De 'Champs-Élysées' van vluchtelingenkamp Al-Za’atari. Foto: Thijs Heslenfeld

Vluchtelingenkamp Al-Za’atari in Jordanië is in twee jaar tijd uitgegroeid tot het tweede grootste vluchtelingenkamp ter wereld - na Dadaab in Kenia. Er wonen momenteel zo’n 120,000 Syrische vluchtelingen, en elke dag komen er nieuwe mensen bij.

Ondanks het feit dat Al Za’atari nog maar kort bestaat, zag ik er in de praktijk gebeuren waar correspondent Maite Vermeulen vanochtend over Lees hier mijn verhaal over kampen die in steden veranderen schreef : het kamp verandert in een stad. De Syriërs breken de voorzieningen van de Verenigde Naties af, om de ruimte op hun eigen manier vorm te geven. Er zijn winkels, en zelfs een zelfbenoemde Minister van Elektriciteit.

De contouren van een stad

De autorit naar vluchtelingenkamp Za’atari aan de noord-oostelijke grens van Jordanië voert langs moskeetjes, straathonden en slaperige meloenenverkopers. ‘Almost Za’atari,’ zegt de taxichauffeur. Waar je tenten verwacht, word je verrast door een warenhuis op rechts. Groot en nieuw. Alsof de eigenaar denkt dat hij hier binnenkort prima zaken kan doen. Verder op de asfaltweg wordt het druk. Links staat een bushalte van de De organisatie van de Verenigde Naties met het mandaat om vluchtelingen te beschermen. . Rechts een enorme gepleisterde poort die wordt gebarricadeerd door mensen, auto’s en vrachtwagens. Achter de poort ligt een lange laan met aan weerszijden verdorde olijfbomen. Over die weg rijden we even later het kamp binnen.

Za’atari opende op 28 juli 2012 om Syriërs op te vangen die vluchten voor de burgeroorlog. UNHCR bouwde het kamp voor 60.000 mensen, in twee weken tijd. Het is in die tijd nog precies zo basaal en primitief als je van een vluchtelingenkamp verwacht: mensen slapen op de grond en vechten - letterlijk - om eten. De wachttijd voor sanitaire voorzieningen en medische posten zijn bedroevend lang - en de kwaliteit ervan bedroevend laag. Er is te weinig water en de situatie is, vanwege een gebrek aan toezicht, vooral voor alleenstaande vrouwen erg onveilig.

In deze periode pompen Jordanië en hulporganisaties dagelijks één miljoen dollar in het kamp om aan de gestelde Lees hier de standaarden standaarden van noodhulp te voldoen. Er komen klinieken, scholen, speeltuinen, politietoezicht, sanitairgebouwen, keukens, watertanken en elektriciteit. Totale kosten tot nu toe: 1 miljard dollar. Zeventig procent is voor rekening van Jordanië, de rest wordt gedekt door onder anderen de Verenigde Naties, het World Food Program, een nationale campagne van Saoedi-Arabië en Arabische sjeiks.

Maar in plaats van dat vluchtelingen in kleermakerszit voor hun tentjes de inspanningen van hulpdiensten zitten te bekijken, doen ze alles om het kamp naar eigen smaak in te richten. De structuur die UNHCR voor het kamp ontwierp, verandert door de cultuur van de Syriërs. En dat is een 93 procent van de bewoners van het kamp komt uit Dara’a, de zuidelijke grensprovincie van Syrië. Vanwege de mogelijkheden die de grens biedt voor smokkelactiviteiten, zijn ze gewend om hun inkomen daarmee te verdienen. Veel drugs in Saoedi-Arabië en de Golfstaten is via Dara’a binnengekomen. Een hekel aan autoriteit en toezicht gaat daarmee hand in hand. Dara’a is waar de Syrische Revolutie begon, in maart 2011. Kilian Kleinschmidt, de hoogste Kilian Tobias Kleinschmidt sprong in als crisismanager op 12 maart 2013. UNHCR wist geen ander persoon die een acceptabele leider zou zijn in de ogen van de Syriërs. Hij is ruim twintig jaar werkzaam in de noodhulpsector en staat bekend om het oplossen van onmogelijke situaties. Inmiddels heeft Kleinschmidt toegezegd nog twee jaar Senior Field Manager te blijven. Zijn komst heeft de relatie tussen de kampbewoners en het kampbestuur aanzienlijk verbeterd. zegt tijdens een avondwandeling door Za’atari: ‘Deze mensen accepteren niets van bovenaf. Alles van bovenaf associëren ze met Assad. Alles wat voortkomt uit eigen werk en rebellie is goed.’

