‘Maar goed’, zei ze over mensen die op een terrasje zitten in de zomer. ‘Dat kan ook mijn Amsterdamse bubbel zijn.’

Toen ik laatst iemand voor de zoveelste keer zich hoorde verexcuseren voor haar ‘bubbel’, was ik er klaar mee. 

Moet je dan echt in een Oeteldonkse carnavalstent hebben gehost om nog chardonnay te mogen sippen op een Amsterdams terras, dacht ik. Ik vind carnaval al niks sinds ik als kind schaars verkleed als Romeinse senator in de grafkou op een Nijmeegs schoolplein stond.

Mag dat? 

Soms denk ik: misschien is dit wel mijn bubbel. De bubbel van mensen die tegen hun zin in in een bubbel zitten.  

Moet je zeventig jaar geleden eens om zijn gekomen. De oer-Hollandsche zuilen: dat waren nog eens bubbels. Eigen partij, eigen omroep, eigen kerk, eigen universiteit, eigen kruidenier, eigen zwembad, eigen korfbalclub – een waarlijke scheiding der geesten! Zo maken we ze niet meer. 

En echt niet dat er dan in Staphorst zo’n jonge gereformeerde Hendrik tijdens de Bijbelles met nog negen jongens die ook allemaal Hendrik heetten, opstond en zei: ‘Zeg, die pratende slang in dat Paradijs, zijn we onszelf niet wat veel aan het bevestigen in ons eigen gelijk? Moeten we niet eens buiten onze bubbel treden? Misschien iets lezen van Marx, Mao, de Paus...?’ 

We bouwen hier een zuil, ja! Maar dat woord gebruikten ze toen niet eens. Dat woord kwam er pas toen we al lang en breed aan het ontzuilen waren – toen waren er opeens zuilen geweest. 

Over bubbels hebben we het pas als we eruit willen

Het is net als met onze bubbels. Daar hebben we het ook pas over als we eruit willen. Wat de vraag opwerpt: zijn ze er dan wel, die bubbels? Ik vermoed dat hoe meer we het over bubbels hebben, hoe minder ze er zijn.

Als je echt in een bubbel zou zitten, zou je immers niet weten dat je erin zit – dat is zo’n beetje de definitie van een bubbel. Pas als de bubbel wordt doorbroken, zie je het bestaan ervan – een beetje zoals je pas doorhebt dat je een onderbewuste hebt als je je er bewust van bent. 

Kijk maar op Twitter, het vermeende symbool van de bubbelisering van onze samenleving. Dagelijks word je daar geconfronteerd met mensen die niet zo denken als jij. In mijn geval: met mensen die onder elk hoofddoekje een bomgordel ontwaren, mensen die verkeerd geschaalde temperatuurgrafieken sturen en daaruit opmaken dat de pinguïnpopulatie toch echt toeneemt, en mensen die witte linkse meisjes hun witheid aanrekenen, omdat ze een halve millimeter zijn afgeweken van de intersectionele partijlijn. 

Daartegenover staan dan weer mensen die deze kankerende klasse van repliek menen te moeten dienen. Boem! ‘Domrechtse Vinextokkie.’ Sander Schimmelpenninck, hoofdredacteur van Quote, herlaadt zijn jachtgeweer om de volgende breindode Baudet-zombie te begroeten met een schot hagel. Boem! ‘Boreale droeftoeter.’ Boem! ‘Kleinburgerlijke leaseloser.’

Van zombies win je het nooit. Zombies blijven komen. Die overrompelen je. Tot je uitgeput ter aarde stort, en dan beginnen ze aan je brein te knagen. 

Als ik buiten mijn bubbel ga

Wáren er maar bubbels, denk ik dan weleens. Een Hof van Eden, waar economen belangwekkende papers de wereld in tweeten, waar journalisten constructieve stukken schrijven waar ik het heerlijk mee eens kan zijn, en waar je een goed gesprek hebt op basis van enigszins overeenkomstige uitgangspunten. Maar nee, ik moet me de hele dag kapot ergeren aan buitenbubbelse bagger, omdat ik doe wat mensen in mijn bubbel doen: buiten m’n bubbel treden.

Dat we denken dat er bubbels zijn, komt omdat we filters missen. Voortdurend word je geconfronteerd met mensen die zó ver van je denkwereld afstaan, dat het je opeens begint op te vallen hoeveel gelijkenis je vertoont met de mensen om je heen.

Natuurlijk, er zijn andersdenkenden in de wereld en het is goed daar kennis van te nemen – en een poging te doen gemeenschappelijke grond te vinden. Als dat het idee is achter ‘buiten je bubbel treden’, dan juich ik dat van harte toe.

Maar door voortdurend te doen alsof iedereen opgesloten zit in ‘zijn eigen bubbel’, verlies je juist dat idee van een gemeenschappelijke realiteit uit het oog. Praat maar vaak genoeg over bubbels, en je kunt ieder feit, ieder argument en iedere persoon diskwalificeren door te wijzen op ‘de bubbel’ waar ze uit komen. Dan is er geen gedeeld goed of kwaad meer, en geen gedeelde realiteit, alleen maar bubbel. 

Uiteindelijk maakt al dat gehamer op bubbels ons allemaal cultuurrelativisten

Uiteindelijk maakt al dat gehamer op bubbels ons dus allemaal – *zuigt aan zijn pijp* – cultuurrelativisten: ik vind klimaatverandering belangrijk, maar dat is vast omdat ik links ben en in Amsterdam woon. En dan zal ik dus ook wel vluchtelingen lief vinden en alle grenzen open willen zetten. Want: mijn bubbel.

Maar je kunt pas echt uit je bubbel komen als je gelooft dat er een wereld is die niet uit bubbels bestaat. Een wereld waarin wie je bent of hoe je denkt niet volledig te verklaren valt aan de hand van de groep waartoe je behoort, het land waar je vandaan komt, het terras waar je graag komt, de gracht waar je huis staat, de partij waar je op stemt of de YouTube-kanalen die je graag bekijkt, maar door de realiteit die we allemaal delen.

Laten we dáár een zuiltje voor optrekken.

Meer lezen?

De les van onze correspondent Economie: iedereen doet maar wat Elke maand gaat Joris Luyendijk in gesprek met een van onze correspondenten over zijn of haar journalistieke speurtocht. Vandaag Jesse Frederik, correspondent Economie. Hoe meer hij zich verdiept in waarom mensen doen wat ze doen, hoe vaker hij ziet dat ze zelf eigenlijk ook geen idee hebben. Luister de podcast hier terug De papegaai van Minerva is neergestreken De afgelopen twee weken was iedere dag, op iedere televisie, radio en mobiele telefoon, hetzelfde liedje te horen. Het couplet van dat liedje gaat erover dat Nederland ten onder gaat aan moslims, kunstsubsidies, Gerrit Hiemstra, linkse leraren, klimaatbeleid, de Europese Unie, terroristen, tegenstanders van Zwarte Piet, cultuurrelativisme, de Publieke Omroep, windmolens, Polen, het Centraal Planbureau – en het refrein van het liedje gaat erover dat Nederland ten onder gaat aan mensen die dit liedje de hele tijd zingen. Lees de column hier terug