‘Snoek had veel borsthaar’, zegt Koen Peeters. ‘Ik denk niet dat hij er veel van had, ik had meer’, antwoordt Hugo Brutin prompt.

We zitten aan de keukentafel van de 85-jarige Brutin in zijn appartement op vijf hoog op de Groentemarkt in Oostende. Brutin, een kunstcriticus die decennialang het culturele landschap in Vlaanderen in kaart bracht, is een van de naar bestaande mensen geknede personages in Koen Peeters’ Kamer in Oostende.

Na bijna dertig jaar gelaagde, sfeervolle en veelgeprezen romans voor fijnproevers te hebben geschreven, brak Peeters in 2017 door bij een groter publiek met De mensengenezer, waarmee hij won.

Snoek is (1933-1981), een Vlaamse cultdichter, schilder, provocateur, zakenman en liefhebber van snelle auto’s, die zich op 19 oktober 1981 te pletter reed.

Wees gewaarschuwd, lezer, dit wordt een schaamteloos persoonlijk stuk

Hij is ook de man aan wie ik de titel van mijn proefschrift Copernicus is ziek ontleende. Dat is de openingsregel van het gedicht (1971) waarin Copernicus, een van de vaders van de moderne wetenschap, naakt en vies en vol zweren op de maan zit te midden van huisvuil. Het gedicht is te lezen als een vroege aanklacht tegen de milieuvervuiling.

Wees gewaarschuwd, lezer, dit wordt een schaamteloos persoonlijk stuk. En een verhaal dat, net als de wandeling die ik met Peeters door Oostende maak, zoekend en tastend is, menige zijweg in slaat en niet recht op zijn doel afgaat.

Poëzie uit het hoofd leren tegen verveling

Toen Brutin als jongeman in het leger zat, leerde hij om de verveling te verdrijven systematisch de dichtbundels van Snoek uit het hoofd. Later maakte hij via zijn ex-vrouw kennis met de dichter zelf. Ze gingen op bezoek in de luxueuze villa die Snoek had gebouwd met de opbrengst van zijn handel in sjaaltjes uit Japan.

‘Ik herinner mij nog de gepolitoerde houten vloer. Ik vond dat zeer impressionant. We zijn heel goede vrienden geworden. Er zijn momenten waarop ik van Paul spreek, dat ik de behoefte heb om te wenen’, zegt Brutin.

Toch verliep de vriendschap niet altijd even soepel. Brutin voelde zich gevleid dat Snoek hem kende, maar de dichter kon ook een hork zijn. De kunstcriticus herinnert zich nog levendig een paneldiscussie met Snoek die hij modereerde. Het gesprek liep stug en de dichter reageerde zich op hem af. ‘Ik had een klein rubriekje in Knack. "Gij schrijft alleen maar van die kleine postzegels", beet hij mij toe. Ik was wel een beetje gekwetst.’

Terwijl we voor het raam staan en in de verte de zee zien glimmen, vraagt Peeters aan Brutin of hij nog heeft gekend. Die was eind jaren zestig leraar aan een middelbare school in Oostende en schreef in die tijd twee romans.

‘Ik zie hem voor me’, zegt Brutin plots na enig peinzen. ‘Een kleine man, niet?’ Hij denkt dat hij een van mijn vaders boeken destijds heeft besproken. Misschien zit het stuk nog ergens in een van de vijftien dozen met zijn recensies en ander werk die hij nog wil uitzoeken – onbegonnen werk.

Ik hoop dat ze het niet zien, maar mijn ogen worden een beetje wazig.

De methode Peeters

Bij Brutin kreeg ik een klein voorproefje van de ‘onderzoeksmethode’ die Koen Peeters in zijn nieuwe roman beproeft. De schrijver lichtte het zo toe in het café van cultuurcentrum De Grote Post, waar we voor onze wandeling afspraken:

‘Je moet zijdelings kijken, nooit recht op je doel afgaan, je laten verrassen door wat iemand aangeeft. Je moet de tijd binnentrekken. Dat kun je doen door in de woonkamer te komen, te gaan zitten, het irrationele binnenhalen en ook iets te vertellen over jezelf. Daardoor creëer je vertrouwen.’

Het irrationele binnenhalen, wellicht begon hij daarom over Snoeks borsthaar.

Het is een methode die verwantschap vertoont met die van Joseph Roth, de Joodse schrijver die in de zomer van 1936 in In zijn roman schrijft Peeters dat ‘Roth een bijzonder getalenteerd journalist was, omdat hij als kind van spinnen hield’.

