De antropologie heeft een dubieuze rol vervuld tijdens de koloniale periode. Ze fetisjeerde en exotiseerde ‘de ander’ op het Aziatische, Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse continent. Antropologen produceerden zo kennis die de superioriteit van de koloniale mogendheden, en de inferioriteit van ‘exotische volkeren en stammen’ bevestigde.

Maar de ‘ander,’ die ben ik soms ook in eigen land, dacht ik vaak tijdens mijn studie antropologie.

Ik voelde me niet prettig bij het idee om ‘stammen’ in Afrika, Azië en Zuid-Amerika te gaan bestuderen en wilde veel liever de stilzwijgende vanzelfsprekendheden in Nederland onder de loep nemen - ik wilde de Nederlandse clan bestuderen. Toch leerde de studie mij snel dat ‘de’ Nederlander niet bestaat. Dat Bekijk hier de toespraak van prinses Máxima. vond prinses Máxima in 2007 ook, maar zij werd daar toen genadeloos hard op aangepakt, door Geert Wilders tot Paul Scheffer.

Mijn ‘stam’ werd de politieorganisatie, ik ging onderzoek doen in Politië. Mijn Lees hier Buiten veiliger dan binnen. proefschrift, Buiten veiliger dan binnen, beschrijft het in- en uitsluitingsproces van Turks-, Marokkaans- en Surinaams-Nederlandse politieagenten in een overwegend wit politiekorps. Dat onderzoek was tussen 2007 en 2011, maar de mechanismen die ik beschrijf gelden ook voor andere instituties, organisaties én alledaagse ontmoetingen. Wie er wel en niet worden uitgesloten, heeft structurele kenmerken.

Een van ons

Zo rijd ik tijdens een van mijn eerste meeloopdagen bij de politie mee met twee agenten op de noodhulp. Dat is de dienst die op 112-meldingen reageert. We hebben ongeveer een uurtje rondgereden zonder ook maar één melding te hebben ontvangen. Ik word er een beetje nerveus van. Dit is de noodhulp toch? Waar van alles gebeurt? Waar politieagenten binnen no time beslissingen moeten nemen?

‘Waarom wordt de deur opengemaakt voor een verdachte met een baard?’

Rennen en stilstaan, dat is politiewerk. Want opeens krijgen we een melding over ‘een auto te water.’ We sjezen eropaf. De brandweer is er al, evenals vier andere politieauto’s.

Beide agenten stappen uit. Ik moet wachten totdat de deur voor mij wordt opengemaakt, want dat kan op de achterbank niet van binnenuit. Daar zitten normaal de verdachten.

Verschillende agenten kijken op. ‘Waarom wordt de deur opengemaakt voor een verdachte met een baard?’ lijken hun blikken te zeggen. Wanneer we naar de groep agenten lopen, die in hun handen staan te wrijven omdat het zo koud is, merkt de agent met wie ik meeloop de verwarde en argwanende blikken van zijn collega’s ook op. Hij zegt: ‘Hij is een van ons.’

Geen van ons

Het laatste dat ik als jongere ooit had kunnen voorspellen, was dat ik in de toekomst voor de politie zou gaan werken. Dat ik er onderzoek zou doen. Dat ik ‘een van hen’ zou worden.

Niet omdat ik zo’n grote rebel was of crimineel gedrag vertoonde. Ik was na het voetballen op ons pleintje vaak in de bibliotheek te vinden. Maar onze voetbalpotjes werden iets te vaak vergezeld van politieaandacht. En ik betwijfel dat het de agenten om onze voetbalkunsten ging.

Zo was het ook tijdens mijn onderzoek. Soms was ik ‘van de politie,’ vaak juist niet. In- en uitsluiting ontstaat in concrete situaties, tijdens alledaagse ontmoetingen. Ik was vooral geïnteresseerd in de specifieke momenten waarin ‘ras,’ ‘etniciteit’ en ‘gender’ relevant werden. Waar wij-zij-lijnen precies komen te liggen.

