Hoe  drukker, hoe sneller de dag voorbij gaat. Hoe talrijker het volk, hoe overvloediger de praat.

Het zijn lange dagen die ze maken, uitbater Edwin, moeder Mia, vader Will en zus Moniek. Het openbaar toilet op het NS-station in Eindhoven is het hele jaar open. Op werkdagen van zeven uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds. In de weekenden en op feestdagen een uur korter. Dat is 103 uur per week.

Edwin draait de meeste uren. Drie volle dagen van vijftien uur. Daarnaast nog eens twee ochtenden en twee middagen. Hij is dan ook de baas. Hij haalt elke week voldoende chloor, groene zeep, vloerreiniger en wc-papier bij de Makro. Hij zorgt dat er elke dag drie schone doekjes liggen: een voor de wc-brillen, een voor de wasbakken en een voor nood. Hij betaalt de huur aan de NS: 300 euro per maand.

Vandaag werkt Moniek. ‘Ik verveel me nooit. Er is altijd wat te buurten’

Hij leegt ook de geldautomaat. Om hier binnen te komen moet je daar vijftig eurocent in werpen. Aan het begin en eind van een werkdag rinkelt de automaat het vaakst. En als de middelbare scholen uitgaan. Aan het eind van de week is het drukker dan na het weekend. Met Koninginnedag en Carnaval is het ‘een gekkenhuis’.

Verder is er geen pijl op te trekken. Hoeveel bezoekers trekt dit openbaar toilet op een doorsneedag? ‘De ene dag: 400 man’, schat Edwin. ‘De andere: 700’. Netto, zegt hij, verdient hij tussen de 2.000 en 2.200 euro per maand.

Vandaag werkt Moniek. Van twaalf tot tien. Het is een stille maandag. ‘Ik verveel me nooit.’ Dat zegt ze om 12.30 uur. ‘Er is altijd wat te buurten.’

En anders is er de tv die altijd aanstaat. ‘Voor het geluid. Je kunt die programma’s toch niet volgen als je werkt.’ Moniek heeft een zwak voor misdaadprogramma’s. RTL Crime Investigation. Of Nightmare nextdoor op Investigation Discovery. 

 

Foto’s: Maurice van Es
Foto’s: Maurice van Es

Dat voel je als een wc-bezoeker je opeens doordringend aankijkt

Zo’n programma kruipt ongemerkt onder je huid. Dat voel je als een wc-bezoeker je opeens doordringend aankijkt. Als hij sist dat je niet zo lang naar hem moet staren. Monique belt meteen naar Edwin, die ze ‘Ed’ of ‘Edje’ noemt.

‘Ken jij die jongen met die dreadlocks en dat mutsje op en die tatoeages in zijn nek en zijn gezicht? Nee, niet die pikzwarte. Een beetje getinte. Dat is een hele irritante vent. Een beetje een engerd. Weet je wie ik bedoel? Die zei dat ik niet zo naar hem moest kijken. Ik denk dat hij straks weer terugkomt. Mijn voorgevoel bedriegt me niet. Die komt straks terug. Wie moet ik dan bellen? Het is echt een engerd, Ed.’ Als ze heeft opgehangen: ‘Zo’n lolletje is het hier soms niet.’

‘Nu is het wel echt saai. De tijd wil niet vooruit.’ Moniek om 14.30 uur.

15.30 uur. ‘Dan ga ik maar weer dweilen. Als je bezig bent, dan vliegt de tijd.’

16.30 uur. ‘Het wil maar niet opschieten. Deze spits stelde ook niks voor.’

17.00 uur. ‘Als het straks zes uur is geweest, dan is het zó laat.’

Ze weet wat haar te doen staat voor ze afsluit. Daarvoor hoeft ze niet op de binnenkant van de werkkast te kijken, waar moeder Mia een briefje opgehangen heeft: 

‘Hallo, voordat jullie naar huis toe gaan, zouden jullie kunnen zorgen dat de volgende punten gedaan zijn:

1.De toiletruimte goed vegen.

2.Toiletten goed poetsen ook de zij- en onderkant.

3.Plateaus en vuilnisbakken poetsen.

4.De vuilnisbakken ook die in de damestoiletten verschonen.

5.Kranen, zeepbakjes.

6.Handdroger afdoen.

7.Spiegels en de glazen deuren poetsen ook de spiegel in de babyruimte.

8.De babyruimte schoonmaken en zeker de vuilnisbak even controleren ook al zit er maar één luier in, toch schoonmaken.

9.Werkkast en de hal vegen.

Bedankt zo blijft het voor iedereen schoon.’

 

Foto’s: Maurice van Es
Foto’s: Maurice van Es

Er staan rijen voor de ingang. Er staat rijen voor de uitgang

Edwin komt vrijdagavond niet eens aan die grote schoonmaak toe. Zo druk is het. Er is een lichtevenement in de stad. Heel Nederland lijkt uitgerukt. En ze komen hier allemaal poepen en plassen. Er staan rijen voor de ingang. Er staat rijen voor de uitgang. De ingang is de uitgang. Wie mag eerst? Edwin lijkt wel een verkeersregelaar.

Meer dan honderd bezoekers per half uur. Urenlang. Er staan rijen voor de toiletten, rijen voor de urinoirs. Alle zeven wasbakken, alledrie de handdrogers zijn bezet. Om gek van te worden. Hoe moet Edwin nu poetsen? Wanneer kan hij met zijn doekjes over de wc-brillen en door de wasbakken gaan? ‘Het moet hier wel schoon zijn.’ Elk moment van relatieve rust grijpt hij aan. ‘Even moppen. Even glad trekken.’

Straks wacht de beloning. Zoals de geldautomaat vanavond tikt, zo tikt hij anders nooit. ‘Van dit soort dagen moet ik het hebben.’

Edwin popelt om de automaat te legen. De bezoekers blijven maar komen. Het is al ver na tien uur. ‘Daar geniet ik van. Daar doe ik het voor.’ Eindelijk heeft hij zicht op de opbrengst. Meer dan 800 euro. Hij laat de munten rinkelend door zijn vingers gaan. Hij propt ze in plastic zakjes. Hij parkeert die plastic zakjes in een boodschappentas van Albert Heijn.

Als hij die tas optilt bij het weggaan moet hij opeens aan zijn hernia denken. ‘Dit is niet goed voor mijn rug’, zegt hij met een brede grijns.

Poetsen doet hij morgenochtend om zes uur wel.