‘Je moet als een spin zijn: geduldig en hongerig wachten, niet onmiddellijk de netelige vraag stellen’

‘Als een spin moet je geduldig en hongerig wachten’, legt Peeters uit. ‘Je mag niet onmiddellijk de netelige vraag stellen, je moet wachten tot je ontdekt wat er eigenlijk verborgen was.’

Nog een associatie, met de Rwandese deugd ubupfura die Peeters bezingt in Duizend heuvels (2012) en haar daarin ‘de adel van de ziel’ noemt. ‘Het is respect afdwingen door je verzorgde verschijning. Het waardig en discreet zijn. Je emoties verbergen, veel weten van de ander zonder dat zij iets van jou weten.’

Zelf is hij niet zo goed in deze kunst, bekent Peeters. ‘Als ik enthousiast ben of ontroerd, zie je dat direct. Mijn ogen worden een beetje glazig. Dat is zeer on-Rwandees. Rwandezen kunnen echt met een pokerface vriendelijk glimlachen. En omcirkelend praten. Vragen hoe het weer in België was, hoe de vlucht, of je lang moest wachten en naast wie zat je. En op het einde weten ze hoe je je werkelijk voelt. Terwijl je niet hebt gezegd dat je liefdesverdriet of heimwee hebt.’

Gebruik de kracht van de fetisj

Voor zijn volgende roman sprak Peeters met een psychotherapeut. ‘De kamer waar zij mensen met psychoses ontvangt, staat vol met kleine prullen’, vertelt hij. ‘Ze vraagt dan aan die mensen: pak er iets uit en zegt er iets over. Daaraan kan ze direct zien wat er met zo iemand aan de hand is. Dat is heel Afrikaans. De fetisj heeft een eigen kracht, die begint te leven door het verhaal dat je eraan koppelt. De genius loci trekt dingen naar boven.’

Met deze ‘geest van een plek’, ditmaal de Westhoek, de afgelegen streek in het zuidwesten van Vlaanderen, opende ook zijn vorige roman, De mensengenezer. In deze roman maken we kennis met Remi, een boerenzoon uit de Westhoek, die op zijn 21ste naar Congo trekt, later professor antropologie wordt en de leermeester van de schrijver is.

Het is fictie, net als Kamer in Oostende, maar wel geïnspireerd op de werkelijkheid. ‘Ik schrijf boeken over personages, maar natuurlijk vertel ik iets over mezelf’, zegt Peeters. ‘En over de lezer. Als die geraakt wordt door een boek, zit ik in zijn zieltje te peuren. Dat heb ik echt wel gemerkt met De mensengenezer. Mensen zeggen: "Ik kom ook uit de Westhoek." Of: "Ik ben ook van boerenafkomst." Of: "Ik kom ook uit zo’n streek aan de rand van de wereld." Ze lezen zichzelf in zo’n boek. Het is magie.’

Ook in mijn zieltje peurt Peeters, ook ik meen mijn wortels erin te herkennen. Mijn vader was net als Remi een boerenzoon uit de Westhoek. Zijn vader wilde dat hij na de lagere school op de boerderij kwam werken. Alleen dankzij een bevlogen onderwijzer die zei dat hij écht naar de middelbare school moest, kon hij het tot academicus in Nederland schoppen.

Opnieuw beginnen

Peuren in de ziel van de talloze mensen die hij in Oostende ontmoette, deed Peeters drie jaar lang. Elke maand kwam hij twee dagen naar de stad waar hij ooit de liefde vond. Met zijn vriend, de schilder Koen Broucke. Samen dwaalden ze rond door de straten en langs de zee, spraken ze met mensen, wachtten ze als minzame spinnen op hun prooi.

Het decor van hun omzwervingen – nee, veel meer dan het decor – was Oostende, de grootste badplaats aan de Belgische kust, waar zoveel kunstenaars en schrijvers hun toevlucht zochten. Waar, voor wie voorbij de lelijkheid kan kijken, zoveel sporen te zien zijn van een rijk verleden.

‘Deze stad lijkt te beloven dat mensen hier op een grootse manier kunnen ontsnappen. Het is de ideale plaats als een of andere tristesse zich aandient, voor wie opnieuw wil beginnen, met rugdekking van de zee’, tekent Peeters in zijn roman op.

De zee neemt zelf ook het woord in de roman. Vol spot, over het schrijvertje dat de zee niet in gaat, dat altijd maar toekijkt en over zichzelf niets zegt.

‘Tegenwoordig loopt iedereen met zijn prikklok op de rug: de laptop in de rugzak’

‘Mijn redacteurs hebben mij altijd gevraagd: wat doet waar je over schrijft met jóu? Terwijl ik denk: laat me wel gerust, hè’, zegt Peeters. ‘Ik vind het moeilijk om over emoties te praten, ik doe dat mondjesmaat, beheerst, het blijft fatsoenlijk. Maar nu heb ik een beetje meer gegeven.’

