‘Door de eerste liberale economen werd grondwaardestijging, waarmee kapitaal werd vergaard, met afgrijzen aanschouwd’. Dit stuk grond komt uit het Beatrix Park en is 40 euro per m2 waard. Foto: WassinkLundgren

Mark Rutte had tijdens de verkiezingscampagne in 2010 alle liberale stokpaardjes bereden: belastingen op de hogere inkomens waren ‘jaloeziebelastingen’ (‘Wat ze zelf niet hebben, mogen anderen ook niet hebben’); de erfbelasting een ‘sterftaks’ (‘De meest onrechtvaardige belasting’) en de bijstand moest op termijn maar worden afgeschaft (‘We moeten de onderklasse activeren’). 

Met succes: hij zou in 2010 voor het eerst premier worden. Een historisch moment, wist Rutte, die geschiedenis heeft gestudeerd. Sinds Pieter Cort van der Linden (1846-1935) was er geen Nederlandse premier van liberale huize meer geweest. ‘Ik voel een zekere verwantschap met hem en niet alleen omdat hij mijn liberale betovergrootvader is in dit ambt,’ oreerde Rutte in zijn eerste regeringsverklaring. Net als het kabinet-Van der Linden stond het eerste kabinet-Rutte voor grote hervormingen, aldus de premier. 

Van der Linden zou echter menig pirouette in zijn graf maken bij het zien van Rutte’s invulling van het liberalisme. Het liberalisme van Van der Linden, Een liberaal kamerlid. De vele straatbordjes die zijn naam dragen heeft hij vooral te danken aan zijn rol in het afschaffen van de Nederlandse kinderarbeid (het zogenaamde ‘kinderwetje van Van Houten’). (1837-1930) en Een liberaal econoom. Hij was gemeenteraadslid voor de radicale liberalen in Amsterdam en zou later minister van financiën worden in het kabinet van Van der Linden. (1858-1931) was van een totaal andere toon en aard. Wie vandaag de dag het werk van deze liberalen leest, denkt waarschijnlijk dat hij een communistisch, revolutionair pamflet aan het lezen is. 

‘Men is getuige geweest van de beursmanoeuvres, waardoor in korte jaren speculanten millioenen samenraapten,’ schreef Van der Linden over zijn tijd. ‘Men heeft gezien hoe Een naam voor oprichters van Duitse en Oostenrijkse ondernemingen van 1850-1873. Dit waren dikwijls ondernemingen van dubieuze aard, die toen in 1873 de beurskrach kwam ineenstortten. zakken ledigden van talrijke slachtoffers en de spaarpenningen van armen en weezen in enkele avonden verbrasten [...] Men heeft het gezien hoe industriëelen en planters door lage loonen, door de armoede en ellende van duizenden arbeiders tot machtige kapitalisten zijn geworden. Op zulke wijze wordt in onzen tijd [...] het gevoel van onrecht geprikkeld en levendig gehouden.’

Dat een liberaal als Van der Linden zich zo laatdunkend uitlaat over de wijze waarop de grote inkomens vergaard zijn, zal misschien verbazen. Toch was het de liberale norm aan het eind van de negentiende eeuw. Niet omdat deze liberalen crypto-socialisten waren, maar omdat ze hun liberale uitgangspunten serieus namen. 

Onverdiend inkomen

Liberalisme is de doctrine van eigen verantwoordelijkheid, van afwijzing van staatsinmenging en van geloof in particulier initiatief. Mensen zijn niet gelijk en kunstmatige gelijkheid van inkomen is niet nastrevenswaardig. Geen socialistisch ‘van ieder zijn vermogen naar elk volgens hun behoeften,’ maar het liberaal ‘ieder arbeidende naar zijn vermogen en Een citaat uit Cort van der Lindens Vrijheid en Hervorming genietende naar zijn verdiensten.’ Het doel is niet gelijkheid van uitkomsten, maar gelijkheid van kansen.

