig hebben om indruk te maken op mensen waar we een hekel aan hebben, zodat we daarna weer kunnen uithuilen bij de therapeut. Dat is de dystopie waar we nu in leven.

De verwende generatie

Het is niet – ik kan dit niet genoeg benadrukken – dat we het niet goed hebben. Integendeel, de jeugd van tegenwoordig draagt eerder de last van de verwendheid. Jean Twenge, een psycholoog aan de Universiteit van San Diego, heeft zorgvuldig onderzoek gedaan naar de mentaliteit van jongeren vroeger en nu. Sinds de jaren tachtig, zo luidt haar conclusie, is onze eigenwaarde in opmars. Jongeren vinden zichzelf slimmer, betrouwbaarder en aantrekkelijker dan ooit. ‘Het is een generatie waarvan ieder kind verteld is: “Jij kunt alles worden wat je wilt. Je bent bijzonder,”’ aldus Twenge. Narcisme is ons met de paplepel ingegoten. Maar zodra de wijde wereld van onbegrensde mogelijkheden opengaat, storten we steeds vaker in. Dan blijkt de wereld een kille plek van concurrentie en werkloosheid. Geen Disneyland waarin alle dromen uitkomen (als je er maar hard genoeg in gelooft), maar een rat race waarin mislukken je eigen schuld is. Achter het narcisme gaat dan ook een poel van onzekerheid schuil. Twenge heeft ontdekt dat we in de afgelopen decennia veel angstiger zijn geworden. Ze vergeleek 269 studies tussen 1952 en 1993 en ontdekte dat het gemiddelde Noord-Amerikaanse kind begin jaren negentig angstiger was dan een psychiatrische patiënt begin jaren vijftig. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie is depressie nu zelfs het grootste gezondheidsprobleem onder tieners. Rond 2030 zal het wereldwijd de zwaarste ziektelast zijn. En dus wordt er gedweild met de kraan open. Nooit eerder liepen zo veel jongeren bij de psycholoog. Nooit eerder kampten zo veel jonge werknemers met een burn-out. Nooit eerder werden er zoveel antidepressiva geslikt. De ziekten van het collectief – werkloosheid, onbehagen, depressie – worden keer op keer in het individu gelokaliseerd. We zijn opgevoed met de gedachte dat niet de samenleving, maar wijzelf maakbaar zijn. Succes is nu een eigen keuze, en mislukken trouwens ook. Baan verloren? Dan heb je niet hard genoeg gewerkt. Ziek? Dan heb je een ongezonde levensstijl. Ongelukkig? Slik een pil. In de jaren vijftig stemde slechts 12 procent van de jongeren in met de stelling: ‘Ik ben een heel bijzonder persoon.’ Nu is dat 80 procent. En dat terwijl we juist steeds meer op elkaar zijn gaan lijken. We lezen dezelfde bestsellers, kijken dezelfde blockbusters en dragen dezelfde boxershorts. Werden onze grootouders nog gedisciplineerd door kerk, familie en vaderland, wij gaan gebukt onder media, marketing en een betuttelende overheid. Maar hoewel we meer op elkaar lijken dan ooit is het tijdperk van de grote collectieven toch voorbij. Kerk, partij en vakbond lopen leeg. Ook de scheidslijnen van weleer, rechts en links, mogen wat ons betreft bij het grofvuil. We willen gewoon ‘de problemen oplossen’, alsof de politiek aan een consultancybureau kan worden uitbesteed. Natuurlijk, sommigen van ons proberen het oude vooruitgangsgeloof nog te reanimeren. Kan het toeval zijn dat mijn generatie voornamelijk door zogeheten ‘nerds’ wordt vertegenwoordigd, die met hun apps en gadgets de hoop op economische groei symboliseren? ‘De grootste geesten van mijn generatie denken na over de manier waarop ze mensen het beste op advertenties kunnen laten klikken,’ verzuchtte een oud-rekenwonder van Facebook onlangs nog. Laat er geen misverstand over bestaan: het kapitalisme heeft de poorten naar Luilekkerland opengezet. Maar nu is vooruitgang synoniem geworden aan economische voorspoed. In de eenentwintigste eeuw zullen we andere manieren moeten vinden om de kwaliteit van ons leven te verbeteren. Echte vooruitgang begint bij wat de kenniseconomie niet kan produceren: wijsheid over het goede leven. Wij moeten doen waar grote denkers als John Stuart Mill, Bertrand Russell en John Maynard Keynes een eeuw geleden al voor pleitten: ‘waarde hechten aan doel boven middel en aan het goede boven het nuttige.’ Het belangrijkste is dat we onze geest weer op de toekomst richten. Dat we ophouden met het consumeren van ons eigen chagrijn via peilingen en de altijd-slechtnieuws-media. Dat we over alternatieven nadenken en nieuwe collectieven vormen. Dat we het juk van de tijdgeest afschudden en het idealisme herkennen in elkaar. Misschien kunnen we dan ook weer naar buiten kijken, de wereld in. Dan zullen we zien dat de oude vooruitgang daar gewoon doordendert. We zullen zien dat we leven in een geweldige tijd, van afnemende honger en oorlog en van een snel stijgende rijkdom en levensverwachting. Maar dan zullen we ook zien hoeveel ons, de rijkste 10, 5 of misschien zelfs 1 procent, nog te doen staat.