Peeters’ alter ego in Kamer in Oostende wil opnieuw beginnen. Decennialang heeft hij bij een bank gewerkt. Met plezier en tot tevredenheid van zijn bazen. Maar dan komt er een nieuwe chef die hem toesnauwt: ‘En heb je het nu nog niet begrepen?’ Die woorden malen door zijn hoofd. '’s Nachts pak ik een spijker en sla die met blote vuist in mijn eigen hart’, denkt hij.

Waarschijnlijk ga ik te recht op mijn doel af, als ik Peeters naar die spijker vraag. Terwijl er achter de toog van De Grote Post een kopje op de vloer stuk valt, zegt hij: ‘Mijn huis was afbetaald, de kinderen het huis uit en ik won een prijs. Ik kon wel eens iets anders doen. Ik was niet rancuneus of ongelukkig, maar voor mijn boek, mijn personage kon ik een wat dramatischer afscheid wel gebruiken. Ik heb dat dus wat extra in de verf gezet.’

Peeters werkte zelf bij een bank, en deed dat graag. ‘Mijn collega’s waren mij dierbaar en sommigen zijn nog steeds echte vrienden. Aan de andere kant had ik altijd ook dat gevoel dat Bruce Chatwin verwoordde: Een fantastische existentiële vraag.’

‘Je komt dat in alle kantoren en op alle fabrieksvloeren tegen, dat mensen zich afvragen: wat doe ik hier in ’s hemelsnaam? Zeker omdat alles evolueert. Ik heb nog meegemaakt dat er een prikklok stond, halfweg de jaren tachtig. Nu loopt iedereen met zijn prikklok op de rug: de laptop in de rugzak. Ik ben nooit met een rugzak naar het werk gegaan, maar met een Dat was mijn vorm van verzet.’

Onzedige Dikke Mathilde

Aan de Zeedijk wijst Peeters mij op de plek waar een andere verzetskunstenaar, kort na de oorlog in een hotel woonde. ‘Zijn vader had zwaar met de Duitsers gecollaboreerd. Hijzelf had zich, nog maar een kind, ook aangesloten bij een fascistische jongerenbeweging. Hij wilde daar komaf mee maken en schreef als 19-jarige jongen daarboven zijn meesterwerk De metsiers.’

Even verderop aan de dijk staat bij het casino een sokkel met een leeg plateau erop. Daar stond ooit een beeld van een liggende, voluptueuze vrouw, in de volksmond ‘Dikke Mathilde’. ‘De studenten van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) hebben ervoor gezorgd dat het hier is weggehaald’, vertelt Peeters. ‘Ze vonden het onzedelijk. Uit die vereniging is Schild & Vrienden

De voorman van deze rechts-identitaire studentenbeweging, Dries Van Langenhove, was ‘onafhankelijk lijstrekker’ voor de extreemrechtse partij Vlaams Belang bij de verkiezingen van zondag. Vlaams Belang haalde een grote zege en werd de tweede partij van Vlaanderen.

Van die droefenis hebben Peeters en ik nog geen weet op de zonnige lentedag vlak voor de verkiezingen waarop we door Oostende dwalen. Maar ook zonder Vlaams Belang waren er al eerder sporen van politieke vernielzucht te zien.

De schrijver wijst op het Europa Centrum, een flatgebouw van 32 verdiepingen dat burgemeester Jan Piers – een zegt Peeters – eind jaren zestig liet bouwen. ‘Uit angst de moderne tijd te missen heerst hier een koortsachtige drang te vernieuwen en te vernietigen. Er is zoveel gesloopt en lelijk nieuws neergezet in Oostende. Dit gebouw heeft de stad echt verminkt.’

Rond 1900, in de had Oostende de grandeur van een mondaine badplaats. Met dank aan Leopold II, de koning-schurk die Congo leegroofde en er een schrikbewind voerde.

Op de dijk staat een majestueus beeld van Leopold II die hoog op zijn paard zetelt, met aan zijn voeten links een groepje Congolezen en rechts vissers. Iemand heeft een hand van een van de Congolezen afgezaagd – zoals onder het bewind van Leopold in Congo de handen werden afgehakt van inwoners die de opgelegde productiequota voor rubber

‘Dit is zo raak, zo juist’, zegt Peeters. ‘Ik vind het interessant dat dit beeld op deze manier is blijven staan. Het is een ankerpunt voor het debat. Dit is beter dan weghalen. Dat heeft toch iets van de geschiedenis wissen.’

