Het nieuws leek van het soort dat niet alleen ophef zou genereren – het zou zelfs serieuze verandering kunnen inluiden.

Begin maart op sociale media een foto van een team van vierjarige spelers (‘Under 5s’) van Manchester City, de Engelse kampioen. De foto ging viraal: twee rijen van zes elitekleuters, handen achter hun ruggen, borst vooruit, blikken op oneindig, net als echte profs.

De ‘Junior Academy Elite’-ploeg leek de perfecte illustratie van het hyperkapitalisme van de Premier League. In de jacht op de nieuwe Messi scoutten ploegen ook al in voorscholen en speeltuinen.

Of het nu waar was of niet (Manchester City gaf en geeft geen commentaar), de trend is onmiskenbaar. Andere profclubs, zoals Tottenham Hotspur en Fulham, komen er voor uit 5- en 6-jarigen Dit leek de volgende stap in deze ‘Absolute waanzin’, tweette Nick Levett, een ex-directeur van de Engelse voetbalbond.

Maar gevolgen had het niet. De ophef stierf weg, er kwam geen breed debat. De enige verandering betrof het Twitteraccount van Levett. De ophef had zich naar hem verplaatst, omdat hij met de foto de privacy van de kleuters had geschonden. Levett zijn tweet.

Het was, kortom, bewijs numero zoveel van de blijvende helaasheid der dingen in de sport. De race to the bottom in het jeugdvoetbal, Gertjan Verbeeks kapsel, Feyenoords transferbeleid – aan sommige dingen, hoe evident absurd ook, kon je gewoon niets doen.

Al dacht Debbie Sayers daar heel anders over.

De tien seconden die Debbie Sayers op ramkoers met het jeugdvoetbal zetten

In haar werkkamer in Salisbury, Zuidwest-Engeland, las Sayers – Oxford-historica, PhD in de voetbalmoeder – het bericht over de Under 5s van Manchester City ook.

Natuurlijk las ze het bericht: sinds drie jaar las ze zo’n beetje elk bericht over jeugdvoetbal. Dat kwam omdat ze een parallel voetbaluniversum was begonnen (of iets dat erop leek) en tegen het reguliere voetbaluniversum een guerrillaoorlog voerde (of iets dat erop leek).

En dat was weer het resultaat van wat op een koude zaterdagochtend, eind november 2015, had Toen stond ze aan de zijlijn bij een van de eerste wedstrijden van haar zoon Keir, toen 9 jaar. Ergens in de tweede helft stormde een aanvaller van de tegenstander alleen af op het doel. De keeper: Keir.

En toen gebeurde het. De coach – hun coach – wilde de cruciale tegentreffer voorkomen, en begon Keir elke seconde te instrueren. Move back, move back, move back… forward-forward-forward… left-left-left...

Terwijl de coach verbale tikjes op zijn denkbeeldige joystick bleef geven, en Keir plichtbewust reageerde, ging Sayers’ geestesgesteldheid in recordtijd van weekendse kalmte naar blinde woede.

‘Ik zag alle plezier van zijn gezicht verdwijnen’, zegt Sayers, in een van drie Skypegesprekken die ik met haar had. ‘Zelf besluiten of je uit je goal komt of op je doellijn blijft staan... Dát is de lol van het spel.’

Een grote maar onvermijdelijke stap

In die paar maanden dat haar zoon op voetbal zat, was zij dingen gaan accepteren die ze niet normaal vond. Het geschreeuw – een ‘barrage van geluid’ – van ouders en coaches. Het voortrekken van de sterke spelertjes. Het reserve laten staan van de zwakkeren. De rigide trainingen.

‘En’, zegt ze, ‘de vaste posities. Keir was negen. Hij zat net vier maanden op voetbal. Maar hij werd meteen tot keeper gebombardeerd. Dat was zijn nieuwe, permanente identiteit: keeper. Dat is toch… absurd?’ Dit moest anders, besloot ze. Maar hoe?

Keirs coach begreep haar probleem niet. Andere clubs bleken niet fundamenteel anders. Een club van binnenuit veranderen dan? Sayers overwoog het circa tien seconden. ‘Zeggen: hoi, hier ben ik, ik heb een stel geweldige ideeën, willen jullie wat meer zijn zoals ik? Dat was een dom plan.’

