Het jeugdvoetbal kampt met een groot, onzichtbaar en mysterieus probleem.

Het is groot, omdat het stress veroorzaakt en Omdat talent erdoor Omdat veel talent erdoor

Het is onzichtbaar, omdat het niet geldt als probleem, maar als een doel.

En het is mysterieus, omdat zelfs degenen die het probleem zien, niet goed wat ze ertegen kunnen doen.

Het

Altijd willen winnen.

Het risico van een winnaarsmentaliteit

Dit klinkt vreemd. Winnen - daar gaat het toch om in de sport? Hoe kan winnen het probleem zijn? Waarom zou je dat niet willen?

Foto: Jip Broeks (voor De Correspondent)
Foto: Jip Broeks (voor De Correspondent)

Met kinderen die willen winnen, is niets mis - en kinderen willen maar wat graag winnen. Het gaat fout als volwassenen willen dat kinderen winnen - en volwassenen willen dat continu.

Coaches die langs de lijn aanwijzingen schreeuwen, ouders die basisplaatsen eisen voor hun kinderen, clubs die jongere kinderen scouten - het zijn Maar die darwinistische tijgermoeders, drilsergeanten, en goudzoekers zijn niet het grootste probleem. Het ligt subtieler.

Clubs die weten dat het om 7-jarigen te scouten, doen het toch - omdat die speler anders naar een andere club gaat. Trainers die weten dat het resultaat niet zaligmakend is, laten hun ploegjes desondanks puur op winst spelen - want als je niet vaak genoeg wint, komt er kritiek. En scouts die weten dat vroegrijpe spelers niet de grootste talenten zijn,

Besmet met championitis

Het is, kortom, een heel ecosysteem dat volwassenen aanzet tot dit gedrag. Ze zijn dader en slachtoffer tegelijkertijd.

De Vlaamse jeugdopleider Bob Browaeys bedacht voor dit fenomeen een treffende term: Want de wens van volwassenen om te winnen, is zeer besmettelijk. Zodra de een eraan begint, volgt de ander. En als er een ranglijst wordt bijgehouden, doet iedereen eraan mee.

Wat te doen?

Onlangs stuitte ik op een club die een radicale keuze maakte, die de problematiek bij de wortel probeert aan te pakken en die daarmee misschien een blauwdruk levert voor een betere jeugdopleiding. Hun besluit?

Helemaal geen competitie spelen.

Een weloverwogen radicaal

De club die dit besluit nam is een profclub die tot vorig jaar in de hoogste Franse divisie speelde.

Drijvende kracht achter het besluit: Philippe Pinson, een van de twee leiders van de jeugdopleiding. Ik ontmoet hem in Utrecht, als hij en zijn gezin in hun camper op doorreis zijn naar Denemarken. De grote vraag die ik wil voorleggen is: waarom maakte Pinson deze gewaagde keuze?

Tijdens het gesprek geeft hij hier op diverse momenten antwoord op, gevraagd en ongevraagd. Hij spreekt bedachtzaam en zachtjes, waardoor je niet meteen doorhebt dat zijn teksten revolutionair en radicaal zijn.

‘Spelen in een competitie – met de noodzaak om te winnen, om kampioen te worden – betekent dat je spelers het spel ontneemt

‘Omdat spelen in een competitie – en dus de noodzaak om te winnen, om niet te degraderen, om kampioen te worden – betekent dat je spelers het spel ontneemt’, zegt hij bijvoorbeeld. ‘Ze komen onder een druk te staan die ze niet altijd aankunnen.’

En:

‘Jonge voetballers groeien en rijpen nog. Je kunt van hen geen constante prestaties verwachten die nodig zijn om kampioen te worden. Je gaat voetballers die pas in de toekomst moeten uitblinken verkeerd beoordelen, namelijk op hun vermogen om nu uit te blinken.’

En:

‘Als je competitie speelt, draait alles alleen nog maar om de drie punten. Bij de ouders, de trainers, de kinderen. Het gaat nooit om het spel voetbal. Daarom willen we de drie punten eruit halen. Zodat het alleen nog maar om het leren voetballen draait.’

En:

‘Je wil kinderen ook niet belasten met problemen van volwassenen. Geldproblemen, werkproblemen, gezondheidsproblemen. Je laat ze spelen, zich ontwikkelen, dingen uitproberen, fouten maken en weer beter worden, zonder al te veel consequenties. Het komt later wel. Op een voetbalveld is dat niet anders.’