Zo rijd ik op een andere observatiedag met twee agenten rond in Amsterdam-West. Het is gezellig in de auto, we keuvelen over van alles en nog wat. Ik voel me ‘een van de politie.’ We hebben al een poosje geen melding ontvangen, als we een klein straatje inrijden waar een zestal auto’s verkeerd geparkeerd staat. De ervaren hoofdagente en de jonge student met wie ik vandaag al meer dan vijf uur meerijd, beginnen als bezetenen bonnen uit te schrijven. De agenten vertellen mij dat een ‘Marokkaanse’ autogarage telkens de gerepareerde voertuigen in deze straat zet, terwijl dat niet mag. ‘We hebben ze al vaker gewaarschuwd,’ vertrouwt de agente mij toe. Ik knik, klinkt logisch.

Na een paar minuten komen drie mannen de autogarage uit lopen.

‘Hé, hé, wat doe je,’ schreeuwt er een.

‘Wat doet u!’ corrigeert de agente de jongen. ‘Dit is al de zoveelste waarschuwing. Jullie willen maar niet luisteren. Die auto’s mogen hier niet staan.’ Ze schreeuwt nu en zwaait met haar armen. Vervolgens draait ze zich om, negeert de jongens en gaat stug door met bonnen schrijven. Het leek me nu niet bepaald een ‘de-escalerende strategie.’

Ik sta er dus ook nog, de antropoloog, en aanschouw het tafereel op een erg, erg kleine afstand. Ik had nog net niet mijn handen op mijn rug.

‘Dit is al de zoveelste waarschuwing. Jullie willen maar niet luisteren’

De jongens gaan flink tekeer en er komen steeds meer mannen uit de autogarage naar buiten lopen. De situatie escaleert, in rap tempo. Er wordt gejoeld, geschreeuwd. De sfeer wordt grimmiger. Dan gaat het snel. De twee agenten stappen in de auto en rijden weg.

Met open mond kijk ik naar de wegrijdende politieauto. De mannen zijn ook stomverbaasd. Ze draaien synchroon hun gezichten naar me toe. Enkelen maken een ‘wie ben jij’-beweging met hun handen. Ik kijk naar de wegrijdende politieauto, in shock, en dan weer naar de mannen, verdwaasd.

Er wordt in de verte hard geremd, de politieauto komt tot stilstand. Dan maakt het voertuig een snerpend in-zijn-achteruitgeluid, vijftig meter lang. Ik groet de jongens en stap in, ga op de achterbank zitten. De politieagente draait haar hoofd om.

‘O, sorry, het spijt me zo. Ik dacht dat je bij hen hoorde.’

Maandelijks beschrijf ik voor De Correspondent een microrevolutie: een moment waarop ik te maken kreeg met vooroordelen, racisme of discriminatie en er iets mee deed. Dit was de eerste.

Lees ook:

Al onze verhalen over o.a. media, maatschappij en beeldvorming in je mail ontvangen? Je kunt je hier inschrijven voor onze maatschappij & hiphopnieuwsbrief. We versturen hem om de week, met elke keer een overzicht van al onze eigen producties, plus een overzicht van de mooiste verhalen en video's uit andere media. Schrijf je hier in Etnisch profileren bij de politie: ineffectief en onrechtvaardig Rapper Typhoon werd staande gehouden vanwege zijn dure auto en huidskleur, geeft de politie toe. Het is het zoveelste voorbeeld van etnisch profileren bij de dienst. Hoe komen we tot een rechtvaardiger politie-apparaat? Lees het verhaal hier terug Zo wordt Nederland weer een plek voor iedereen Sinds de politiek van Frits Bolkestein, Pim Fortuyn en nu Halbe Zijlstra is het integratiedenken in Nederland een assimilatieopdracht geworden: ik moet mezelf aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Tegelijkertijd word ik er voortdurend op gewezen dat ik te veel pigment in mijn huidcellen heb. Tijd voor microrevoluties. Lees het essay hier terug

Facebook
Twitter
LinkedIn
Whatsapp
E-mail