En dus concludeerde Sayers dat als je in het voetbal iets wilt veranderen, er maar één ding op zat: je eigen club oprichten.

Welkom bij Salisbury Rovers – de club waar de kinderen bepalen hoe er wordt gespeeld

Begin april 2016, vijf maanden na die tien seconden, had Sayers die club opgericht: Salisbury Rovers. Ze had een half team, één bestuurder-coach (zij zelf), en geen veld of clubhuis.

Nu, ruim drie jaar later, heeft de club honderd leden, enkele betaalde coaches, geen clubhuis maar wel een veld, en iets curieuzers: een gebiologeerde internationale van coaches, bestuurders en

Zij zien Rovers als een uniek grassroots experiment, dat dient om een simpele hypothese te testen: kan zo’n club überhaupt blijven bestaan? Want Salisbury Rovers is een beetje een vreemde club, met name door de dingen die ze niet doet.

Salisbury Rovers doet niet aan selectie – kinderen worden niet ingedeeld op niveau, elk kind krijgt dezelfde aandacht. (‘Behalve onrechtvaardig is selectie ook zinloos’, zegt Sayers. ‘Niemand kan van jonge kinderen zeggen of ze talent hebben of niet.’)

De club speelt geen competitie – want competitie heeft allerlei neveneffecten die niets met ontwikkeling te maken hebben. Coaches gaan schreeuwen, de beste spelertjes opstellen, ten koste van de rest. (Rovers speelt onderlinge en vriendschappelijke wedstrijden.)

De spelertjes van Rovers spelen niet op vaste posities – logisch, want spelers zijn het spel nog aan het ontdekken, dus waarom zou je ze beperken tot één hoekje van het veld?

En de club doet nauwelijks aan coaching, althans aan coaching zoals die meestal eruitziet. Bij Salisbury Rovers is het uitgangspunt en de autonomie van het kind. Dus: veel kleine wedstrijdjes, samen met de spelers bepalen hoe er wordt gespeeld, en hen vooral vragen stellen, in plaats van instrueren.

‘Kinderen leren het meeste als ze problemen zelf oplossen’, zegt Sayers. ‘Niet als we hen voortdurend de juiste oplossing aanreiken.’

Een nadeel dat geen nadeel is, maar een voordeel

In elk gesprek met Sayers moet je eerst door een paar minuten bescheidenheid heen. Ze benadrukt dat haar club niet de enige is met deze ideeën. Ze benadrukt dat ze niemand de les wil lezen. Ze benadrukt dat niet iedereen hoeft te zijn zoals zij. Als ze klaar is met benadrukken, zegt ze wat ze denkt.

Ze weet dat weinig clubs zo consequent uitgaan van het kind als Salisbury Rovers. En ze denkt dat dit niet alleen prettiger is voor kinderen – maar dat dit ook leidt tot betere, creatievere, zelfsturende voetballers.

‘Mannen weten hoe voetbal werkt, ik niet. Dat is een voordeel’

Juist omdat de club zo veel conventies overboord gooit. En een van de belangrijkste redenen dat Salisbury Rovers zo anders is, zegt Sayers (50), ‘is omdat ik een vrouw ben’.

‘Ik heb nooit georganiseerd voetbal gespeeld, want dat mocht niet toen ik een meisje was. Mannelijke coaches wel. Men know football, or they think they do, omdat ze het zelf speelden. Ik heb die ervaring niet. Dat is een voordeel, denk ik.’

Ze benaderde het jeugdvoetbal zonder de bagage van stellige overtuigingen – die had ze niet. Het enige dat ze meenam was haar ‘verbazingwekkende’ nieuwsgierigheid. ‘Overal en altijd is Debbie aan het leren.’ (Bron: haar man Eamonn Doherty.)