Tot zover weinig verschil tussen Rutte en zijn laat negentiende-eeuwse voorgangers. Bij de invulling van dat liberale ideaal van de ‘produktieve deugd’ – dat ieder de vruchten moet plukken van zijn eigen arbeid – scheiden de wegen zich echter drastisch.

Liberalisme was een rebelse beweging. De noeste arbeid van de middenklasse werd afgezet tegen het ‘parasitisme’ van de rentenierende profiteurs aan de bovenkant

Liberalisme was in de negentiende eeuw in menig opzicht een rebelse beweging. De noeste arbeid van de middenklasse werd afgezet tegen het ‘parasitisme’ van de rentenierende profiteurs aan de bovenkant. ‘Ieder die nadenkt over de verhoudingen van den mensch Dat wat er allemaal in materiële zin geproduceerd wordt. zal getroffen worden door het feit dat vaak hij die arbeidt, arm is, terwijl hij die ledig door het leven gaat zich baadt in overvloed,’ stelde Van der Linden vast. 

Steeds meer Nederlandse liberalen raakten er aan het eind van de negentiende eeuw van doordrongen dat het ‘vrije spel van economische krachten,’ de negentiende-eeuwse benaming voor marktwerking, er dikwijls voor zorgde dat het liberale ideaal uit zicht raakte. 

De inrichting van de maatschappij zorgde er niet vanzelf voor dat hij die produceert, ook verdient. Niet elke vorm van inkomen was gelijk. Volgens John Stuart Mill, de Britse filosoof-econoom en zo mogelijk de bekendste liberaal van de negentiende eeuw, bestond er zogenoemd ‘unearned income’. Er waren klassen in de maatschappij die door toeval, regelgeving en omstandigheden, een groter deel van de nationale productie kregen toegewezen dan hun maatschappelijke verdiensten rechtvaardigden. In zulke gevallen was het zelfs voor de rechtgeaarde liberaal geoorloofd om in te grijpen. ‘Het zijn niet verdiende, maar onverdiende fortuinen, die, om de publieke zaak te waarborgen, beperkt moeten worden,’ concludeerde Mill.

De vraag is: wat is zulk onverdiend inkomen?

 

Toeval van de geboorte 

Op nummer één van de Quote 500 van rijkste Nederlanders, prijkt Charlene de Carvalho-Heineken. Haar vermogen heeft ze vooral te danken aan de erfenis van vader Freddy. Bij zijn overlijden in 2002 erft Charlene een aandelenpakket ter waarde van 3,7 miljard euro. Daarmee is Charlene op slag de grootste aandeelhouder in bierbrouwer Heineken en één van de rijkste Nederlanders.    

John Stuart Mill zou er niet blij mee zijn geweest. Voor hem was geërfd inkomen bij uitstek een vorm van ‘onverdiend inkomen’. Charlene heeft het gros van haar inkomen immers niet te danken aan haar eigen inzet, maar aan de inzet van haar vader. Het toeval van geboorte wil dat de één door overerfenis rijk wordt geboren en de ander arm. Dat heeft niks met de ‘produktieve deugd’ te maken, maar met het aristocratische ideaal waarin de verschillende klassen van de maatschappij al vastliggen.

Mill stelde daarom voor om het erfrecht te beperken en erfenissen en giften extra te belasten, zodat inkomsten en verdiensten met elkaar in overeenstemming kwamen. 

Het contrast met de moderne liberaal kan op dit punt niet groter. ‘Het is de minst rechtvaardige van alle belastingen,’ zei Rutte in 2008 nog Lees hier het artikel in de Telegraaf. over de erfbelasting. ‘Je hele leven betaal je al belasting en als je per ongeluk wat overhoudt, komt het blauwe gevaar nóg een keer langs.’ Op termijn, zo vond onze huidige premier, moest deze ‘sterftaks’ maar volledig afgeschaft worden. En daarmee zou het aristocratische beginsel van overerfenis bestendigd worden. Conservatief, niet liberaal beleid, wisten Mill en de zijnen. 

