Aan de vooravond van de jongste Europese verkiezingen mochten slechts twee politici aanschuiven bij het debat van praatprogramma Pauw: Thierry Baudet en premier Mark Rutte. Waarom juist deze twee waren uitgenodigd, werd bij de aankondiging van meteen duidelijk gemaakt: ‘Wie wordt straks de grootste partij van Nederland, en hoe staan ze tegenover de Europese verkiezingen?’

Dezelfde avond voorspelde politiek verslaggever Arjen Noorlander in een spannende verkiezingsdag. De peilingen wezen op een tweestrijd tussen Forum voor Democratie en VVD. Voor ‘het gevoel’ was die tweestrijd belangrijk, aldus Noorlander. ‘Want welke partij wordt het grootst?’

Niet voor niets leidde de daadwerkelijke uitslag, een dag later bekend gemaakt, tot enige schaamte bij journalisten. De grootste partij bleek niet VVD of Forum: de PvdA zegevierde.

Philippe Remarque, hoofdredacteur van de Volkskrant, erkende verrast te zijn door de winst van de PvdA. ‘Maar we waren in goed gezelschap. Opiniepeilers en politici voorspelden een nek-aan-nekrace tussen Forum en VVD’, ‘De kiezers schieten tegenwoordig van hot naar her.’

En Nieuwsuur-verslaggever Noorlander vond het ‘opvallend’ dat de tweestrijd tussen Forum en VVD niet terug te zien was Maar ja, vervolgde hij, die tweestrijd werd vooral geframed door die partijen zelf. ‘Zo van: wij gaan wel even bepalen wie er na die Provinciale Statenverkiezingen de grootste wordt.’

De vraag welke partij de grootste wordt is een vreemde  in de Nederlandse politiek. Vreemd, want deze vraag is voor Nederland niet zo relevant. In het politieke landschap van nu is een andere trend veel belangrijker geworden: de versplintering van het politieke landschap.

Wat is er mis met ‘de grootste partij’?

Laten we eens kijken naar een typisch uitslagenkaartje zoals we die na de laatste Provinciale Statenverkiezingen ook overal zagen opduiken. Het vertelt een dramatisch verhaal, van zeges en nederlagen en, als je het met andere jaren vergelijkt, van politieke verovering en verlies.


Het kaartje lijkt heel informatief, want datagedreven. De kaartjesmaker pakt een geografisch gebied en geeft dat de kleur van de grootste partij. Zo zie je welke partij waar ‘gewonnen’ heeft of hoe het electorale landschap verandert.

Als we deze gewonnen provincies nou eens op een rij zetten zie je in één oogopslag dat nieuwkomer Forum voor Democratie een grote winnaar is. Het CDA krijgt zelfs nog een provincie meer en lijkt de absolute ‘winnaar’. De VVD ‘wint’ er slechts twee: Noord-Brabant en Gelderland. En de ooit grote PvdA moet het met maar één provincie doen: Drenthe.

Maar deze weergave is volstrekt misleidend. Het kaartje laat zien hoe het electorale landschap eruit zou zien als de grootste partij de hele provincie zou ‘krijgen’ en de overige partijen buitenspel zou zetten. (Bekijk vanaf nu ook de meebewegende

Zo’n meerderheidsstelsel, waarbij de grootste zegeviert en er met de buit vandoor gaat, bestaat bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en veel Afrikaanse landen. Maar ons kiesstelsel werkt zo niet.

In ons systeem van evenredige vertegenwoordiging telt iedere stem mee. Zetels worden verdeeld op basis van het percentage stemmen dat een partij heeft gekregen. Toch zag je zulke kaartjes volop. Bij de en ook hier op

Laten we nu eens kijken wat er gebeurt als je gewoon de percentages van de stemmen laat zien. (Scroll daarvoor naar beneden en kijk onder in je scherm.)

Ineens oogt de uitslag een stuk minder dramatisch. Het CDA is sowieso niet ‘de winnaar’, en nieuwkomer Forum is dan wel de grootste, maar met slechts respectievelijk 0,5 en 3,5 procentpunt meer stemmen dan VVD en CDA.

De versplintering van het politieke landschap

Daarmee komen we direct bij de tweede reden waarom kijken naar de grootste misleidend is. Het druist regelrecht in tegen dé politieke trend van de laatste vijftig jaar, die je in vrijwel alle westerse democratieën ziet: de versplintering van het politieke landschap.

Nu denk je bij versplintering misschien aan een massief blok van partijen, dat spectaculair uiteengeslagen is tot een chaos van splinters. Zo’n beeld van splinters wordt regelmatig maar klopt niet.

Kijk maar eens hoeveel partijen er in het parlement zitten.

Je ziet: het aantal partijen in de Tweede Kamer is verrassend stabiel. In 1972 piekt het aantal partijen en daarna schommelt het tussen de tien en

Het valt dus wel mee met de toegenomen chaos van splinterpartijtjes.