Sayers komt uit een working class gezin. Ze ging naar een van de slechtste scholen van Engeland. En toch haalde ze – als eerste lid van haar familie – de universiteit. Sterker: ze ging naar Oxford, waar ze haar studie geschiedenis afrondde met

Ze schoolde zich om tot advocaat omdat ze iets voor anderen wilde betekenen. Eerst als strafadvocaat, later via mensenrechten: haar volgende leerproject. Ook dat liep – in positieve zin – uit de hand. Sayers haalde haar doctorsgraad en kreeg een baan bij een vooraanstaand advocatenkantoor in Londen. Ze werkte voor het team dat

‘Het klinkt wat raar om te zeggen’, zegt Doherty, ‘maar alles waar Debbie haar best voor doet, wordt een succes.’

Een wonderbaarlijke studente richt zich op een nieuw terrein

En het nieuwe object van de verbazingwekkende nieuwsgierigheid van Sayers is jeugdvoetbal.

Methodisch ze de afgelopen jaren de relevante wetenschap. (Dusdanig dat ze moeiteloos meepraat, bijvoorbeeld met wetenschappers en ervaren coaches.) Ze trok daaruit drie grote conclusies.

Eén: het scouten van jonge kinderen is een kansloze onderneming. Clubs kiezen vooral vroegrijpe spelers en zien laatrijpe spelers ‘Een enorme verkwisting.’

Twee: ‘selectie’. Als de besten snel tegen de besten spelen, worden de besten alsmaar beter. Intuïtief logisch, empirisch , concludeerde Sayers. Als selectie zo belangrijk was, dan zou je alleen prof kunnen worden als je vanaf heel jong in een profopleiding hebt gezeten. ‘En dat klopt niet.’

Drie (en het belangrijkst voor Sayers): volwassenen ontnemen kinderen te vaak hun autonomie. Het luidkeelse coachen, het trainen op tactiek, het spelen in vaste formaties: vaak gebruiken coaches kinderen als instrumenten om te winnen. Teamprestaties stonden boven individuele ontwikkeling.

Sayers hoorde dit van de vele professionele jeugdcoaches die ze sprak. Het was nauwelijks te voorkomen, hoorde ze. ‘Coaches worden nu eenmaal afgerekend op resultaten. Dat is de cultuur.’

Hoe spelen verdween uit een spel

Dit past in een bredere trend – zoals Sayers las in het werk van ontwikkelingspsychologen als Peter Gray.

Volwassenen zijn kinderen gaan behandelen als mini-volwassenen, die alleen opgroeien tot echte volwassenen – aldus de volwassenen – als volwassenen hun de juiste instructies geven. Gray had het vooral over onderwijs, maar Sayers beleefde eurekamoment na eurekamoment toen ze zijn werk las. Dit ging óók over voetbal!

Kinderen worden als mini-volwassenen behandeld. Hoe vroeger ze gestructureerde training krijgen, hoe meer gestructureerde training ze krijgen en hoe langer de besten tegen de besten spelen, is de kennelijke gedachte, hoe beter het ‘eindproduct’ wordt. ‘Kinderen worden gezien als koopwaar.’

Het probleem, aldus Sayers, is dat het systeem lijkt te werken – of althans niet lijkt te falen. Zelfs uit het huidige verrotte systeem rollen geweldige voetballers. Niet omdat het systeem veel waarde toevoegt, zegt ze, maar omdat geen enkel verrot systeem de wil van alle kinderen om te voetballen kan breken.

Als je maar genoeg eieren tegen een muur gooit, blijven er altijd wel een paar

Het heeft geen zin om een bloemetjesplukker te dirigeren

Het kan anders.

De tegenhanger van instructie is ‘play’, vrij spelen. Vrij spelen – de vrijheid om je eigen ideeën en nieuwsgierigheid te volgen, zonder instructie van volwassenen – is ontwikkelingspsychologen cruciaal voor het ontwikkelen van creativiteit.

Als een kind vrij mag spelen, groeit diens Instructie doet het eerder afnemen – en wekt het zeker niet op. (‘Een kind dat bloemetjes plukt op het voetbalveld, laten we lekker.’) Sayers citeert onderwijsonderzoeker ‘Een kind leert goede keuzes te maken door zelf keuzes te maken, niet door instructies op te volgen.’

Sayers in het kort: als spelers het spel zelf mogen ontdekken, is de kans groter dat kinderen meer plezier hebben. En als ze het leuker vinden, blijven ze voetballen – en zijn er meer spelende kinderen dan in het huidige systeem. En als ze het blijven doen, leren ze meer.