De tranen van een clown

Terwijl we in brasserie Albert, vernoemd naar een andere koning, garnalenkroketten eten, komt Peter van Heirseele binnen, in rijkswachtersuniform. de schepper van Cowboy Henk, heeft zich zo uitgedost voor een dubbelinterview met

Oostende is de stad van de vermommingen en van de kunstschilder en componist James Ensor (1860-1949) die vaak gemaskerde mensen portretteerde. ‘Het masker is een zelfportret’, zegt Peeters. ‘Wie wil je dat de ander denkt dat je bent: dat drukt een masker uit.’

Als hij Van Heirseele vertelt dat we die ochtend bij Brutin waren, roept deze meteen: ‘Hij heeft mij ontdekt!’ Niet zonder trots vertelt hij dat hij in 1977 samen met een van de grote Belgische schilders, in de catalogus stond van de nationale kunstwedstrijd ‘Lijn, kleur, volume’.

Tuymans won die wedstrijd met een zelfportret. Van Heirseele schilderde onlangs een jaar lang elke dag een zelfportret. In zijn atelier, waar we even later zijn, leunen ze in stapels van een stuk of 10 alle 365 op een lange vensterbank tegen elkaar.

‘Ik houd erg van dit werk omdat je er niet grappig in probeert te zijn’, zegt Peeters.

‘Voor mij is het een beroep om clown te zijn’, antwoordt Van Heirseele. ‘Maar hier zitten we op het cliché: the tears of a clown.’

Wat opvalt als Van Heirseele ons in sneltreinvaart door de prettige chaos van zijn atelier-uitdragerij rondleidt, is zijn ernstige enthousiasme. Vol vuur laat hij de collectie historische piano’s zien die is uitgestald op de begane grond van het imposante pand. Met een koortsachtige gedrevenheid wijst hij op zijn jongste werken, waaronder De Drie Likes, een variant op De Drie Gratiën van waar hij de laatste hand aan legt.

In het mooie hoofdstukje in Kamer in Oostende waarin de schilder passeert, staat een van die vele intrigerende formuleringen die de roman rijk is.

‘De zee schildert hij niet, zegt hij, omdat die te veel beweegt.’

34 kamers

Langs de zee trekken we verder naar het zuidwesten, naar het Parkhotel in Mariakerke, een aan Oostende vastgeplakte badplaats. In een van de 34 kamers van dat hotel schreef de Oostendse schrijver en hotelbaas (1903-1986) een heel oeuvre bij elkaar.

Het wrede spel, dat hij aan het eind van zijn leven publiceerde, is een prachtige roman, vindt Peeters. Maar het boek is alleen nog antiquarisch te verkrijgen.

Het hotel, ooit vooral in trek bij Waalse toeristen die goedkoop logies aan de kust zochten, is ter ziele gegaan. Als een kleinood koestert Peeters de tekening waarop Duribreux de indeling van de 34 kamers tekende.

‘Er is een juiste, kunstige nevenschikking mogelijk van de feiten, de ontmoetingen en de dingen die ik zie gebeuren’, schrijft Peeters in Kamer in Oostende.

De 34 kamers van het hotel boden hem die nevenschikking: de roman telt evenzovele hoofdstukken.

‘Ik ben deel van het liefdevolle geloof in de nederige, moedige arbeid van de kunst’

Terwijl we door het raam van het leegstaande hotel turen, vraag ik Peeters wat een kamer voor hem betekent. De titel van zijn roman verwijst naar het essay A Room of One’s Own van Virginia Woolf. ‘Iedereen kent die behoefte aan een plek voor jezelf, waar je je kunt terugtrekken. Maar een kamer is ook een plek waar je samen kunt zijn, en een nieuwe wereld die je kunt binnentreden.’

In zijn roman gaat Peeters in het hotel op de voormalige slaapkamer van het echtpaar Duribreux zitten aan het tafeltje waar de hotelbaas ’s winters in de kou met een deken om zijn lijf zat te schrijven. ‘Ik ben deel van het liefdevolle geloof in de nederige, moedige arbeid van de kunst. Het is wreed en prachtig wat in boeken verschijnt, het is wat schrijvers en lezers zo nodig hebben: een troostend beeld en het verlangen zelf’, ervaart hij dan.

Als we teruglopen naar de stad, herneemt Peeters die gedachte: ‘Schrijven gaat over verlangen en troost. Over het creëren van een sfeer, het meenemen van de lezer naar een plek waar hij nog nooit is geweest en die hij toch herkent.’