We moeten versplintering dan ook anders opvatten: de grote blokken zijn veel kleiner geworden en de splinters groter.

De teloorgang van de brede volkspartijen

Jarenlang werd de Nederlandse politiek gedomineerd door drie grote stromingen die hun wortels hadden in de politiek-ideologische tegenstellingen van begin vorige eeuw: christendemocraten, liberalen en sociaaldemocraten. Het was haast een natuurwet, een vanzelfsprekendheid, dat hun in wisselende combinaties meerderheden in het parlement konden vormen.

Maar kijk eens naar het verloop van het totale aantal zetels van die partijen. Je hebt meteen door: die ‘natuurwet’ gaat niet meer op.

Hoe kan dat?

Om de versplintering te begrijpen moeten we terug naar de vooravond van de verkiezingen van 1967. Het jonge kandidaat-Kamerlid Ed van Thijn  ‘Politici zien een campagne als een lastige onderbreking van hun dagelijkse beslommeringen en verkeren in gedachten al bij het ‘echte’ hoogtepunt in ons politieke leventje, nl. de kabinetsformatie.’

Een paar maanden na Van Thijns cynische observatie klinkt het startschot van de versplintering: een pas opgerichte partij breekt alle electorale wetten. D66, met haar boodschap van haalt vanuit het niets zeven zetels – onbestaanbaar in het zo

Verkiezingen zijn tot 1967 bijna rituele volkstellingen

Onbestaanbaar, want verkiezingen zijn tot 1967 bijna rituele volkstellingen. Kerkgenootschap en sociale klasse bepalen in het sterk verzuilde Nederland – net als in veel andere Europese landen – de partijkeuze. Sociaal-democraten, confessionelen en liberalen kunnen rekenen op een vaste loyale achterban.

Maar in de jaren zestig verschijnen er diepe barsten in de zuilen. De katholieke zuil stort volledig in. Zoals je ziet blijft van de grote  weinig over.

Wie daarvan profiteren? In eerste instantie de PvdA en de VVD. Zij gaan op jacht naar de stem van de katholieke middenklasse.

De tanende christelijke partijen KVP, ARP en CHU verbinden hun electorale lot aan elkaar. In 1980 fuseren zij tot het CDA.

Maar de ingezette trend blijkt onomkeerbaar. De Lijst Pim Fortuyn haalt in 2002 uit het niets 26 zetels en deelt een mokerslag uit aan de regerende volkspartijen. De PvdA halveert en de VVD verliest een derde van de stemmen. De verpulvering van die twee, en het snelle succes van de nieuwkomer, passen binnen de grote trend van versplintering: kiezers zijn niet meer loyaal aan één partij.

De groten worden nog kleiner...

Als de grote volkspartijen kleiner worden maar er niet meer partijen bijkomen, dan kan dat maar één ding betekenen: de stemmen worden gelijkmatiger over meerdere partijen uitgesmeerd.

En dat is precies wat je ziet gebeuren.

Aan de progressieve zijde zie je D66 en (de voorlopers van) GroenLinks opkomen.

En ook de partijen die daar nog links van staan (SP, Partij voor de Dieren), al schommelen die wat meer.

Ook rechts raakt versplinterd. Vanaf 2002 ontstaat een rechts-radicale stroming, eerst vertegenwoordigd door de LPF, toen door PVV en nu ook door Forum voor Democratie.

En nog enkele kleine partijen die een vrij stabiele aanhang hebben, omdat hun kiezers zich in hoge mate bewegen langs religieuze lijnen, zoals ChristenUnie, SGP en DENK.

Wat betekent dit?

We hebben nu het punt bereikt dat zelfs de drie grote volkspartijen samen geen meerderheid hebben in de Tweede Kamer.

De tijd van de grote partijen is voorbij, stelt oud-PvdA-voorzitter en politicoloog Ruud Koole dan ook vast. ‘Je kan als partij steeds minder massa’s aan je binden. Soms kan je het even goed doen, en pieken, zoals Diederik Samsom in Maar vervolgens kan je ook heel

Met deze teloorgang van grote partijen ontstaat een nieuw politiek landschap. Niet van splinters maar van een pluriforme groep van middelgrote partijen. Politicoloog Tom van der Meer noemde onlangs de grootste partij in Nederland ‘de grootste smurf in het  We zien een aantal electorale blokken – progressief, radicaal-rechts, radicaal-links – waarbinnen weliswaar beweging is, maar die samen redelijk stabiel zijn en de omvang benaderen van die van de oude volkspartijen.

Versplintering moet je dus niet al te letterlijk nemen. Het zijn geen splinters. Wat wel gebeurt, is een gelijkmatigere verdeling van de zetels.