En:

‘Er is op een of andere manier het waanidee gegroeid dat kinderen hard worden van spelen in competitie. Dat je ze dan staalt voor het latere bestaan als profvoetballer. Ik geloof daar helemaal niets van.’

Net als op zegt Pinson, er is te veel ambitie, te veel controledrift, te veel prestatiegerichtheid

Foto: Jip Broeks (voor De Correspondent)
Foto: Jip Broeks (voor De Correspondent)

Een welkom dreigement

Deze mentaliteit mondde vorige zomer uit in actie.

Toen deelde de club uit de Bretonse havenstad de Fédération Française de Football per mee dat het uit de competitie zou stappen - wat neerkwam op een beleefd geschreven middelvinger naar het systeem, maar niettemin een middelvinger naar het systeem.

De Franse bond gaf twee antwoorden. Het ene was schriftelijk en formeel, waarin de bond kennis zei te nemen van het besluit. Het andere antwoord was verbaal en venijnig.

‘Weet wel’, zei een regionale bondsbestuurder tegen Pinson, ‘dat jullie niet meer terug kunnen komen op je huidige niveau als jullie straks spijt krijgen. Je begint dan helemaal onderaan, in de achtste klasse.’

‘Ik vatte dat op als dreigement’, zegt Pinson. ‘En het was ook vijandig bedoeld. Maar het werkt eigenlijk heel positief. Nu is er geen weg meer terug. Wij zitten de komende seizoenen vast aan ons experiment. We gaan het helemaal omarmen.’

Drie teams spelen nog wel competitie. Maar dat is alleen omdat de reglementen van de voetbalbond dit voorschrijven. ‘Als het aan ons lag’, zegt Pinson, ‘zouden we helemaal geen competitie meer spelen. Dan zouden we compleet vrij zijn.’

Een coach die niet snapte waarom hij gewaardeerd werd

De keuze van Pinson is radicaal. En misschien denk je zelfs: overdreven. Kun je met meer bewustwording niet hetzelfde effect bereiken?

Maar dan schudt Pinson zijn hoofd. Hij kent de invloed van de ranglijst, van het winnen, van de eerzucht van de coach. Als je afgerekend wordt op winnen, wordt winnen datgene waar je op gaat sturen. En hij kan het weten, want ooit was hij zelf zo’n coach.

Bij zijn vorige club, Troyes, kreeg Pinson alle waardering. Zijn ploegen stonden vaak bovenaan. Spelers die hij had begeleid, tekenden later profcontracten. Hij trainde steeds hogere elftallen. Zijn aanzien binnen de club steeg.

‘De club was trots op Philippe’, zegt zijn oud-collega Farès Bouzid. ‘Maar ik weet niet of hij trots was op zichzelf’

‘De club was trots op Philippe’, zegt zijn oud-collega Farès Bouzid. ‘Maar ik weet niet of hij trots was op zichzelf.’

Ja, ze hadden goed gescout, maar dat is niet zo moeilijk, zegt hij. Ja, hij had de spelers voorbereid op wedstrijden, maar dat doen alle coaches. En ja, zijn trainingen waren prima, maar de oefeningen waren verre van uniek.

De vraag die steeds luider klonk in zijn hoofd: had hij wel wat bijgedragen aan dat zogenaamde succes? Had hij spelers beter gemaakt? De stand op de ranglijst suggereerde ‘ja’. Hij wist wel beter.

‘De amateurclubs [waartegen ze speelden, MdH] hebben veel minder geld, faciliteiten en voordelen waar talentvolle spelers op afkomen. Ik snap de coaches die trots zijn op overwinningen niet zo goed. Natuurlijk win je van die amateurs.’

Zou ik mijn eigen kind in de opleiding doen?

Het pruttelde, borrelde, gistte in Pinsons hoofd. Toen hij vader werd, versnelde dit proces. Nieuwe vragen kwamen op. Eentje voorop: zou ik mijn kinderen in de jeugdopleiding doen?

Het antwoord was nee. En als het antwoord nee was, dan was er maar één conclusie mogelijk: hij deed zijn werk verkeerd. Of in elk geval niet op een manier waar hij achter kon staan.

‘Terugkijkend dienden die overwinningen vooral… mij!’, schrijft hij later in een e-mail. ‘Ik kreeg erkenning van beroepsgenoten als mijn teams wonnen. Maar omdat ik me liet leiden door overwinningen, nam ik besluiten over de training van jonge spelers die daar niet klaar voor waren.’

