Dat politici baantjesjagers zijn, en zakkenvullers, en parasieten, dat ze wereldvreemde profiteurs zijn, dat ze geen voeling hebben met het leven van de gewone man, dat ze allemaal maar beter kunnen opzouten: de slagzinnen zijn genoegzaam bekend. Populisten bedienen zich er dagelijks van. Volgens hun diagnose is de crisis van de democratie waar ik de vorige week in eerste instantie een crisis van het politieke personeel. De huidige bestuurders, zo luidt de redenering, vormen een democratische elite, een kaste die volkomen vervreemd is van de noden en de grieven van de modale bevolking. Geen wonder dat de democratie in zwaar weer verkeert!

Het is een discours dat we in Europa kunnen optekenen uit de mond van inmiddels belegen leiders als Silvio Berlusconi, Geert Wilders en Marine Le Pen, maar ook uit de mond van nieuwkomers als Nigel Farage en Beppe Grillo en van partijen als Jobbik (Hongarije), de Ware Finnen en (Griekenland). De remedie voor het is volgens hen relatief eenvoudig: een betere volksvertegenwoordiging, of liever gezegd, een volksere volksvertegenwoordiging, bij voorkeur verkregen door een hoger stemmenaantal voor de eigen populistische partij. De leider daarvan profileert zich namelijk als de rechtstreekse woordvoerder van het volk, als de spreekbuis van de onderbuik, de belichaming van de common sense. Anders dan zijn collega’s beweert hij dicht te staan bij de man en de vrouw in de straat. Hij zegt wat zij denken en hij doet wat moet. De populistische politicus is één met het volk, zo wil de retoriek.

Populistische partijen in Europa zijn vooral de afgelopen vijftien jaar aan een opmars bezig, zie de procenten in de drie rechter kolommen. Hun aandeel in zetels (in procenten):

Land 1980 - 1984 1985 - 1989 1990 - 1994 1995 - 1999 2000 - 2004 2005 - 2010
Oostenrijk 5 9,7 19,6 25,9 10 21,7
België 1,1 1,7 7,8 10,8 13,7 10,9
Denemarken 0 0 0 7,4 12 13,6
Finland 0 0 0 0,5 1,6 4
Frankrijk 0,4 9,7 12,7 15,3 12,2 4,3
Duitsland 0 0 2 3 0,6 0,6
Griekenland 0 0 0 0,2 1,4 4,8
Ierland 0,3 1 1,6 2,5 6,5 6,9
Italië 0,6 1,3 8,7 11 4,3 7,9
Luxemburg 0 7,9 9 11,3 10 8,1
Nederland 0,5 0,7 2,5 0,5 11,4 10,7
Portugal 0 0 0 0 0,1 0,2
Zweden 0 0 0,2 0,4 1,4 4,3
Zwitserland 3,4 5,6 8,5 5 1,2 0,6
Groot-Brittannië 0,1 0 0,2 0,4 1,7 4

Bron: Peter Mair 2013: Ruling the Void: The Hollowing of Western Democracy, p. 112


Dat dit verhaal aan alle kanten rammelt is voldoende bekend. Er is niet één monolithisch "volk" (elke samenleving bestaat uit diverse onderdelen), er is niet zoiets als het Volksempfinden, en common sense is het meest ideologische dat er is. Common sense is ideologie die weigert haar eigen ideologie te zien, een dierentuin die oprecht denkt ongerepte natuur te zijn. Dat iemand op organische wijze versmolten kan zijn met de massa, doordesemd van haar waarden en feilloos bewust van haar veranderlijke smachten, neigt dan ook eerder naar mystiek dan naar politiek. Er is geen grondstroom, enkel marketing.

Populisten proberen een zo groot mogelijk marktaandeel te scoren, desnoods met wat romantische kitsch

Populisten zijn politieke entrepreneurs die proberen een zo groot mogelijk marktaandeel te scoren, desnoods met wat romantische kitsch. Niet duidelijk is hoe zij, als zij eenmaal de macht hebben verworven, willen omgaan met andersgezinden, want democratie is de macht van de meerderheid met respect voor de minderheid – anders degradeert ze tot de fameuze "dictatuur van de meerderheid" en dan zijn we nog verder van huis.

Populisme als oplossing voor de zieke democratie is daarom geen veelbelovende weg. Maar het is niet omdat de remedie van het populisme niet deugt dat de diagnose geen waardevolle elementen kan bevatten. De huidige volksvertegenwoordiging heeft inderdaad een legitimiteitsprobleem, daar hebben de populisten gelijk in. Het aantal hooggeschoolden in onze parlementen is zo buitensporig groot dat terecht gesproken wordt van een

Wie de populistische politicus daarom meteen maar bij het grof huisvuil zet, gaat voorbij aan de drijfveren van de populistische kiezer. Populistisch stemgedrag verwoordt immers, op onhandige wijze weliswaar, het blijvende verlangen naar politieke betrokkenheid van  in onze samenleving. 

Bovendien is er een probleem met de rekrutering. Vroeger werden volksvertegenwoordigers gekozen ‘omdat ze in de samenleving iets betekenden,’ stelde de socioloog nu zie je, ook bij de populisten, steeds meer ‘politieke professionals, vaak jongeren met meer ambitie dan ervaring. Ze gaan iets betekenen omdat ze worden gekozen.’

Eveneens problematisch is de tendens om de functie van parlementslid als een interessante carrière te beschouwen, als een volwaardige loopbaan, niet als een tijdelijke dienst die je gedurende enkele jaren aan de gemeenschap verleent. Soms gaat het zelfs van vader op zoon. In Vlaanderen zijn er daardoor enkele "democratische dynastieën" ontstaan: de tweede generatie van de families De Croo, De Gucht, De Clercq, Van den Bossche en Tobback is al aan zet. Naamsbekendheid bespoedigt de tocht naar het parlement, ‘terwijl sommigen met een andere naam nog niet eens in de gemeenteraad zouden zijn geraakt,’ zoals een voormalig toppoliticus het mij eens off the record vertelde.

Het populisme louter wegzetten als een vorm van antipolitiek lijkt me intellectueel oneerlijk. Op zijn best is het een poging om de crisis van de democratie te bestrijden door de legitimiteit van de representatie te verhogen. Populisten willen het Democratisch Vermoeidheidssyndroom bestrijden door een eenvoudige, maar forse ingreep: een bloedtransfusie, zo integraal mogelijk. Vers volk in het parlement! En de rest volgt vanzelf. Beweren ze. Tegenstanders vragen zich af of daarmee de efficiëntie geholpen is. Krijg je een beter bestuur met andere figuren aan boord?