2015 was niet alleen het jaar waarin mijn moeder overleed, het was ook het jaar waarin ik een ongewoon groot aantal artsen en ziekenhuizen bezocht. Daarin leek ik op mijn moeder, want die deed hetzelfde, vooral de laatste jaren van haar leven. Op de avond van haar dood had ik geschreven dat ik maar mijn eigen moeder moest worden en qua artsenbezoek was ik daar in elk geval in geslaagd. Maar je kunt ook overdrijven.

Op dinsdagochtend had ik een afspraak met mijn dermatoloog in New York, een man voor wie ik warme gevoelens koester, gevoelens die zo warm zijn dat ze bijna liefde kunnen worden genoemd.

Ik had sinds 9 september een merkwaardige uitslag op mijn linkerscheenbeen. Eerst dacht ik dat het muggenbeten waren, toen meende ik dat het andere beesten waren, vlooien bijvoorbeeld, daarna dacht ik aan een soa. Een soa kan zich overal nestelen, ook op je linkerscheenbeen, maar ik had me recent op soa’s laten testen en ik was, zoals dat heette, ‘helemaal schoon.’

Toen ik op donderdag 17 september in de auto van Charles de Gaulle op weg naar Hotel Louis II in het zesde arrondissement zat en ik alle tijd had om mijn linkerscheenbeen nog eens goed te bestuderen, besloot ik dat het zo niet verder kon.

‘Ik haal gewoon de hechting eruit, dan is de wond weer open. En dan kan het pus eruit’

Ik belde met mijn dermatoloog en maakte een afspraak voor de daarop volgende dinsdagochtend. Woensdag was het Grote Verzoendag en niet dat ik erg gelovig ben of zelfs maar een beetje, maar het leek me toch beter om Grote Verzoendag met schone scheenbenen in te gaan.

Er geschiedde een wonder, in de loop van het weekend in Parijs verdwenen de bulten op mijn linkerscheenbeen. Ik wilde echter de afspraak niet afzeggen. Zoals ik al zei, mijn warme gevoelens voor hem grensden aan liefde.

Een goede vriendin zei: ‘Er is vast een reden waarom je daarheen gaat.’

Om dinsdag tien over negen was ik bij hem in de behandelkamer. Hij staarde naar mijn linkerwang en vroeg wat daar aan de hand was.

‘Ja,’ zei ik, ‘mijn verstandskies is getrokken. Een week geleden.’

‘Mmm,’ zei hij, ‘die bobbel had al weg moeten zijn.’ En daaraan voegde hij toe: ‘Ik ben geen tandarts, maar mag ik toch even in je mond kijken?’

Hij mocht overal in kijken, ook in mijn mond.

‘Daar zit nog een ontsteking,’ zei hij. ‘Ik ga mijn tandarts bellen.’

Hij kreeg hem niet te pakken, maar hij beloofde mij later op de dag te zullen bellen. In de tussentijd behandelde hij nog wat plekjes op mijn schouder, althans zijn Poolse assistente deed dat.

Aan het eind van de ochtend belde hij. Er was een afspraak gemaakt voor die middag.

Ik kwam bij de tandarts op de 86ste Straat, een vriendelijke, ja bijna joviale man op leeftijd, maar hij was vooral gehaast omdat Grote Verzoendag zo zou beginnen.

Ik hoefde dus niet lang te wachten. Er werden foto’s van mijn gebit gemaakt – er zijn nog nooit zoveel foto’s van mijn gebit gemaakt als de afgelopen weken. Na de foto te hebben bestudeerd zei de tandarts: ‘De kies is eruit, maar er zit nog een ontsteking. Ik ga je naar een kaakchirurg sturen. Ik hoop dat je een goede Grote Verzoendag hebt.’

Toen een uur later de kaakchirurg op de 34ste Straat mijn mond bekeek zei hij: ‘Het goede nieuws is dat ik je niet hoef te opereren. Ik haal gewoon de hechting eruit, dan is de wond weer open. En dan kan het pus eruit. Je moet na elke maaltijd gaan spoelen, en je gaat aan de antibiotica.’

‘Alweer?’ vroeg ik. ‘Sinds 15 augustus leef ik zo ongeveer op antibiotica.’

‘Je produceert pus,’ antwoordde de kaakchirurg, ‘dat krijgen we niet weg zonder antibiotica.’

De schrijver als producent van pus, of de mens, het hing er maar vanaf waar je de nadruk op legde.

Die avond zat ik in mijn favoriete Italiaanse restaurant.

‘Geen wijn?’ vroeg de manager.

‘Ik ben weer aan de antibiotica,’ zei ik.

‘O,’ zei hij, ‘maar met mijn wijn smaakt de antibiotica veel beter. Ik zat in het Italiaanse leger en we kregen om de haverklap antibiotica, en dan bedronken we ons tot we erbij neervielen.’

Hij schonk me een half glaasje in. ‘Een half glaasje kan geen kwaad,’ zei hij.

Ik dronk het voorzichtig op, ik zou het maar niet aan de kaakchirurg vertellen die ik de volgende week weer zou zien. Er kon veel over mij worden gezegd, maar in het Italiaanse leger zat ik niet.

Thuis ben je waar je niet meer bent dan je medisch dossier: medicijngebruik en verzamelde klachten.

Thuis ben je waar de ondergang eruitziet als David Beckham De Hotelmens is ervan overtuigd dat het einde nadert. Natuurlijk op licht ironische wijze, maar is een ironische dood niet ook een dood? In ieder geval is het reden om met zijn geliefde een chic hotel te bezoeken. Lees de column hier terug Thuis ben je waar ze je verstandskies gaan trekken De Hotelmens beleeft een zomer van pijn en genot. Net genezen van een Oezbeekse ontsteking, treft een Braziliaanse kiespijn hem. Welke ervaringen zijn echt en welke niet? Lees hier de column terug