‘De ridders van de conjunctuur’

World Online werd het toonbeeld van de internetzeepbel, de financiële gekte aan het begin van vorig decennium. In 2000 brachtten zakenbanken Goldman en ABN AMRO het bedrijf naar de beurs voor een introductiekoers van 43 euro per aandeel (bedrijfswaarde: 12 miljard euro). Daarmee was World Online in een klap meer waard dan veel gevestigde namen in het Nederlandse bedrijfsleven. Veel soeps was het niet. De aandelen kelderden kort na de beursgang en uiteindelijk werd het bedrijf met een koersverlies van 83 procent verkocht aan de Italiaanse telecomgigant Tiscali.

Toch werd een aantal mensen schatrijk door de mislukking van World Online. Oprichter Nina Storms kwam er, met een geschat vermogen van 240 miljoen euro, goed van af. Nog beter scoorde Dik Wessels, nummer drie in de Quote 500, met een geschat vermogen van 2,1 miljard. Hij verdiende ongeveer 600 miljoen euro aan de beursgang van World Online. 

De negentiende eeuw werd, net als onze tijd, geplaagd door financiële excessen. De internetbubbels van die tijd - Britse kanalen, Amerikaanse spoorwegen, Surinaamse waardepapieren, Duitse banken - richtten evenveel financiële schade aan als de bubbels van nu. ‘Met een regelmatigheid welke bijna aan eene wet zou doen denken, zijn in onze eeuw de tijden van voorspoed, crisis en malaise elkaar opgevolgd,’ zo constateerde van der Linden in 1887. De volgende financiële krach – ditmaal was speculatie in Argentijnse staatsobligaties de aanstichter – zou drie jaar later volgen.

Van der Linden analyseerde de oorzaken van de financiële crises en oordeelde hard over de speculerende elite, de ‘ridders van de conjunctuur’

Van der Linden analyseerde de oorzaken van de financiële crises en oordeelde hard over de speculerende elite, de ‘ridders van de conjunctuur’. Een nieuwe klasse, die door ‘spel en toeval’ rijk was geworden. Een klasse ‘welke uit bekwame en gelukkige, maar niet zelden weinig fijn beschaafde burgers is samengesteld, eene klasse ... die weldra in invloed en aanzien de oude aristocratie evenaarde en zelfs overtrof.’

In beeldende taal Lees hier het artikel van Cort van der Linden uit 1886 beschreef hij de wijze waarop het grote geld verdiend werd in die jaren. ‘Door de groote geldmannen worden leeningen aan de markt gebracht zonder eenigen waarborg of mogelijkheid van slagen en wanneer de Een ouderwetsche benaming voor aandelen snel dalen en de kleine man bedrogen uitkomt, zijn de winsten der grooten reeds lang in veilige haven. De koersen worden geforceerd, door valsche berichten op- en afgedreven en stelselmatig het publiek om den tuin geleid en uitgeschud. Schurkenstreken zijn bedreven op groote schaal waartegen de wet machteloos was, en, waar de wet al sprak, bleef vaak de justitie stom.’

De ‘produktieve deugd’, het goed burgerschap dat de liberalen voorstonden, was hier ver te zoeken. ‘De ridders van de conjunctuur’ verdienden immers hun geld met activiteiten ‘welke met arbeidzaamheid of verdienste in geenerlei verband staan.’ Het financiële spel was hun beroep en de maatschappelijke meerwaarde van dit spel was volstrekt onduidelijk.

Dat zag Van der Linden niet zitten. De financiële sector moest op de schop: er moest scherper toezicht komen op financiële instellingen (indertijd waren er nog geen toezichthouders als de Autoriteit Financiële Markten of De Nederlandsche Bank). En, verrassend voor een liberaal, de staat moest het goede voorbeeld geven door zelf bankinstellingen op te richten. Hij was dan ook een groot voorstander van de oprichting van Die kwam er in 1881. Arnold Kerkdijk (1846-1905), een liberaal politicus, zou de eerste directeur worden van de Rijkspostspaarbank. en pleitte voor oprichting van een staatsverzekeringsmaatschappij.

