Twee weken geleden was Louis van Gaal te horen Het ging over de spelers die hij had laten afvallen voor het Nederlands elftal na het eerste trainingskamp, op weg naar het wereldkampioenschap voetbal dat komende maand van start gaat in Brazilië.

Hij legde uit waarom hij Kenneth Vermeer, tweede keeper van Ajax, niet had geselecteerd. Van Gaal: ‘Het gaat tenslotte wel om ballen tegenhouden, dat is de hoofdzaak. Daarin is hij vergeleken met de andere twee keepers op dit trainingskamp, en was hij niet de sterkste.’

‘Ballen tegenhouden’ als primaire taak van de keeper, en als selectiecriterium voor het Nederlands elftal, dat klinkt logisch. Voetbalkenners roemen keepers die ‘punten voor hun teams pakken’ − het liefst met spectaculaire, onwaarschijnlijke reddingen. Hoe meer van die reddingen, hoe beter de keeper, en vandaar dat de keeper die dit in de voorselectie het minst goed doet − in dit geval Kenneth Vermeer − afvalt.

Maar klopt Van Gaals aanname dat ballen tegenhouden de belangrijkste taak van keepers is? Is het wel zo verstandig ze daarop te beoordelen?

Wat maakt een keeper goed?

Om dit uit te zoeken hebben we eerst onderzocht welke keeper de meeste ballen tegenhoudt. Alléén het aantal reddingen tellen zegt uiteraard niks: een keeper van een sterke club krijgt minder ballen te verwerken dan de keeper van een matige club. Zinvoller is het dus om te kijken naar percentages: hoeveel reddingen verrichten keepers per honderd schoten die ze tegen krijgen? Of in analistentaal: wat is hun save percentage (Sv%)?

Toegepast op eredivisiekeepers tijdens het afgelopen seizoen krijg je dan de volgende ranglijst:

Ajax-keeper Jasper Cillessen is volgens dit lijstje de beste keeper van de eredivisie. Jeroen Zoet van PSV, net als Cillessen ook onderdeel van de selectie van Van Gaal, staat in de middenmoot, en Kenneth Vermeer staat helemaal onderaan. Een belangrijke kanttekening: Vermeers score is minder veelzeggend dan de andere, omdat hij maar weinig wedstrijden speelde − Cillessen verdrong hem in september 2013 als eerste keeper van Ajax.

Dit lijkt helder en transparant, maar het is nog te simpel. Er zou namelijk ook een andere verklaring kunnen zijn voor deze score: Cillessen keept voor Ajax, Ajax is de beste ploeg, en heeft dus ook goede verdedigers voor zich staan, waardoor Cillessen minder gevaarlijke schoten te verwerken krijgt en zodoende meer ballen tegenhoudt.

Beter is het dus om ook te kijken naar dat keepers tegen krijgen. Preciezer: eerst kijken we naar de kwaliteit van de schoten die een keeper tegen krijgt, dan hoe vaak keepers hier gemiddeld redding op brengen, en ten slotte vergelijken we dat met wat individuele keepers daadwerkelijk deden. De resultaten staan hieronder weergegeven:

Opnieuw haalt Cillessen een indrukwekkende score. Een gemiddelde eredivisiekeeper had bijna 23 goals tegen gekregen uit de schoten die Jasper Cillessen te verwerken kreeg. Jasper Cillessen kreeg er maar 12 tegen.

Jasper Cillessen als beste keeper van Nederland, dat strookt met onze intuïtie. Maar Kristoffer Nordfeldt van Heerenveen als een na beste keeper (zie tabel)? Klopt dat ook? Het is in ieder geval contraintuïtief, maar wellicht tonen de cijfers iets wat we nog niet eerder wisten: dat Kristoffer Nordfeldt een ondergewaardeerd supertalent is.

Maar het kan ook zijn dat toeval hier een grotere rol speelt dan we denken. Als je een munt tien keer opgooit, heb je meestal vijf keer kop of munt, maar soms ook acht keer kop of zelfs negen keer munt. Precies zo kun je na een seizoen eredivisie uitkomen op Cillessen, Nordfeldt en Van Dijk als keepers 1, 2 en 3. De steekproef − 34 wedstrijden, ergens tussen de 300 en 600 schoten − is wellicht niet groot genoeg.

Kan een keeper zijn prestaties ook herhalen?

Gelukkig is er een simpele manier om dit te testen. Als een keeper echt een betere ballentegenhouder is dan andere keepers − en dat het cruciale verschil is tussen keepers, zoals Louis van Gaal denkt − dan zou die keeper in het volgende seizoen weer hoog moeten scoren. Anders was de prestatie in seizoen 1 geen teken van klasse, maar puur van geluk.

In de grafiek hieronder zie je de prestatie van keepers in het ene seizoen vergeleken met (Ze worden vergeleken op basis van dezelfde maat − het verschil tussen het verwachte aantal tegendoelpunten en de daadwerkelijke tegendoelpunten, de zuiverste vergelijking die er is.)

Illustratie: Momkai

Illustratie: Momkai

Toen wij deze grafiek voor het eerst zagen, waren we verrast, wat zeg ik, geschokt. Want: er blijkt nagenoeg geen verband te zijn tussen de prestatie van keepers Een keeper die in seizoen 1 goed was, kon in seizoen 2 (relatief) slecht zijn, of middelmatig, of opnieuw goed. Keepers kunnen hun prestatie dus niet altijd herhalen, en dat betekent: het percentage reddingen is voor een flink deel toeval, geen kwaliteit.