Die rebellencultuur uit zich bijvoorbeeld in vluchtelingen die materiaal van gebouwen stelen om hun eigen voorzieningen mee te bouwen. Dat gaat ver. In april stalen tienerjongens het complete bureau van de Jordaanse politie. Eerst trokken ze de meubels naar buiten. Daarna droegen ze het dak, de muren en de fundering op hun ruggen weg. Wie te dicht in de buurt kwam, werd bekogeld met stenen. Per dag bouwen vluchtelingen vierhonderd privétoiletten, -keukens en –douches van materiaal dat ze stelen bij UNHCR-voorzieningen.

Enerzijds blijkt hieruit een probleem met orde en toezicht in het kamp, waarover het merendeel van hulporganisaties en de Jordaanse politie zich zorgen maakt. Anderzijds, en dit is voor de ontwikkeling van het kamp en de levenskwaliteit van Syriërs veel belangrijker, toont het de veerkracht en potentie van bewoners. Wie nog dacht dat Syrische vluchtelingen passief wachten op de diensten van hulporganisaties mag dat beeld bijstellen.

UNHCR plaatst bijvoorbeeld straatverlichting langs de hoofdwegen en direct staat een zelfbenoemd Minister van Elektriciteit op. Tegen betaling voorziet hij in no-time het halve kamp van stroom. Overal hangen nu trossen stroomdraad. Inmiddels heeft de minister 350 man in dienst en hebben vluchtelingen koelkasten, televisies en computers op het netwerk ingeplugd. Ze kopen die spullen bij één van de 3.000 bedrijfjes in het kamp, waaronder 600 winkels. Zo is in korte tijd de Champs-Élysées ontstaan, Za’atari’s befaamde brede winkelstraat die ruikt naar kebab, koffie en waterpijp. De Wifi is er zo goed dat vluchtelingen kunnen skypen met familie. Kleinschmidt: ‘Alles wat wij doen, doen zij zelf sneller en beter.’

Hulporganisaties kunnen dat kost wat kost verbieden, maar ze kunnen voor deze ondernemersgeest ook een gezond ondernemersklimaat ontwikkelen, en Syriërs een uitweg bieden uit het vacuüm van een vluchtelingenkamp.

De gesloten miljoeneneconomie

Qua inwonersaantal is het kamp de vierde grootste stad van Jordanië. Maar een échte stad is het niet. De kampeconomie is nog steeds afhankelijk van noodhulpgeld, en mag geen deel uitmaken van de landelijke economie van Jordanië. In de landelijke of regionale politiek van Jordanië tellen de 116.000 bewoners niet mee, want ze hebben geen stemrecht. En de zeventig baby’s die wekelijks geboren worden zijn allemaal net zo stateloos als iedere illegaal die in Nederland in een bushokje ligt te slapen. Za’atari zit vol stedelijke potentie, maar door het gebrek aan vrijheid kunnen bewoners het kamp niet tot een stad ontwikkelen.

Za’atari is een potdichte miljoeneneconomie. Omdat humanitair geld niet bedoeld is voor economisch gewin, blijft handel met partners buiten het kamp illegaal. Zodoende blijven vluchtelingen ondanks hun groeiende economie vastzitten in een illegale situatie, en dat heeft drie negatieve gevolgen.

Ten eerste gaan de vluchtelingen ondanks alles door met handelen en begeven zij zich dus constant in een illegaal circuit waarvan opportunistische en criminele buitenstaanders gemakkelijk misbruik maken. Een UNHCR-tent levert vluchtelingen bijvoorbeeld maar veertig dollar op, terwijl UNHCR er 350 dollar voor heeft betaald. Hetzelfde geldt voor voedsel, dat voor een kwart van de marktwaarde in de zakken van handelaars buiten het kamp verdwijnt.

Ten tweede verdwijnt het hulpgeld van de Jordaanse overheid en organisaties door deze beperkingen in een bodemloze put. Het is onmogelijk om dergelijke bedragen zonder retour op te blijven hoesten.

Ten derde voelt de Jordaanse bevolking zich terecht benadeeld. In een Syrisch kamp, dat in hun ogen tijdelijk is, wordt een miljard dollar gestoken, terwijl Jordanië zelf in een ernstige economische crisis verkeert. De vluchtelingenstroom is daar ook nog eens een grote oorzaak van. Huren stijgen snel, evenals het watertekort. Er is gebrek aan woonruimte. En zij moeten wel voor alles zelf betalen.