Ironisch genoeg zou, een kleine honderd jaar later, een liberaal kabinet de Postbank privatiseren. 

Ironisch genoeg zou, een kleine honderd jaar later, een liberaal kabinet de Postbank privatiseren. De overheid behoorde juist geen oneerlijke concurrentie te voeren met het bedrijfsleven, vonden de liberalen. De Postbank fuseerde in 1989 met de NMB Bank om uiteindelijk op te gaan in de grote bankverzekeraar ING Bank.  

Van der Linden wilde verder een progressieve vermogensbelasting om de geldelite aan te pakken. Sparen was een deugd, maar voor de rentenier was het makkelijk sparen. Naarmate iemand vermogender is, ondervindt hij minder genot aan zijn geld, veronderstelde van der Linden. De eerste Ferrari (of in zijn tijd waarschijnlijk een kekke koets) levert nog veel genot op, de tweede al wat minder, en de derde nog minder. Als de vermogende rentenier een deel van zijn geld spaarde, gaf hij daar eigenlijk steeds minder genot voor op. Toch kreeg hij voor 1000 euro evenveel rente als voor 100 euro. 

Onterecht vond Van der Linden. Rente was in zijn wereld een beloning voor de moeite van het sparen. Als die moeite kleiner is, dan moet ook de beloning kleiner zijn. Een vermogensbelasting was hier op zijn plaats. Hoe anders dan bij de huidige liberalen van de VVD. Onlangs beklaagde kamerlid Helma Neppérus zich nog over de drukkende vermogensbelasting in deze tijden van lage rente.

 

Vastgoedpartij VVD

Eén van de voornaamste wijzen waarop kapitalen in het afgelopen decennium werden vergaard, was met vastgoed. Als fruitvliegen op een rotte banaan cirkelden de makelaars, projectontwikkelaars, huisjesmelkers, vastgoedadviseurs, architecten, woningspeculanten en banken rond de fruitschaal van de vastgoedmarkt. Prijzen van woon- en kantoorruimte stegen exorbitant.

Als het over vastgoed gaat, gaat het eigenlijk over de grond. De stenen zelf worden alleen maar minder waard. Toch stijgt de waarde van woningen, kantoren en ander vastgoed in de regel. Dat is niet omdat de stenen meer waard worden, maar omdat de grond waarop gebouwd is, meer waard wordt.  

Stel, iemand had rond 1995 lappen grond aan de Amsterdamse Zuidas gekocht. Plots besluit de gemeente: er moeten wolkenkrabbers komen, spoorlijnen, metro’s, de Zuidas moet het zakelijk hart van Amsterdam worden. Op slag stijgt de waarde van de grond. Niet omdat de grondbezitter zich daar nou zo voor heeft ingespannen, maar omdat de locatie, door de inzet van de gemeenschap, aantrekkelijker wordt.

Als één van de laatste partijen hield de VVD vast aan het behoud van de hypotheekrenteaftrek, het omgekeerde van wat de 19-eeuwse liberalen voor ogen hadden, namelijk een belasting op grondbezit

Door Adam Smith en David Ricardo, de eerste liberale economen, wordt zulke grondwaardestijging met afgrijzen aanschouwd. Niet in de laatste plaats omdat de grond in het Groot-Brittanië van begin negentiende eeuw grotendeels in handen was van een kleine groep aristocraten. Zulke ‘grondrente’ was bij uitstek een vorm van onverdiend inkomen.