En zo vergroot je, ook al is het maar een klein beetje, de kans op de nieuwe Messi.

Zelfs uit een verrot systeem rollen fantastische spelers. Wat als je het systeem gezond maakt?

Dit zijn de inzichten waarop Salisbury Rovers is gebouwd.

Het is niet de theorie van de coaching die de club uniek maakt. Die is – ze doen aan video-analyse – maar niet uitzonderlijk. Het bijzondere zit ’m in de toepassing.

Het ene grote verschil is dat de coach bij Rovers de spelvormen als voorstel presenteert. ‘Als ze een andere vorm willen, met meer of minder spelers, met meer doeltjes of ballen, of als ze gewoon voorzetten binnen willen koppen, kan dat ook.’

Voor wie nu denkt dat er dan nauwelijks serieus wordt getraind: Sayers merkt dat kinderen heel goed weten dat ‘gestructureerde’ oefenvormen goed werken. Bijvoorbeeld: hoe je onder druk de bal aanneemt, hoe je collectief druk zet, hoe je onder druk opbouwt. ‘Kinderen denken mee en evalueren mee.’

Het andere grote verschil met reguliere clubs: zodra het spel is begonnen, interveniëren coaches veel minder dan elders. Het recht van het kind om zelf fouten te maken, zelf oplossingen te verzinnen, staat consequent voorop. Sayers: ‘Wij observeren veel, blazen niet op fluitjes. Pas als het spel stilligt, stellen we vragen. Waarom werkte dit, waarom werkte dit niet? Wat vonden jullie ervan?’

Zo bezien is Salisbury Rovers een poging om een interessante vraag te beantwoorden. Wat gebeurt er als je de natuurlijke zin van kinderen om te voetballen de ruimte geeft – en de rest (competitie, tactiek, coaching) minimaliseert?

Scepsis en vijandigheid

Een definitief antwoord op de vraag zul je niet van Sayers krijgen. Daarvoor is het experiment in Salisbury te klein. Een tussentijds antwoord heeft ze wel: je wordt overladen met scepsis, hoon, en vijandigheid.

Als je de wensen van de kinderen daadwerkelijk centraal stelt, als free play het uitgangspunt is, stuit je al snel op een curieus probleem: wat je doet oogt niet als coaching. Of in elk geval niet als de coaching die kinderen en ouders verwachten.

Het verschil komt vooral bloot te liggen in de zomer, als de Rovers toernooien tegen andere clubs spelen. Tegenstanders hebben dan bijvoorbeeld fraaie warming-uproutines. Er zijn hoedjes en pylonen. De coach geeft veel aanwijzingen. Het ziet er gelikt uit, ‘als een Real Madrid van 8-jarigen’.

Sommige ouders zijn daarvan onder de indruk. Sayers herkent het van de vele private voetbalscholen die Engeland telt. Kinderen lijken binnen de kortste keren iets te leren: de bal hooghouden, razendsnelle overstapjes maken. As seen on TV.

‘Marketing’, noemt Sayers het droogjes. Maar het stelt ouders gerust. ‘De ouders betalen soms grof geld voor het lidmaatschap, en dus willen ze iets terug zien of horen. Een coach die veel praat en gebaart, een kind dat overstapjes maakt, dat lijkt alsof het kind iets leert.’ (Of zoals ze vaker zegt: ‘Coaching kun je zien en horen, maar het leren niet.’)

Het spel van Salisbury Rovers steekt daar nogal chaotisch tegen af. De coaching: zorgwekkend minimalistisch. Sommige sportminnende ouders, ouders die je graag bij je club hebt, ‘zien ons daardoor als een niet-serieuze, niet-competitieve club’.

Andere ouders (lees: vaders) die je weer minder graag bij je club hebt, zijn ronduit denigrerend en seksistisch – zeker als Sayers ze aanspreekt op hun gedrag aan de zijlijn. (En dat doet ze.) Fucking Mrs. PC, is ze al genoemd, Politiek Correct Kutmevrouwtje. Go to the opera, if you don’t like it.

Het voordeel van vrouw-zijn was dat Sayers het voetbal opnieuw kon bekijken – en hervormen. Het nadeel van vrouw zijn was dat weinig mensen haar hervormingen accepteerden. ‘Als ik een man was geweest, was er meer interesse voor wat wij doen.’

