Vandaag heb ik een record gebroken. Ik heb voor het eerst de plaats onthouden waar de zeven getallen om de beurt oplichten op het ronde speelbord. Lange tijd kwam ik niet verder dan zes.

Illustratie: Zeloot (voor De Correspondent)

Illustratie: Zeloot (voor De Correspondent)

Dit spel, dat ik met drie andere games zo’n vier keer per week speel, is onderdeel van een van Volgens een test die bij het programma hoort, is dit getallenspel zéér geschikt voor mij. Het zou namelijk mijn trainen. Hard nodig, want volgens de test valt mijn werkgeheugen uit de toon bij de rest van mijn

Ik ben me daar nooit echt bewust van geweest. Maar het zou kunnen verklaren waarom ik soms het gevoel heb dat mijn hersens op slot gaan als iemand probeert me de weg uit te leggen. En dat ik als een van de weinigen niet in staat was om mijn trage leestempo significant te verhogen na een snelleescursus. En het zou kunnen verklaren waarom twee van mijn zoons een dyslexieverklaring hebben. Een minder goed functionerend werkgeheugen – preciezer: een minder goed functionerend onderdeel van het werkgeheugen – aan leerproblemen als dyslexie. Daarnaast komt het voor bij mensen met AD(H)D.

Nu zou het natuurlijk geweldig zijn als we leerproblemen die gepaard gaan met dyslexie en AD(H)D, maar ook andere hersenproblemen (vergeetachtigheid als gevolg van ouderdom, hersenletsel als gevolg van een ongeluk) zouden kunnen oplossen met het spelen van dit soort computerspelletjes. Of meer in zijn algemeenheid: dat we onszelf nog slimmer zouden kunnen gamen.

Maar werkt het ook echt?

Om die vraag te kunnen beantwoorden, is het om te beginnen belangrijk om naar het uitgangspunt van dit soort trainingen te kijken. Dat komt erop neer dat ons brein plastisch is. Hersenen, zo is de breed gedragen opvatting onder breinwetenschappers, ontwikkelen zich niet autonoom maar in

Zo zijn de oplossingen die wij als mens kunnen vinden voor allerlei vraagstukken en problemen niet alleen ‘producten’ van het brein, maar wordt het brein zelf ook weer gevormd of versterkt door de moeite die wij doen om die oplossing te vinden. Je hersens functioneren dus beter als je ze uitdaagt.

Cogmeds spel zou volwassenen helpen om sneller op te knappen na een burn-out

Als dat het uitgangspunt is, is de hamvraag of het spelen van een aantal uitgekiende computerspelletjes je hersens in zijn algemeenheid ‘sterker’ maken, of dat die spelletjes er alleen maar voor zorgen dat je handiger wordt in die specifieke spelletjes.

Want dat eerste is een claim die door meerdere game-ontwikkelaars gedaan wordt. Als je bijvoorbeeld kijkt op de website van een van de serieuze spelers in het veld van de hersentrainingen – dan lijkt het alsof je die sprong van specifiek - beter worden in een aantal spelletjes - naar breed - beter presteren op school of op je werk - wel degelijk kunt maken.

Op de staat onder meer dat kinderen met werkgeheugenproblemen, bijvoorbeeld als gevolg van dyslexie of AD(H)D, na de Cogmedtraining beter zullen presteren op taal en rekenen en zich beter zullen gaan concentreren. Ook zou het volwassenen kunnen helpen om sneller op te knappen na een burn-out. Die verbetering wordt toegeschreven aan de ‘verbetering van het werkgeheugen met 23 procent.’

Niet volgens deze twee onderzoeken

De lijst met onderzoeken die Cogmed aanhaalt is lang. Cogmed wekt daarmee de indruk niet over één nacht ijs te zijn gegaan. Maar als je kijkt naar een waarin de effecten van Cogmed nog eens werden bestudeerd, dan lijkt er weinig over te blijven van de mooie resultaten die je krijgt voorgespiegeld op de Cogmedwebsite. ‘Wij concluderen dat de resultaten van de training, zoals die door Cogmed worden geclaimd, voor het grootste deel ongefundeerd zijn,’ schrijven de onderzoekers.

Cogmed tekende aan tegen het onderzoeksrapport - het zou te negatief en misleidend zijn geschreven.

Maar ook een – dit keer uit 2013 - wekt de indruk dat het trainen van je hersenen met behulp van speciale computerspelletjes zoals bijvoorbeeld Cogmed, weinig zin heeft. De spelletjes zouden vooral op korte termijn invloed hebben op een aantal specifieke taken maar niet leiden tot een algemene verbetering van het brein.

Zijn de bedrijven achter de games dan verkeerd bezig?

In de tussentijd is er wél een enorme markt ontstaan die inspeelt op de zorgen van ouders over de leerprestaties van hun kinderen en op de angst van ouderen om vergeetachtig of dement te worden. Tegen een vast maand- of jaarbedrag bieden organisaties als Lumosity of Cognifit toegang tot spelletjes waarmee je je hersens zou kunnen trainen. In Amerika verkoopt Lumosity spelletjes voor tachtig dollar per jaar. Als hun klopt dat 70 miljoen mensen de onlinetraining hebben aangeschaft, kun je met recht van een

De stelligheid waarmee wordt beweerd dat online breintrainingen echt helpen en de vaak agressieve marketingstrategieën waren voor het Amerikaanse Stanford Center on Longivity en het Duitse Max Planck Institute for Human Development aanleiding om eind 2014 met een te komen waarin zij expliciet stellen dat de meeste neurowetenschappers het erover eens zijn dat er nog geen overtuigend wetenschappelijk bewijs is dat brain games je cognitieve vaardigheden kunnen verbeteren of de veroudering van het brein Met wat er nu bekend is, kun je je tijd volgens hen veel beter besteden. Door te gaan sporten bijvoorbeeld.