Wat intussen tijdens campagnes gebeurt

Het gekke is dat je de effecten van versplintering nauwelijks terugziet in de verslaggeving over verkiezingen. Die worden namelijk steeds meer verslagen als een spannende wedstrijd. De politiek als arena, het liefst met twee strijdende partijen.

Media verslaan de verkiezingen als een spannende wedstrijd, het liefst met twee strijdende partijen

Vragen die je tegenkomt: Wie ligt er voor? Wat is de strategie? Het is een aantrekkelijke vorm van journalistiek, want makkelijk.

Neem de Tweede Kamerverkiezingen van 2012. Toen ging de ‘tweestrijd’ tussen PvdA en VVD. Wie toen – al dan niet opgehitst door hijgerige berichtgeving – strategisch op de één dacht te stemmen, om de ander uit het kabinet te houden, kwam bedrogen uit: de ‘rivalen’ eindigden samen in een coalitie.

En ook recent, met de Europese verkiezingen, stuurden Forum en VVD op een tweestrijd aan en werden ze wederom voortreffelijk bediend door de media.

Ondertussen kregen veel andere partijen nauwelijks aandacht tijdens de verkiezingen, terwijl zij in de peilingen vaak maar een fractie kleiner waren dan de twee grootste. De parlementaire journalistiek doet de kiezer hiermee ernstig tekort.

Deze versplintering is voor de democratie namelijk best positief.

Wat versplintering ons brengt

Kiezers hebben de ketenen van hun sociale klasse en geloof afgeworpen en zijn daadwerkelijk gaan kiezen op basis van onderwerpen die ze belangrijk vinden.

Tegelijkertijd stelt de versplintering enkele ingesleten tradities zwaar op de proef. In veertig jaar is er geen regering geweest waaraan niet twee van de drie traditionele volkspartijen deelnamen en altijd leverde één ervan de minister-president.

Die partijen, PvdA, CDA en VVD, verliezen hun vaste grote trekkersrol bij de politieke machtsvorming: steeds meer partijen moeten aanschuiven voor een meerderheid. Het gevolg is nog meer compromissen, nog meer water bij de wijn en een nog groter risico voor partijen dat hun politieke kleur verbleekt bij kabinetsdeelname. En dus ook een groter risico dat kiezers ze afstraffen bij de volgende verkiezingen.

Partijen die nog aan de knoppen willen draaien, zullen dus nieuwe bestuursvormen moeten vinden. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat de traditionele meerderheidscoalities met dichtgetimmerde regeerakkoorden worden ingeruild voor een  

We kunnen al een glimp van deze nieuwe bestuursvormen opvangen in het huidige bestuur van Limburg. De versplinterde uitslag bij de Provinciale Statenverkiezingen maakte een reguliere meerderheidscoalitie politiek onmogelijk.

Uiteindelijk is er een creatieve oplossing gevonden: CDA, VVD, PVV en Forum voor Democratie zitten wel samen in een college, maar zonder een dichtgetimmerd coalitieakkoord.

Het college moet dus, net als een minderheidskabinet in Den Haag, voor de afzonderlijke plannen op zoek naar wisselende meerderheden. Zo kan een coalitiepartij toch afstand nemen van een specifieke maatregel van een ideologisch tegengestelde coalitiepartner.

In dat college neemt ook nog eens een GroenLinks-boegbeeld plaats, Carla Brugman. Voor sommige plannen zou zij met een deel van de zo verdeelde Staten deals kunnen sluiten. Normaliter is zo’n stap – een groene zetel in een verder rechtse coalitie – politieke zelfmoord. De Limburgse GroenLinks-afdeling wil haar daarom per direct royeren. Maar misschien kunnen de Limburgse kiezers de politieke moed van Brugman in een versplinterd landschap juist waarderen.

Voor dit artikel hebben wij veel gehad aan de achtergrondgesprekken met Ruud Koole, hoogleraar politicologie, Nederlandse politiek en haar institutionele ontwikkeling aan de Universiteit Leiden. Dit artikel is mede tot stand gekomen met financiële steun van het  

Meer lezen?

Maakt Europa een enorme ruk naar rechts? Dit zeggen de data Wie het nieuws volgt, is geneigd te denken dat Europa ‘rechtser’ wordt en de euroscepsis toeneemt. Maar daarbij kijken we meestal alleen naar losse verkiezingen. Als je alle verkiezingsuitslagen over een lange periode in heel Europa op een rij zet, wat zie je dan? Lees mijn verhaal hier terug Operatie Democratie 2019: laat de politiek weer van iedereen worden Dat in Nederland de gele hesjes nog niet massaal stoplichten omverhalen of het Torentje van Mark Rutte in de fik zetten, wil niet zeggen dat onze democratie goed functioneert. Het rapport van de Staatscommissie-Remkes over democratische vernieuwing komt dan ook geen dag te vroeg. Haar voorstellen negeren is een recept voor grote problemen. Lees het verhaal van Marc Chavannes hier terug