Het grote vastgoedspelletje viel aan het eind van de negentiende eeuw vooral samen met de bouw van spoorwegen en telegrafen. De toepassing van telegrafen, spoorwegen en stoommachines van allerlei aard zorgde volgens Van der Linden voor ‘de sterke stijging der grondrenten en de onophoudelijke stroom van het platteland naar de zich vormende centra van verkeer’. Hierdoor verkregen ‘enkele gelukkige eigenaars ... al slapende duizenden en millioenen’.

Net als bij het erfrecht en de financiële winsten, was overheidsingrijpen hier dus gerechtvaardigd. Alleen over de manier waarop, verschilden de liberalen van mening. John Stuart Mill stelde voor om een fikse grondbelasting te heffen. ‘Grondeigenaren ontvangen een speciaal voordeel ten opzichte van andere eigenaren, en daar behoren ze voor te betalen,’ constateerde hij.

In Nederland kozen de liberalen liever voor een andere – radicaler - methode: landnationalisatie. Het liberale Amsterdamse gemeenteraadslid Treub werd later ook minister van financiën in het kabinet van Cort van der Linden tijdens de eerste wereldoorlog. (1858-1931) voerde in 1896 Bij erfpacht huurt de woningbezitter in feite de grond van de gemeente. Op die manier komt de ‘grondrente’ toe aan de gemeente, in plaats van aan de particuliere grondbezitter. in. Hij stelde voor om ‘de waardevermeerdering van bouwterreinen, om en nabij de zich uitbreidende steden te doen toekomen aan de gemeente.’ Het was immers de ‘plaatselijke gemeenschap’ die door infrastructuur aan te leggen, door commerciële activiteiten te ontplooien, en het gebied in algemene zin aantrekkelijker te maken, van ‘die waardevermeerdering de eenige oorzaak is.’

Ook hier is het verschil met het heden duidelijk voelbaar. De VVD is de vastgoedpartij van Nederland. ‘Een stimulerend effect op [de woningmarkt], en daarmee op de bouwproductie en de werkgelegenheid in de bouw, worden in de komende kabinetsperiode alleen bereikt via de maatregelen uit het verkiezingsprogramma van de VVD,’ concludeerde het - niet geheel neutrale - Economisch Instituut voor de Bouw bij de doorrekening van de verkiezingsprogramma’s in 2012. Als één van de laatste partijen hield ze vast aan het behoud van de hypotheekrenteaftrek, een subsidie op vastgoedbezit, en het omgekeerde van wat de negentiende-eeuwse liberalen voor ogen hadden – namelijk een belasting op grondbezit. Nog ironischer: de Amsterdamse VVD probeert al tijden het erfpachtstelsel af te schaffen. 

Wat is waarde?

Tegenwoordig gebruiken liberalen nog wel de retoriek van de produktieve deugd - de hardwerkende Nederlander, de mensen die wél de handen uit de mouwen steken - maar het heeft al lang niet meer dezelfde betekenis als het had bij haar negentiende eeuwse voorgangers. Menig vorm van inkomen die de vroegere liberaal veroordeelde, wordt door de hedendaagse liberaal juist toegejuicht. Eigenlijk ben je maar een zuur links figuur als je de inkomensvergaring van onze economische winnaars bekritiseert. Terwijl het ‘onverdiend inkomen’ een liberale vinding is.

Vrijwel alle economen in de negentiende eeuw deelden de economie op in verschillende klassen (grootgrondbezitters, kapitalisten en arbeiders). Hier vloeide een economische analyse van de inkomensdistributie uit voort. Daarbij was ook de enigszins filosofisch aandoende vraag wie nu eigenlijk maatschappelijke waarde creëerde,  Karl Marx gebruikte in feite hetzelfde analytisch apparaat als de liberalen, alleen trok hij het tot in het extreme door. Alle maatschappelijke waarde was te herleiden tot de arbeidersklasse, en daarmee waren alle andere vormen van inkomen onrechtmatig. Onverdiend inkomen ontstond wanneer er klassen waren die verdienden, zonder waarde te creëren.