Maak van het kamp een tijdelijke stad

De oplossing die Kleinschmidt heeft voor de problemen in Za’atari lijkt simpel: het kamp moet doorschakelen van fase noodhulp naar fase ontwikkelingshulp. Hij wil de uitdeelnoodhulp van voedsel en spullen vervangen door gereguleerde cash transfers. Economisch verkeer met partijen buiten de kampgrenzen moet gelegaliseerd worden, want: ‘Hoe kun je in vredesnaam een economie van 350 miljoen dollar hulpgeld per jaar afsluiten van het ontwikkelingsgebied buiten het hek? Als we de economie open gooien, kunnen zowel Jordaniërs als vluchtelingen daarvan profiteren. Spanningen nemen af en je bereidt vluchtelingen veel beter voor op een zelfstandige terugkeer.’

Als economisch verkeer buiten het kamp gelegaliseerd is, moet die ook gereguleerd worden. Vluchtelingen moeten gaan betalen voor voorzieningen. De Minister van Elektriciteit moet niet zomaar meer de volle winst kunnen opstrijken van door UNHCR betaalde elektriciteit. Kleinschmidt ziet het als het teruggeven van waardigheid aan de Syriërs. ‘We zijn eerlijk tegen hen: UNHCR kan niet doorgaan met het financieren van 400.000 dollar per dag aan elektra. Als ze iets willen, moeten ze betalen. Zo gaan ze verantwoordelijker keuzes maken.’ Zes handelaars hebben al vrijwillig bij de Jordaanse politie aangeklopt: ‘Als je onze handel legaliseert, mag je een rekening sturen voor ons elektriciteitsverbruik.’

Het rebellenkamp Za’atari wordt dankzij de koppigheid van Syriërs en visionaire leiders als Kleinschmidt steeds meer bestuurd als een ontwikkelingsstad. Naast economische vrijheid komt ook democratisch bestuur in zicht. Om nieuwe economische structuren te scheppen heeft Kleinschmidt het kamp verdeeld in twaalf districten waar UNHCR en de Jordaanse overheid een bestuur gaan vormen met vluchtelingen. Er komen eigen coördinators en ook een kadaster. Per district wil Kleinschmidt betalingssystemen opzetten waarover hij al in gesprek is met de World Bank en MasterCard. Met Jordaanse eigenaren van grote supermarktketens praat hij over filialen in het kamp, om de Jordaanse economie mee te laten profiteren.

Maar ze hebben geen paspoort

Tijdens een verblijf in Za’atari wisselen blijmoedige verbazing over de fantastische ondernemersgeest in het kamp en teleurstelling over hun beperkte mogelijkheden elkaar af. Die teleurstelling maakt weer plaats voor hoop, als een visionair als Kleinschmidt die beperkingen uit de weg probeert te ruimen. Za’atari lijkt een voorbode van een nieuwe ontwikkeling waarin kampen die soms al decennia niet-erkende steden zijn, nieuwe mogelijkheden krijgen.

Maar dan ontmoet ik tolk Anwar (24). Hij draagt iedere dag spierwitte, gladgestreken overhemden en schone witte sokken. Nog één jaar studeren en dan heeft hij zijn tweede universitaire diploma op zak. Hij is een onafhankelijk denker, die openlijk kritiek durft te leveren op zowel Bashar al-Assad als het Vrije Syrische Leger. Bij de stadspoort van Za’atari lopen mensen met een paspoort moeiteloos naar buiten. Maar Anwar heeft er geen, en daardoor reikt zijn vrijheid niet verder dan de muren van het kamp. Hij mag niet werken, niet huren, niet reizen buiten het kamp en heeft geen aanspraak op burgerrechten. Zijn ontwikkeling staat stil.

Door dat besef rijst de vraag hoe lang het nog duurt voordat de plannen van Kilian Kleinschmidt zijn doorgevoerd. Ze klinken helder als glas, maar zijn moeilijk uitvoerbaar vanwege het tijdelijke mandaat van de UNCHR en de - begrijpelijke, afwerende houding van de Jordaanse overheid. Hopelijk houden die blokkades de overgang naar een fase met meer vrijheid en mogelijkheden niet decennialang tegen. Zo’n lange overgangsperiode is voor Anwar en zijn medebewoners namelijk levenslang.

Facebook
Twitter
LinkedIn
Whatsapp
E-mail