Keepers kunnen hun prestatie dus niet herhalen, en dat betekent: het percentage reddingen is grotendeels toeval, geen kwaliteit

Dat levert de opwindende gedachte op, vanuit voetbalwetenschappelijk opzicht, dat professionele keepers zich niet met hun reddingen van elkaar onderscheiden.

Hoe kan dit?

In The Success Equation beschrijft de vermogensbeheerder een aantal voorbeelden van hetzelfde fenomeen. Hoe groter de vaardigheid van individuen, hoe kleiner de onderlinge kwaliteitsverschillen, en hoe meer de uiteindelijke prestatieverschillen − die er altijd zijn − afhangen Dus wat je ook denkt van bijvoorbeeld Jeroen Zoet of Kenneth Vermeer: alle keepers in de voorselectie van het Nederlands elftal zijn atleten die dicht tegen de limiet aanzitten van het menselijk vermogen om ballen tegen te houden van mensen die − op hun beurt − tegen de grens aanzitten van het menselijk vermogen om ballen snoeihard langs goedgetrainde keepers te schieten.

Dit betekent niet dat ballen tegenhouden niet belangrijk is voor keepers. Dat is het wel: het grootste onderscheid tussen een professionele keeper en een amateur is dat de amateur veel minder ballen stopt. Maar een professionele keeper onderscheiden van andere professionele keepers, dat is een stuk moeilijker − en lukt in elk geval niet aan de hand van hun reddingen, want die blijken vrij willekeurig te zijn en per seizoen te verschillen.

Het verschil tussen een topkeeper en een topkeeper

De vraag is: hoe onderscheid je de topkeeper van de net iets betere topkeeper dan wél?

Dat zit waarschijnlijk in een combinatie van secundaire aspecten. Hoe een keeper zijn verdedigers aanstuurt, hoe hij met voorzetten omgaat, hoe hij opgesteld staat, en of hij ballen vaak klemvast pakt − dat alles helpt kansen van de tegenstander voorkomen. Ook zijn aanvallende prestaties kunnen een groot verschil maken: of hij goede keuzes maakt tussen uitgooien of uittrappen, of hij accuraat kan passen en zo een kansrijke tegenaanval weet op te zetten enzovoorts.

De data om al deze criteria te becijferen zijn helaas niet beschikbaar, maar het is waarschijnlijk dat topkeepers meer van elkaar zouden verschillen als ze aan de hand van deze aspecten zouden worden vergeleken dan als puur wordt gelet op het aspect ‘ballen tegenhouden’.

En het gekke is: dat weet Louis van Gaal. Ze stonden in zijn ‘profielschets’ van de ideale keeper, zo vertelde hij nota bene in hetzelfde interview op Radio 1 waarin hij stelde dat hij Vermeer liet afvallen op basis van het aspect ‘ballen tegenhouden’.

Zo bezien is het vreemd dat de bondscoach deze andere criteria ondergeschikt maakt aan een criterium dat voor topkeepers nu juist niet echt relevant blijkt: ballen tegenhouden. En niet alleen hanteert hij een irrelevant selectiecriterium, hij gebruikt ook nog eens een gênant kleine steekproef om dat criterium te toetsen. Want kennelijk maakt hij uit een paar trainingssessies van het Nederlands elftal op dat Vermeer minder ballen tegenhoudt dan zijn concurrenten.

Kortom, als Louis van Gaal zijn keeper heeft aangewezen zoals hij vertelde hij Radio 1, dan had hij net zo goed geblinddoekt met een dartpijl op de lijst eredivisiekeepers kunnen gooien.

Dit verhaal schreef ik samen met mijn vaste coauteur Sander IJtsma, die verantwoordelijk is voor het dataonderzoek.

Wil je op de hoogte blijven van mijn verhalen? Sport is een hypercompetitieve wereld die bol staat van innovatieve en archaïsche ideeën. Je kunt vechten of vluchten voor competitie. In mijn nieuwsbrief houd ik je op de hoogte van de artikelen die ik publiceer voor De Correspondent, deel ik de mooiste sportverhalen uit andere media en geef ik nutteloze feitjes die je kunt doorvertellen in de sportkantine of de kroeg. Schrijf je hier in voor mijn nieuwsbrief

Lees ook: De mythe van de voetbaltrainer die het verschil maakt Nu het WK in Brazilië nadert, zijn alle ogen gericht op bondscoach Louis van Gaal. Zoals na het kampioenschap van Ajax ook alle lof werd toegezwaaid aan trainer Frank de Boer. Maar talloze wetenschappelijke onderzoeken wijzen uit: voetbaltrainers maken zelden het verschil. Waarom blijven we toch zo hardnekkig geloven in de invloed van de coach? Lees hier ons stuk over de mythe van de invloedrijke trainer terug

Waarom schlemiel Lex Immers in werkelijkheid een van de beste voetballers van Nederland is De opvattingen van journalisten, trainers én toeschouwers over voetbal worden bepaald door simplistische, misleidende statistieken. Wie naar geavanceerdere data kijkt, ziet de sport opeens in een heel ander daglicht, stellen gastauteurs Michiel de Hoog en Sander IJtsma. Hoe een notoire kansenmisser een van de beste middenvelders van de Eredivisie blijkt te zijn. Lees hier onze analyse van misleidende voetbalstatistieken terug