Velen vinden economie belangrijk. Weinigen vinden het interessant. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat 47 procent van de ondervraagden economie en financiën als het grootste nationale probleem bestempelde in 2012. Slechts 19 procent zegt in een peiling naar het mediagebruik van Nederlanders geïnteresseerd te zijn in economie. Vrijwel elk ander onderwerp scoort hoger. Hoe kan het toch dat een onderwerp dat zo belangrijk wordt gevonden zo weinig interesse wekt? 

Op slechte dagen vrees ik dat ontoegankelijkheid inherent is aan economie. Het onderwerp heeft immers een paar grote moeilijkheden. De vereiste hoeveelheid voorkennis is veel groter dan bij andere onderwerpen. Toen ik economie begon te volgen kwamen er zaken langs – 700 miljard staatssteun aan Amerikaanse banken; centrale bank verlaagt de rente met 300 basispunten; hypotheekschulden bedragen 120 procent van het bbp – die niet te plaatsen waren. Wat betekent het nu eigenlijk? 

Het zelfbevlekkende gebruik van jargon is vaak totaal onnodig, maar voor je het weet ben je zelf ook ‘geld’ aan het omdopen tot ‘liquiditeit’. Daar moet je voor oppassen. Toch is er ook jargon dat noodzakelijk is. Bruto binnenlands product, eigen vermogen, ze behoeven uitleg, maar die uitleg kan, met het oog op de lengte en leesbaarheid, niet in elk stuk gegeven worden. Economie heeft ook iets onmenselijks. Stalin schijnt ooit gezegd te hebben dat de dood van een enkeling een tragedie is, maar de dood van een miljoen een statistiek. In de economie komt het onrecht helaas vaak in miljoenen, in kille cijfers, en is een directe link met de tragedie moeilijk te leggen.

Gelukkig zijn er ook goede dagen. Economie is zo belangwekkend dat het, mits in de juiste vorm, wel gelezen moet worden. Geld is ons beloningssysteem, ons maatschappelijk scorebord. Van onze cultuur tot onze politiek, er is vrijwel niets dat onaangetast blijft door de logica van de economische machine. Die logica begrijpen is een belangrijk deel van de wereld begrijpen. Alleen al daarom moet er, ondanks alle barrières, belangstelling zijn voor economie. 

Economie is zo belangwekkend dat het, mits in de juiste vorm, wel gelezen moet worden

Ik zal proberen om iets over te brengen van die interessante wereld van het geld. De ambitie van De Correspondent om ‘dieperliggende structuren en ontwikkelingen achter het nieuws’ in beeld te brengen sluit goed aan bij de mijne. Geen verhaal over de kwartaalcijfers van Google, maar over de uitzonderlijke machtspositie van internetmonopolisten als Google. Geen verhaal over de meest actuele woningprijzen, maar over hoe de woningmarkt is veranderd door de decennia heen. Zulke context is waardevoller en hopelijk leesbaarder dan het zoveelste nieuwsartikel.

Veel van die context zit in de geschiedenis. Veel debatten zijn al gevoerd, beleid al geprobeerd en fouten al gemaakt. De geschiedenis plaatst zaken in perspectief. Neem het bedrijf Philips. Philips kon groot worden omdat Nederland tot 1912 geen patentrecht had. Schaamteloos werd de Amerikaanse gloeilamptechnologie gejat, zonder hiervoor dure licentierechten te betalen. Philips’ gloeilampen konden daarom veel goedkoper gemaakt worden dan in landen die wel patentrecht hadden.

Inmiddels, honderdvijftig jaar later, zijn de rollen omgedraaid. Philips loopt mee in de technologische voorhoede en met opgeheven vinger veroordeelt het bedrijf de piraterij van Chinese concurrenten. De ironie is Philips blijkbaar volledig ontgaan. En ons ontgaat het grotere verhaal: dat landen die economisch voorop lopen eigenlijk advies geven dat ze ten tijde van hun eigen ontwikkeling in de wind sloegen. 

Mijn werkhypothese is altijd dat de meeste mensen ernaast zitten. De economie is wat dat betreft een dankbaar onderwerp

Ik zal het ook niet schuwen om alternatieven te bieden. Onrecht is pas te diagnosticeren als er een beter alternatief denkbaar is. Menig pijnlijke economische operatie wordt verdedigd met de retoriek van het voldongen feit – de retoriek van alternatiefloosheid. De pensioenen moeten gekort worden, omdat de pensioenpotten nu eenmaal uitgeput zijn. Bezuinigingen doorgevoerd, omdat een te hoog begrotingstekort onacceptabel is. Zulk defaitisme moet, als er wel degelijk alternatieven beschikbaar zijn, bestreden worden.
Objectiviteit moet wat mij betreft niet een evenwicht van autoriteiten zijn, maar een evenwichtige afweging van feiten en argumenten. Wie afging op wat onze economen en beleidsmakers de afgelopen vijftien jaar beweerden over de economie had er weinig van gebakken. Mijn werkhypothese is altijd dat de meeste mensen ernaast zitten. De economie is wat dat betreft een dankbaar onderwerp.

De taak van de journalist houdt niet op bij simpele verslaggeving. Economische historici zijn vandaag de dag vrijwel unaniem in hun negatieve oordeel over het bezuinigingsbeleid van de kabinetten-Colijn in de jaren dertig. Onnodig werden honderdduizenden tot werkloosheid veroordeeld. Had een journalist in de jaren dertig zijn werk gedaan als hij droogjes verslag had gedaan van Colijns besparingsoperaties? Ik vind van niet. Je moet aan de goede kant van de geschiedenis willen staan.

Dit zijn een paar van de – toegegeven: hoogdravende - principes en ambities die ik in de praktijk wil brengen. Hopelijk lukt dat. Een onderwerp als de economie verdient het in ieder geval gelezen te worden.  

Mijn eerste verhaal zal gaan over goede ideeën van dode economen. Terwijl het liberale geloof door de crisis lijkt te zijn ondermijnd is het gedachtegoed van klassiek liberale economen als John Stuart Mill, Samuel van Houten en John Maynard Keynes springlevend. Deze economen maakten een onderscheid tussen de rentenier, die slapend rijk wordt, en de ondernemende kapitalist, die wel werkt voor zijn geld. Dat onderscheid is helaas vergeten, maar is door de crisis in feite actueler dan ooit. De financiële crisis is een crisis van de rentenier, niet van het kapitalisme dat echte liberalen voor ogen hadden.