Wil je komen voetballen? Eerst akkoord gaan met onze gedragsregels

Niet dat Sayers onder de indruk is van de kritiek.

Sterker: zo belangrijk vinden Sayers en consorten de autonomie van het kind, dat de tegenstander eerst akkoord moet met enkele gedragsregels die Rovers stuurt, als Rovers een keer een oefenwedstrijd speelt. Bovenal: geen commentaar-langs-de-lijn leveren.

Sommige clubs zeggen af. Andere denken: dat zal niet zo’n vaart lopen. Maar dan rekenen ze buiten Sayers’ vermogen om te confronteren. Zelfs een ogenschijnlijk onschuldig ‘gebruik je linkervoet’ of ‘gooi ’m langs de lijn’ wordt bij Rovers – lees: bij Sayers – niet gewaardeerd. Want: als er een begint, volgt de rest al snel.

De eigen leden krijgen eenzelfde behandeling. Nog een onderscheidend aspect van de club: ‘Rovers’ is mogelijk de enige voetbalclub ter wereld die ouders er soms actief van probeert te overtuigen dat hun club misschien niet bij hen past.

Sayers is er niet voor de ledenaantallen, ze is er voor de leden. ‘Of we doen het allemaal, en consequent, of het gaat niet werken’, zegt ze. ‘Ik geef iedereen de mogelijkheid om te concluderen: this may not be for me. Wij zijn geen brede kerk. Als niet iedereen de beginselen onderschrijft, dan gaat het mis.’

De smalle kerk die de ultieme ketterij begaat (en ja, dit gaat nog steeds over voetbal)

Maar wacht even. Is een voetbalclub niet bij uitstek een brede kerk? Niet als je probeert iets nieuws op te bouwen, zegt Sayers. Dat is een les die ze in het eerste seizoen van het bestaan van de club leerde.

Toen schreef ze haar teams in voor de competitie. Drie teams van nauwelijks gecoachte, zelfontdekkende, vrij spelende Salisbury Rovers-spelers gingen de wijde wereld in en ontmoetten ‘ervaren’, resultaatgerichte, tactisch geïnstrueerde jeugdteams. De afloop laat zich raden.

Maar het echte probleem waren niet de dikke nederlagen. Dat was de reactie van de volwassenen. Bezorgde ouders wilden – niet geheel onbegrijpelijk – hun kinderen helpen. Ze coachen. ‘Kunnen we toch niet een beetje meer zus spelen? Kunnen we toch niet een beetje zo?’, zegt Sayers. ‘Ik begreep ook wel waarom. Maar als we dat gaan doen, wat is dan de consequentie?’

Salisbury Rovers zou just another football club worden. Sayers zag een betere oplossing. Niet een beetje meer zoals alle andere clubs worden, maar nog minder zoals alle andere clubs worden. In de zomer nam Sayers – na overleg met coaches, wetenschappers en ouders – het drastische besluit om de teams uit de competitie te nemen.

Haar gedachten liepen ongeveer als volgt: geen competitie, geen ergernis over resultaten. Geen ergernis over resultaten, geen coaching door ouders. Geen coaching, meer autonomie. Meer autonomie, meer ontwikkeling.

Logisch, maar ook excentriek. En dat werd snel duidelijk. Zo’n twintig kinderen, een derde van de leden, vertrokken bij de club. ‘Dat was even spannend’, zegt Sayers. ‘Hoe zou dat vallen? Maar uiteindelijk viel het mee.’

Hoe Sayers via de elitekleuters de aandacht van de FA kreeg

Sindsdien bloeit de vereniging.

Het alternatief voor competitie: vriendschappelijke wedstrijden. Met flexibele regels: soms met meer spelers, soms met minder spelers, soms op een kleiner veld, soms op een groter veld. ‘Wat bij de kinderen past.’ Zo zou Sayers ook reguliere competitie willen spelen.

En Sayers’ parallelle voetbaluniversum dijt uit. Mark Young, beleidsmedewerker van de lokale afdeling van de voetbalbond FA, zegt dat clubs in de regio Sayers’ ideeën overnemen. Hij is er blij mee: de lokale FA Salisbury Rovers al twee keer uit tot Club van het Jaar.