De filosofische vragen van weleer zijn terzijde geschoven, maar niet opgelost. Nog altijd wordt het liberale rechtvaardigheidsgevoel geprikkeld door de velen die verdienen zonder inzet

Een nieuwe school in de economie, de marginalisten, maakte een einde aan de klasse- en waardeanalyse van weleer. De marginalisten hielden zich niet meer bezig met de vraag wie nu eigenlijk ‘waarde’ creërde. Een heilloos vraagstuk vonden ze. Waarde was subjectief, niet objectief. Want als twee partijen vrijwillig besluiten om tot een overeenkomst te komen, denken beide partijen dat ze beter af zijn. Of zoals Eén van de belangrijkste prijzen in de economie draagt nog altijd zijn naam: de John Bates Clarke Medal. één van de grondleggers van het marginalisme, het in de openingszin van zijn Lees hier de eerste zinnen van zijn boek: ‘The Distribution of Wealth’ magnum opus stelde: ‘Het is het doel van dit boek om te laten zien dat de distributie van inkomen gereguleerd wordt door een natuurwet die, wanneer deze zonder frictie haar werk kan doen, aan ieder doet toekomen wat hij of zij produceert.’ En zo was er geen probleem meer van ‘onverdiend inkomen’, zolang de natuurwet, het spel van vraag en aanbod, maar ongeremd haar heilzame werk kon doen.

De hedendaagse economie, net als het hedendaagse liberalisme, gaat nog immer uit van dit marginalisme. ‘De vrije marktorde is in economische zin de uitdrukking van het liberale uitgangspunt dat het individu zoveel mogelijk naar eigen keuze over zijn lot moet kunnen beschikken,’ zo valt in het VVD-beginselprogramma te lezen. ‘Een vrije markt biedt de meest efficiënte toedeling van arbeid, kapitaal, goederen en diensten en is een voorwaarde voor een optimaal welvaartsniveau.’ Liberalisme is contextloos geworden. Het maakt niet uit hoe iets verdiend is. Zolang het in een vrije markt – wat dat ook moge zijn – geschiedt, is het terecht verdiend. 

De interessante filosofische vragen van weleer zijn terzijde geschoven, maar niet opgelost. Nog altijd wordt het liberale rechtvaardigheidsgevoel geprikkeld door de velen die verdienen zonder inzet. Cort van der Linden en John Stuart Mill zouden hoofdschuddend de Quote 500 lezen.

Natuurlijk, elke rechtgeaarde liberaal moet de kwantitatieve gelijkheid die socialisten nastreven, het ordinaire nivelleringsgeloof, afwijzen. Maar de liberaal zou ook beter kunnen kijken naar de kwalitatieve gelijkheid. De afgelopen decennia van toegenomen financialisering, van vastgoedspeculatie en groeiende ongelijkheid bieden volop aanleiding om eens te reflecteren op de vergaarde rijkdom. Is dit nu echt allemaal verdiend door knap ondernemerschap, of ook door ordinair rentenieren, door noeste arbeid, of ook door toeval en spel?

Misschien kan Rutte daar eens over nadenken als hij naar het portret van zijn liberale voorganger kijkt. 

 

  Gouden klompen grond De foto’s bij dit verhaal zijn afkomstig uit het project ‘This Land is Your Land, This Land is My Land’ van het Nederlandse fotografenduo WassinkLundgren, bestaande uit Thijs Groot Wassink (1981) en Ruben Lundgren (1983). Voor dit project hebben zij, beiden in driedelig pak en met een spade, monsters van de duurste stukken grond in Nederland genomen, op de Amsterdamse Zuidas. De foto’s van de klompen grond combineerden zij met een document van het Kadaster, waarop de herkomst en de prijs vermeld staat. Bestemmingsplannen van de grond bepalen de prijs, waardoor sommige klompen gras en zand vele duizenden euro’s waard zijn. Bekijk op hun site andere projecten van WassinkLundgren