Heb ik de afgelopen weken dan voor niks vier keer per week een draaiende basketbal op de cursor van mijn muis laten balanceren?

Heb ik de afgelopen weken dan voor niks vier keer per week een draaiende basketbal op de cursor van mijn muis laten En levert het me dan niks op dat ik nu al tot de zeven kom in het eerder genoemde cijferreeksspelletje?

Het lijkt er op dat dit een te sterke conclusie is. Kort na het verschijnen van de verklaring van de groep uit Stanford en van het Max Planckinstituut trad er namelijk een andere groep wetenschappers naar buiten met een veel milder Deze groep is het met de Stanfordcollega’s eens dat veel van de resultaten die nu worden voorgespiegeld door aanbieders van brain games véél te rooskleurig zijn, dat er veel slecht uitgevoerde onderzoeken in omloop zijn die meestal ook nog eens zijn gefinancierd door belanghebbende instanties én dat er nog heel veel onderzoek nodig is. Maar zij vinden het onterecht dat de Stanfordgroep de indruk wekt dat een hersentraining door middel van games nooit zou kunnen leiden tot een verbetering van iemands cognitieve functioneren. Zij schrijven: ‘Er is steeds meer onderzoek dat erop wijst dat bepaalde trainingen (waaronder het trainen via games) het cognitieve functioneren wél kunnen verbeteren en dat het hier gaat om een verbetering die in het dagelijks leven ook echt

Illustratie: Zeloot (voor De Correspondent)

Illustratie: Zeloot (voor De Correspondent)

Hoe zit dit dan?

Hoe moet ik deze tegenstrijdige informatie dan duiden? Het antwoord komt van Berrie Gerrits, een psychotherapeut die al langere tijd cognitieve trainingen inzet voor sommige van zijn cliënten en promotieonderzoek doet naar de training van het werkgeheugen door middel van specifieke computerspelletjes.

Gerrits wijst me allereerst op de verwarring die soms ontstaat als het over brain games gaat. Dat is een verzamelnaam voor zowel de serieuze spelletjes die worden aangeboden als onderdeel van speciale hersentrainingen (vaak bedoeld voor mensen met specifieke leer- of aandachtsstoornissen), als voor de minder serieuze spelletjes waarvan de producent beweert dat je er al spelend slimmer van wordt.

Over de laatste categorie – de meer algemene brain games - zijn de meeste onderzoekers het met elkaar eens: ze zijn leuk, maar je wordt er niet slimmer van. Over de eerste categorie – de serieuze trainingen, met name gebruikt voor mensen met leerproblemen – daarover is het laatste woord nog niet gezegd.

Dat komt volgens Gerrits omdat er bij de onderzoeken naar de effectiviteit van dit soort trainingen te veel zaken op een hoop worden gegooid. Bij deze onderzoeken wordt namelijk:

  • Geen rekening gehouden met de manier waarop de trainingen worden begeleid óf ingebed in een uitgebreidere therapeutische behandeling. Die ondersteuning is volgens Gerrits nodig om mensen het maximale uit de training te laten halen. De training moet volgens hem niet beschouwd worden als een op zichzelf werkende wonderpil.
  • Geen onderscheid gemaakt tussen de aard van de leerproblemen. En dat is essentieel want bij personen met zwaardere leerproblemen valt een (veel) grotere winst te halen dan bij mensen die lichtere problemen hebben of ‘gewoon’ wat slimmer willen worden.
  • Geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de aard van de trainingsspelletjes. En dat is jammer want het lijkt erop dat het ene spelletje, of een bepaalde combinatie van spelletjes, veel beter werkt dan het andere.

Je zou dus kunnen stellen dat er bij veel van de onderzoeken naar het effect van breintraining appels met peren worden vergeleken. En dat het daarnaast nog niet helemaal duidelijk is wat precies werkt en wat niet.

Conclusie?

Waar het verhaal dus eigenlijk op neerkomt, is dat er nog langer geëxperimenteerd moet worden met de serieuze voor er echte harde uitspraken gedaan kunnen worden over de effectiviteit.

Illustratie: Zeloot (voor De Correspondent)

Illustratie: Zeloot (voor De Correspondent)

Maar ook dat een aantal commerciële partijen de nog prille kennis alvast flink te gelde heeft gemaakt. Waarmee ze brain games misschien wel ten onrechte een slechte reputatie bezorgen. Een recente meta-analyse waarin werd gekeken naar de effecten van werkgeheugentrainingen (met behulp van games) bij kinderen met leerproblemen laat namelijk toch wel hoopvolle zien.

Wat de training mij gaat opleveren, moet nog blijken. Ik moet van Gerrits nog zeker twee maanden dooroefenen. Wel heb ik alvast één belangrijk inzicht opgedaan: als ik te laat naar bed ben gegaan, scoor ik echt véél slechter op geheugenspelletjes.