Kortom: je kunt op sociale media jammeren over het systeem, of je doet er wat aan.

En Sayers wil meer. Ze is een activist geworden, zegt ze. En activisten zoeken actie, en een brandstof voor actie is verontwaardiging. Wat ons terugbrengt naar de Junior Academy Elite Under 5s elitekleuters van Manchester City uit het begin van dit verhaal.

Toen de ophef was weggeëbd, begon Sayers met het schrijven van aan (landelijk) FA-baas Greg Clarke. Ze zette al haar klachten over het jeugdvoetbal uiteen, toegespitst op de case van Manchester City, en de race to the bottom voor voetbaltalent. De brief deed het goed op sociale media.

Misschien kwam het daardoor onder de aandacht van het hoofdkantoor op Wembley. Of misschien doordat Sayers de FA erop wees dat veel van de praktijken in het jeugdvoetbal in strijd zijn met het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind.

Dat verdrag ‘vrij spelen’ als een recht. Het jeugdvoetbal ondermijnt die rechten, aldus Sayers. Bijvoorbeeld door het scouten van jonge kinderen, maar ook doordat kinderen te weinig wordt gevraagd over de manier van spelen en trainen. Ze schrijft in de brief dat de FA zich hierover moet uitspreken.

Hoe dan ook: de FA luisterde.

De FA blijft stil

John Folwell, de baas jeugdvoetbal van de FA, reisde begin juni af naar Salisbury voor een gesprek met Sayers. Een andere FA-man praatte mee via Skype. Zó ver was ze al gekomen: drie jaar terug was ze een totale outsider, nu vergaderde ze met bobo’s over beleid. (Het lijkt haar nauwelijks te boeien.)

Sayers wilde dat de FA een position statement zou afgeven over jeugdvoetbal. Folwell vroeg haar daarvoor schriftelijk voorstellen te doen. Binnen twee dagen had ze die gestuurd. Voornaamste adviezen: dat de FA de clubs opdraagt de rechten van het kind te respecteren (en de kinderen dus laat meebeslissen over training en wedstrijden), dat de FA het scouten van kleuters veroordeelt, en dat de bond de clubs oproept kinderen niet al op jonge leeftijd in te delen in talentvol en niet-talentvol.

En: dat de FA oproept tot een wetenschappelijk debat over deze onderwerpen. ‘De positie van de FA moet evidence based zijn, niet anekdotisch’, ze.

Tot nu toe heeft ze nog geen antwoord gehad. (Ik mailde Folwell. Hij wil toelichting geven, maar wacht al drie weken op toestemming van de persvoorlichter. De persvoorlichter mailt niet terug en antwoordt niet op mijn telefoon, sms en appjes.) Het verbaast haar niet: de FA is bang grote clubs tegen het hoofd te stoten.

‘Ik ben maar een amateurcoach. Ik heb zo goed als geen macht’, mailde ze me vorige week. ‘Maar ik heb wel een stem. En ik weet dat mensen met macht nooit bang moeten zijn om uitgedaagd te worden. Juist zij niet: ze zouden graag in discussie moeten wíllen gaan.’

Maar welke voetbalbestuurder durft dat: een debat aangaan met deze formidabele vrouw, die slaagt in alles waar ze haar tanden in zet?

Meer lezen?

Deze jeugdopleider kijkt radicaal anders naar voetbaltalent (en dat geeft hoop) Bastiaan Riemersma verliet de grote, prestigieuze jeugdopleiding van PSV voor die van Willem II. Waarom? Omdat hij niet zeker wist of hij bij PSV een positieve of negatieve bijdrage leverde aan de talentontwikkeling in Nederland. Lees het stuk over Bastiaan Riemersma hier terug. Maak kennis met de voetbalclub die wil winnen door winnen af te schaffen Philippe Pinson, de baas van de jeugdopleiding van de Franse profclub FC Lorient, besloot zijn teams uit de competitie te nemen. De prikkel om te winnen op de korte termijn gaat ten koste van de ontwikkeling op de lange termijn, denkt hij. Lees het artikel over Pinson en Lorient hier terug.