Onlangs zag hij cijfers uit de Bretagne die hem bevestigden in zijn opvattingen: de afgelopen jaren is zo’n 30 procent van de spelers tussen de 12 en 15 jaar ermee gestopt. Logisch, gezien het ‘giftige’ klimaat waarin kinderen het spel spelen, denkt Pinson. Het giftige klimaat dat hij zelf ooit in stand hield.

‘Eigenlijk zou ik het liefste mijn excuses aanbieden aan de spelers die ik destijds heb getraind’, schrijft hij. ‘Je zag het plezier vervagen. Spelers zijn niet meer creatief, ze reciteren de stof die ze hebben opgedreund gekregen. Dan leer je echt niets. Dan is er aan het einde van acht jaar voetbaltraining niets meer over van de oorspronkelijke twinkeling voor het spel.’

Foto: Jip Broeks (voor De Correspondent)
Foto: Jip Broeks (voor De Correspondent)

Wat je wint als je geen competitie speelt

En dus kwam hij een paar jaar geleden tot een inzicht: een kleine aanpassing was niet genoeg. Als hij zelfstandige, creatieve voetballers wilde opleiden, dan had hij een compleet ander speelveld nodig. De perverse prikkel van de competitie moest eruit.

Al wil hij een mogelijk misverstand direct wegnemen: het zijn geen boomknuffelende veganistische biologische-kamillethee-drinkende pacifisten op voetbalschoenen, daar bij Lorient.

‘Pas op’, vervolgt hij. ‘Winnen is niet verkeerd. Als we het veld opgaan, dan willen we winnen. Elk kind is competitief, dat moet je ze niet ontnemen. En we willen heel graag winnen. Het kan alleen nooit de graadmeter zijn voor vooruitgang. Het is de bekroning van goed spel, niet het doel ervan.’

‘Winnen is niet verkeerd. Elk kind is competitief, dat moet je hen niet ontnemen. Maar het is de bekroning van goed spel, niet het doel ervan’

Competitie spelen ze niet, competitief zijn ze wel bij Lorient.

De jeugdteams spelen juist meer wedstrijden en tegen betere tegenstanders dan voorheen. Dat komt omdat de club volledige controle over het seizoen heeft gekregen. In plaats van competitie in het weekend, maar vriendschappelijke wedstrijden doordeweeks. Tegen die zij uitkiezen - niet het competitieschema.

Met alle voordelen van dien. Pinson: ‘We spelen niet meer tegen ploegen die veel zwakker zijn, niet meer tegen ploegen die veel sterker zijn. We spelen wedstrijden die passen bij ons niveau. En dat de ranglijst geen overweging of zorg meer is, dwingt ons en de spelers om onszelf goede vragen te stellen.’

‘Waar willen we goed in worden? Wat willen we vandaag uitproberen? Wat gaan we verbeteren? De spelers beslissen dat samen met [de coaches]. We kijken samen de video van wedstrijden terug, en beslissen zo wat ons volgende leerpunt wordt.’

Ook dat is uniek aan Lorient: de spelers bepalen hun leerstof grotendeels zelf.

Baas worden over je eigen ontwikkeling

Een ander voordeel van zijn stap de competitie te verlaten: Lorient is niet meer gebonden aan spelvormen. Vijf tegen vijf, acht tegen acht, elf tegen elf - ze spelen wat past en uitkomt.

Ook leeftijdsgrenzen bestaan niet meer. Een vroegrijpe jongen van 12 kan met oudere elftallen meespelen, een laatrijpe jongen van 14 kan met jongere elftallen meedoen - precies zoals het uitkomt. Dispensatie aanvragen bij de bond: niet nodig. (Een ander idee waar Pinson mee speelt: kinderen soms indelen op gewicht.)

Ook zetten ze kinderen van verschillende leeftijden soms bewust bij elkaar, zodat ze zich leren aanpassen aan jongere en oudere kinderen - net als op straat. Dat kan soms oneerlijk of ongelijk zijn, maar Pinson wil dat de kinderen onderling tot afspraken komen.

Het grotere punt: ‘Iedereen moet in zijn eigen tempo progressie kunnen boeken. Elke speler moet baas zijn over zijn eigen ontwikkeling. En dat hij zich geen zorgen maakt over dingen waarop hij geen invloed heeft.’

Lees: de stress van de uitslag van de wedstrijd, de stand in de competitie, en de mogelijkheid dat hij de opleiding moet verlaten.

Een daadwerkelijke opleiding

Want dat is het andere grote aspect waar Lorient zich mee wil onderscheiden: de intentie om elke jongen minimaal vier jaar bij de club te houden. Uitzonderingen daargelaten hoeft niemand te vrezen na een jaar alweer weg te moeten.