De blauwdruk

Het is tijd voor de terugkeer van de utopie. We hebben een nieuwe stip op de horizon nodig, een kaart van de wereld waar Utopia weer op staat. Dan doel ik niet op de haarscherpe blauwdrukken van utopische fanatici, die in vijfjarenplannen aan de massa worden opgedrongen. Daarin worden mensen ondergeschikt gemaakt aan idealen. Bedenk: utopie betekent zowel ‘goede plaats’ als ‘nergens’. Wat we nodig hebben zijn alternatieve vergezichten, die ons weer aan het denken zetten. En ik spreek nadrukkelijk in het meervoud: utopieën moeten met elkaar botsen om de democratie in beweging te houden. Maar laten we eerst onderscheid maken tussen twee vormen van utopisch denken. De eerste is waar het meestal over gaat: de utopie van de blauwdruk. Grote denkers als Karl Popper, Hannah Arendt en zelfs een hele stroming in de filosofie (het postmodernisme) hebben met deze utopie willen afrekenen. En met succes: als het om de blauwdruk gaat, hebben zij het laatste woord gehad. De blauwdruk biedt geen abstracte idealen, maar keiharde richtlijnen waar in geen geval van mag worden afgeweken. De Zonnestad (1602) van de Italiaanse dichter Tommaso Campanella is er een goed voorbeeld van. In deze utopie, of eigenlijk dystopie, is particulier bezit ten strengste verboden, wordt iedereen verplicht van elkaar te houden en staat op ruzie de doodstraf. Het privéleven wordt beheerst door de staat, inclusief de voortplanting. Zo mogen slimme mensen alleen met domme mensen naar bed, en dikke mensen alleen met dunne. Alles wordt in het werk gesteld om een gunstig gemiddelde te krijgen. Iedereen wordt bovendien in de gaten gehouden door een enorm netwerk van informanten. Begaat iemand een misstap, dan wordt er net zo lang op de zondaar ingepraat tot hij overtuigd raakt van zijn eigen verdorvenheid. Is het zo ver, dan laat hij zich stenigen door de rest. Wie met de kennis van nu (fascisme, communisme, genocide) het boek van Campanella leest, voelt de rillingen over zijn rug lopen.

