En daar zaten we ineens weer. Een Brussels café, vorige week maandag. Het was avond en we zaten naast elkaar, net zoals vroeger. Naar de mensen kijken, elkaars dij voelen, denken aan die ene zin van Aimer, ce n’est pas se regarder l’un l’autre, c’est regarder ensemble dans la même direction.’

Ja, wij hebben vaak in dezelfde richting gekeken. Zes jaar lang. Begaan met zoveel, verwonderd over nog meer en soms simpelweg gelukkig met het appel-wortel-gembersap dat we op zondagochtend voor elkaar persten.

En hier zaten we weer. Na drie maanden stilte. Ze bestelde port. Vreemd, dat deed ze vroeger nooit. Alles was anders, en toch leek het als vanouds.

Wie zijn toch die mensen die we ooit zo hebben liefgehad? Het woord ‘ex’ doet geen recht aan de intense, veellagige verhoudingen die we overhouden aan onze vroegere liefdes. Misschien zijn oud-geliefden wel de meeste duurzame relaties in een mensenleven. De liefde ging voorbij, het verleden blijft, zoiets. Maar waarom moet dat zo vaak ondraaglijk zijn? Zo verbitterd blijven? Verdriet dat zich vermomt als hardheid. Verlies dat zich uitdrukt in nijd. Doodzonde. Het is toch niet omdat een relatie voorbij is dat de vriendschap ophoudt? Het is toch niet omdat het vormpje niet meer past dat de inhoud is verdampt?

Soms vloeien levens samen, soms vloeien ze weer uiteen. schreef daarover het mooiste afscheidsgedicht uit de Nederlandse poëzie:

Morgen
ga ik naar de vrouw van wie ik hou
en geef ik haar vleugels terug.

Natuurlijk is het nog beter als die vleugels nooit afgenomen werden tijdens de relatie, maar vleugels zijn zo licht, je weet vaak niet eens of je ze nog op hebt of niet.

Wat te doen met de lingerie uit Parijs?

Ik heb nooit zussen gehad, maar oud-geliefden komen in de buurt, denk ik. Vrouwen die me door en door kennen, bij wie ik niets te verbergen heb, die ik nog steeds graag zie. Niet zeker of ik met een van hen zou willen herbeginnen, maar heel zeker dat ik de tijd met hen voor geen geld ter wereld had willen missen. Ze mogen allemaal op mijn overlijdensbrief komen te staan.

Ze staat op om nog iets te bestellen aan de bar. Je denkt aan die keer, lang geleden, dat je een vrouw probeerde te verleiden met de woorden ‘kom laat ons iets beginnen, ik zal een geweldige ex zijn,’ een belofte die je nog bent nagekomen ook. Je denkt aan die keer dat je iemand anders opnieuw zag: bij het begin van de afspraak begreep je weer waarom je ooit iets begonnen was, tegen het eind wist je weer helemaal waarom je uiteen moest gaan. Een timelapse van de relatie.

Ze staat aan de bar. Ik zie haar en profil. Ik moet mijn best doen om haar schoonheid niet te zien. Het lukt me niet. Dan maar kwelling. In mijn kleerkast hangt nog steeds lingerie van haar. Ooit voor haar gekocht, in Parijs natuurlijk. Ik weet niet wat ermee te doen. Teruggeven? Maar zal ze dat dan ooit voor een ander dragen? Aan iemand anders geven? Nee, dat kan echt niet, dan zou ik twee mensen verraden. Maar een ander kan zich toch niet wikkelen in ons verlangen?

Het Museum of Broken Relationships

Misschien moet ik het maar naar Zagreb opsturen. Daar is het ondergebracht, wellicht het ontroerendste museum van heel Europa. Het werd opgericht door een kunstenaarskoppel dat uiteen ging. Wat te doen met onze gemeenschappelijke spullen, zeiden ze? Kom, in plaats van de cd’s en de boeken pijnlijk te verdelen en met ons mee te zeulen als een permanente open wond, stellen we ze gewoon tentoon, als een memento aan onze tijd samen. Dat sprak zo aan dat ook anderen na een relatiebreuk voorwerpen begonnen op te sturen. Een cassettebandje, een trui, een bijl, een boarding pass, een paar roze handboeien. De nog steeds wassende collectie is van een hartverscheurende schoonheid.

Waar is Europa? Daar is Europa. Wij zijn het continent der exen. Ik heb het niet geteld, maar ik vermoed dat wij het continent zijn met het grootste aantal exen. Dat is de prijs voor de individuele vrijheid die we sinds de Renaissance koesteren en de romantische liefde die we sinds de Romantiek belijden. Maar het is ook een plek waar we met ons gestuntel terecht kunnen, waar we troost vinden in de herkenbaarheid van andermans gepruts en hunkering. Dat museum is een kapel, een bedevaartsoord voor al die tochtige, druipende harten die wij zijn.

Ze stapt op me af met die argeloos sensuele manier van bewegen die de hare is. Ze heeft haar portemonnee onder haar arm gekneld terwijl ze de twee glazen bier voor zich uitdraagt. Die rare port was maar een bevlieging, denk ik. Ik neem een glas aan, ze vleit zich weer naast me neer, we toasten, we glimlachen, we proeven. En achter in mijn hoofd hoor ik krekels en Satie en suizen de turbines van de herinnering, terwijl heel mijn huid zich afvraagt of ik, of dat dinges, of dat appel-wortel-gembersap, of ik dat ooit nog met iemand anders ga kunnen drinken.

Meer odes?

Ode aan de mooiste mens die ik ooit heb ontmoet Wekelijks bezing ik iets, iemand of ergens. Deze week: wellicht de mooiste mens die ik ooit heb ontmoet. Een ode aan het mededogen. Lees het stuk hier terug Ode aan de nachtelijke autorit Wekelijks bezing ik iets, iemand of ergens. Vandaag: het heimelijke genot van ‘s nachts urenlang over de snelweg rijden. Lees hier mijn ode terug Ode aan het verliefdste popliedje ooit Wekelijks schrijf ik een ode aan een of ander voortbrengsel. Deze week aan het verliefdste liedje uit de popgeschiedenis: Love Street van The Doors. Lees hier de ode terug