Dat is anders dan bij de meeste jeugdopleidingen. De meeste jeugdopleidingen sturen ieder jaar veel spelertjes weg. De vervangers zijn niet moeilijk te vinden: je pakt bijvoorbeeld de beste spelertjes van je tegenstanders. Zeker: uiteindelijk heb je dan een sterk elftal over. Maar heb je ze ook echt opgeleid?

Jeugdopleidingen zijn eerder mechanismes om spelers te selecteren dan om ze op te leiden

Nee. Jeugdopleidingen zijn, zoals eerder mechanismes om spelers te selecteren dan om ze op te leiden.

Pinson wil een echte opleiding zijn, een lange-termijninvestering doen dus. Omdat dit risico groter is, scout Lorient die spelers intensief. Een jongen wordt bekeken op allerlei tactische, fysieke en mentale aspecten. Over een langere periode speelt hij wedstrijden en trainingen mee, voordat de club hem opneemt in de opleiding.

Maar ook het gezin wordt gescout. ‘Speelt die jongen voor zijn eigen plezier? Of oefenen zijn ouders druk op hem uit? Gedragen zijn ouders zich langs de lijn? Snappen ze onze aanpak? We voeden ouders niet op, maar we nemen hen wel mee in ons proces. En als ze daar niet bij aansluiten, dan wordt het voor ons allen lastig.’

Je neerleggen bij de ongrijpbaarheid van talent

Ten slotte: als de ranglijst niet meer het criterium is waarop trainers worden beoordeeld - waarop dan wel?

‘Ons richtpunt is niet de ontwikkeling van de beste spelertjes’, zegt Pinson. ‘Wij kijken juist naar de ontwikkeling van de ‘minste’ spelers, de spelers die in de problemen zitten. Het is vreselijk aantrekkelijk je alleen te richten op de succesvolste spelers en om je het succes van die spelers te herinneren.’

‘Het is aantrekkelijk je alleen te richten op de succesvolste spelers en om je het succes van die spelers te herinneren’

Voor alle duidelijkheid: Pinson weet ook niet zeker of zijn aanpak werkt. Op papier ziet het er goed uit. Maar menselijke ontwikkeling blijft onvoorspelbaar.

Wat hij wel weet: ‘Ik zie vooral dat we met zijn allen veel comfortabeler in onze schoenen staan. De coaches zijn meer ontspannen, de kinderen hebben meer plezier, ik volg mijn geweten. Ik denk dat het uiteindelijk meer oplevert.’

Hij weet dat er scepsis bestaat, maar ook dat andere clubs jaloers of geïnteresseerd naar hen kijken. ‘Wij zijn een laboratorium. Als wij succes hebben, zullen anderen volgen.’

Plezier stimuleren, veel meer is niet nodig

Onlangs legde ik twee deskundigen op het gebied van sportontwikkeling de casus van Lorient voor.

Jean Côté, een Canadese onderzoeker en leidend expert op het gebied van jeugdsport, noemt het ‘fantastisch’ dat Lorient een structurele poging doet om de negatieve gevolgen van een competitie tegen te gaan.

Foto: Jip Broeks (voor De Correspondent)
Foto: Jip Broeks (voor De Correspondent)

‘Als jonge spelers met elkaar worden vergeleken op hun prestaties, leidt dit vaak tot minder zelfvertrouwen bij spelers die nog niet goed presteren’, zegt Côte. ‘Ze ervaren minder plezier, wisselen van sport, of stoppen zelfs.’ Gevolg: minder talentontwikkeling. ‘Je moet ze enthousiasmeren, ze aan het sporten blijven houden, en ze succes laten beleven.’

Zelfvertrouwen is een belangrijke reden, volgens onderzoek van Côté, waarom sporters vaker tot bloei komen. Uit ander onderzoek blijkt dat uit kleinere plaatsen relatief veel topsporters voortkomen. Dat heet het De verklaring, in een notedop, is dat kinderen uit kleine plaatsen meer tijd hebben zich te ontwikkelen.

Immers: als er minder spelers zijn, is er minder strenge selectie op basis van prestaties, en dus ook minder kinderen die stoppen omdat ze zelfvertrouwen verloren. Dat geeft ruimte voor meer kinderen om zich te ontwikkelen.‘En dat zou ook [bij Lorient] kunnen ontstaan’, zegt Côté.