De terugkeer van de utopie

Maar er is nog een andere, bijna vergeten vorm van utopisch denken. Als de blauwdruk een haarscherpe foto is, dan biedt deze utopie slechts een vage schets. Ze biedt geen oplossingen maar denkrichtingen. Ze dwingt niemand in een keurslijf, maar inspireert tot verandering. Ze is doordrongen van één besef, zoals Voltaire ooit zou hebben gezegd: perfectie is de vijand van het goede. De bedenker van het woord ‘Utopia’, de Britse filosoof Thomas More, zag zijn boek uit 1516 dan ook niet als een blauwdruk die lukraak moest worden doorgevoerd. Zijn utopie was bovenal een aanklacht tegen de zelfverrijking van de adel en de schrijnende armoede onder het volk. ‘Iedere serieuze utopische denker zal zich ongemakkelijk voelen bij het idee van een blauwdruk,’ merkt een Amerikaanse filosoof op. More begreep dat een utopie gevaarlijk wordt als je haar té serieus neemt. De naam van de gids in More’s utopie, Hythlodaeus, betekent bijvoorbeeld ‘spreker van nonsens’. ‘Je moet in staat zijn gepassioneerd te geloven en tegelijkertijd de absurditeit van je eigen geloof in te zien en erom te lachen,’ merkt de filosoof Lyman Tower Sargent, een van de grootste utopieënexperts, op. Utopieën zetten net als humor en satire de ramen van het denken open. En dat is hard nodig, want naarmate mensen en samenlevingen ouder worden raken ze gewend aan de status quo, waarin vrijheid een gevangenis kan zijn en de waarheid een leugen. Het geloof van vandaag – of erger nog, het geloof dat er geen geloof meer over is – maakt ons blind voor de kortzichtigheid en het onrecht dat nog altijd om ons heen is. Ik noem maar wat: waarom zijn we sinds de jaren tachtig steeds harder gaan werken terwijl we rijker zijn dan ooit? Waarom gebruiken we een maatstaf van vooruitgang, het bbp, die vooral geschikt is voor een land in oorlog? Waarom is meer dan 60 procent van je inkomen afhankelijk van het land waar je toevallig geboren bent? Utopieën hebben geen pasklare antwoorden, laat staan oplossingen. Maar ze stellen wel de goede vragen. Dit is een boek voor de inwoners van Luilekkerland. Het is bedoeld voor iedereen met een dak boven zijn hoofd, een redelijk inkomen en de kans om iets moois te maken van het leven. Want juist wij, de geluksvogels van Cocagne, hebben nood aan nieuwe vergezichten. Het wordt tijd om nieuwe utopieën uit te werken, ze zo goed mogelijk te onderbouwen en er voorzichtig mee te experimenteren. De geschiedenis wordt immers niet bepaald door machines, apps en algoritmes, laat staan voorspeld door trendwatchers, maar geregeerd door mensen en hun ideeën. Het begint, zoals altijd, in het klein. De fundamenten van wat we nu beschaving noemen, zijn ook ooit begonnen in de hoofden van wereldvreemde dromers. De Spaanse monnik, Bartolomé de las Casas (1484-1566) pleitte voor een gelijkwaardige relatie tussen kolonisten en de oorspronkelijke bewoners van Latijns-Amerika. Hij probeerde een kolonie te stichten waar iedereen een goed loon zou krijgen. De fabriekseigenaar Robert Owen (1771-1858) pleitte voor de emancipatie van de Engelse arbeiders. Hij runde zelf een succesvolle katoenspinnerij waar hij zijn medewerkers een fatsoenlijk loon betaalde en lijfstraffen verbood. De liberaal John Stuart Mill (1806-1873) vond dat zelfs vrouwen en mannen aan elkaar gelijk zijn. (Dat had misschien ook iets te maken met zijn vrouw, die zijn halve oeuvre heeft geschreven.) Een ding is zeker: zonder al die wereldvreemde dromers die de geschiedenis rijk is, zouden we nog steeds arm, hongerig, bang, vies, dom, ziek en lelijk zijn. We kunnen niet zonder de utopie. Juist in deze tijd, waarin de beelden van morgen steeds weer uit de blauwdruk van vandaag komen, is er behoefte aan nieuwe dromen. Niet dat het heden slecht is, integendeel. Maar treurig is het wel, als het niet meer beter wordt. ‘De mens heeft voor zijn geluk niet alleen het plezier van de dingen nodig, maar ook hoop, verandering en vooruitgang,’ schreef de Britse filosoof Bertrand Russell lang geleden. Elders noteerde hij: ‘Het is geen afgerond Utopia waar we naar moeten verlangen, maar een wereld waarin de verbeeldingskracht en de hoop levend en actief zijn.

Bestel dit boek

Lees verder