Een fonkelnieuwe eend

Onderweg bellen we nog een keer ergens aan, bij de dichter en zijn vrouw Antje, die in een van de herenhuizen uit de belle époque wonen die de sloopwoede hebben overleefd.

‘De dichter Speliers, zegt die naam jou iets?’ had Peeters mij in De Grote Post gevraagd. En ik had ja geantwoord. Want ik herinnerde mij nog dat ik ooit, toen ik een klein jongetje was en de Speliers nog in Nieuwpoort woonden, met mijn ouders bij hen op bezoek was en dat er een fonkelnieuwe eend in de garage stond te blinken.

Als we aanbellen, worden we als verloren zonen verwelkomd. Maar mijn herinnering roept geen herkenning op. Achteraf realiseer ik me dat het woord ‘eend’ bij hen niets losmaakte, omdat Vlamingen de Citroën 2CV een deux chevaux noemen.

Antje heeft wel andere herinneringen aan gebeurtenissen uit vervlogen dagen waar ik geen weet van had. Ze vertelt dat ze met hun deux chevaux samen met mijn ouders halfweg de jaren zestig naar Parijs waren gereden. Daar wilden ze, nauwelijks geld hadden ze, bij de paardenslager goedkoop vlees halen. Maar toen die dicht bleek, hadden ze op de hotelkamer maar een blik opengedraaid.

We drinken een glas wijn en luisteren ontroerd.

‘Je zegt "Ik was een kind" en plots beginnen dingen te bougeren, begint er iets te ontstaan waardoor een ontmoeting extra kleur krijgt en soms ontroerend is’, analyseert Peeters later. ‘Als wekt de eend in de garage een herinnering op. De rest ben je vergeten, maar dat ene ding herinner je je nog. En daar zijn de basale dingen mee verbonden: de relatie met je ouders, grote en kleine trauma’s.’

De Speliers leiden ons rond door hun met schilderijen en boeken gestoffeerde huis waarin je je in de vroege twintingste eeuw kunt wanen. In Kamer in Oostende krijgt Peeters’ alter ego tijdens eenzelfde rondleiding een roman van Marcel Proust cadeau.

Speliers noemde Oostende finis terrae: daar waar de wereld ophoudt

Proust noemde Oostende het eindpunt ‘waar je terechtkomt als je altijd maar verder de kustlijn volgt’. Oostende is, vult Speliers aan, finis terrae: daar waar de wereld ophoudt.

En waar je ook weer opnieuw kunt beginnnen.

Ook met dat idee peurt Peeters in mijn zieltje. Precies op het moment dat ik zijn roman las, was ik me aan het bezinnen op de vraag hoe ik mezelf opnieuw kan uitvinden. De reden waarvoor ik de komende

Als ik je een voorlopig laatste advies mag geven: lees Kamer in Oostende, een intieme, mysterieuze roman die indruist tegen de geest van een tijd waarin alles blootgelegd en uitgesproken, eenduidig en helder moet zijn. Vol troost en verlangen verhaalt ze van de schoonheid van vriendschap, de ziel van Oostende, de magie van onverwachte ontmoetingen – en van nieuwe perspectieven die zich, op een moment dat je de weg vooruit niet meer scherp voor je ziet, onverhoeds kunnen aandienen.

Meer stadsportretten:

Deze reporter toont de veelzijdigheid van Brussel: de stad die verloedert, maar ook verleidt Met de vermaarde Belgische reporter Pascal Verbeken ging ik op pad door Brussel – broedplaats voor utopische vergezichten, maar ook een stad zonder identiteit. Die van iedereen is, maar ook van niemand – en daardoor verslonst. En toch ‘een jazzy gevoel’ geeft als je erdoor wandelt. Een wandelinterview in Brussel met Pascal Verbeken Hoe de lelijkste stad ter wereld van een schrikbeeld in een voorbeeld transformeert Charleroi geldt als het toonbeeld van wat er mis is in Wallonië, België en zelfs Europa. Maar de stad, die een onvermoede schoonheid en vitaliteit heeft, maakt een opmerkelijke revival door. Nog even, en we zien Charleroi als een voorbeeld van hoe Europese steden kunnen herleven. Lees hier meer over Charleroi Is Rotterdam dan toch de bakermat van een nieuwe beschaving? Ik liep door Rotterdam met de Britse schrijver Ben Judah. Net als zijn geboortestad Londen is mijn woonplaats in korte tijd radicaal veranderd. Rotterdam is mooier, rijker en vreemder geworden. De huizenmarkt is ontploft door beleggers van buiten, en de kerk waar mijn ouders vroeger heen gingen is nu een moskee. Lees het verhaal van Arjen hier terug