Mark O’Sullivan, een Ierse jeugdcoach die werkt voor de Zweedse topclub AIK Stockholm in Zweden, en promoveert op zijn werk daar, prijst het besluit van Lorient. Al was het maar omdat het afwijkt van het standaardmodel voor voetbalontwikkeling, waarvan hij gruwt.

Zelf nam hij lang geleden afscheid van het idee dat je een toekomstige prof op jonge leeftijd kunt herkennen. Om de simpele reden dat veel menselijke ontwikkeling niet-lineair verloopt en dus amper voorspelbaar is. (‘Niet één speler die jonger dan 12 jaar in de jeugdopleiding van AIK kwam, haalde het eerste team.’)

En dus heeft het weinig zin die zogenaamd beste spelertjes met en tegen elkaar te laten spelen, zegt O’Sullivan. ‘De beste Zweedse speler, werd op zijn 16de weggestuurd van de regioselectie. Zlatan kwam pas laat in beeld. Henke Larsson was nooit in beeld bij de bond als tiener. We moeten meer tijd stoppen in het ontwikkelen van talent, en minder in het identificeren [scouten, MdH] van talent.’

‘Er zijn diverse routes naar voetbalsucces. Maar in sommige landen, waaronder Nederland, lijkt er nog maar één route te zijn: via de opleiding van profclubs.’ Een generieke opleidingroute scheppen voor om uniek talent te ontwikkelen? Onzinnig, vindt O’Sullivan.

De beste spelertjes van dat moment samenvoegen, en ze met en tegen elkaar laten spelen, dient hun ontwikkeling niet. Het dient iets anders, zegt hij. ‘De status van de club en de status van de coach.’

Niet 1 maar 30 Kylian Mbappés

En die prikkel heeft Philippe Pinson weggenomen.

Door uit de competitie te stappen, hoopt hij vrijheid te scheppen voor echte ontwikkeling. De Franse voetbalbond, zegt hij, gaat die ontwikkeling tegen. De bond heeft geen geduld, kijkt niet naar potentie. Het bewijs: een sterk geboortemaandeffect.

‘Van de selectie van het nationale Onder-15 team is 85 procent geboren in de eerste zes maanden van hun jaar’, zegt Pinson. ‘Dat zegt genoeg. Het zijn de fysiek sterkste jongens, niet de grootste talenten.’

En toch: op het eerste oog lijkt Frankrijk bepaald geen ziek voetballand. De selectie die naar het WK in Rusland gaat, hoort bij de favorieten voor de titel. Maar voor Pinson is dat geen bewijs van de kracht van het Franse beleid. Hij ziet erin wat er mogelijk is ondanks het beleid.

Laatst was Pinson met een jeugdteam in Parijs. Hij zag ‘wel dertig potentiële Mbappés’ rondlopen - jonge versies van de jonge, fantastische spits van Paris St. Germain,

‘Het potentieel in de regio Parijs is krankzinnig hoog. Maar momenteel elimineren we 29 van die Mbappés. De Franse voetbalbond moet geen credits krijgen voor het succes van Kylian Mbappé. Die is zo goed geworden omdat zijn moeder topsporter was en omdat zijn vader coach is. Zonder die achtergrond was zijn talent er niet uitgekomen. Hij heeft het systeem overleefd.’

Met Lorient hoopt hij een begin van een verandering teweeg te brengen.

Als volwassenen stiekem toch de stand bijhouden

Wat Lorient uniek maakt, is het lef van Pinson om een radicale stap te zetten. Maar de inzichten van Pinson zijn niet uniek.

Een dikke stapel onderzoeken wijst op de kwalijke gevolgen van competitie. De KNVB weet dat ook. In een poging de gevolgen van de championitis tegen te gaan, schafte de KNVB dit seizoen de ranglijsten voor de jongste leeftijdcategorieen af.

Geen ranglijst, geen kampioenschap, geen korte-termijnprikkels, dat was de gedachte - andere landen gingen Nederland voor. Maar de hardnekkigheid van het probleem bleek in maart, toen Ajax de volgende de wereld instuurde.

De tweet van Ajax.
De tweet van Ajax.

Blijkbaar was er toch een ranglijst bijgehouden. Door de trainers, via een WhatsApp-groep, zo bleek bij navraag. Waardoor de mensen bij de KNVB zich achter de oren krabten.

Als de invloedrijkste club van het land het KNVB-beleid negeert, hoe moeilijk wordt het dan om de rest van het land te overtuigen zich in te houden?

Met dank aan Matthias Maurer.

Meer lezen?

Deze jeugdopleider kijkt radicaal anders naar voetbaltalent (en dat geeft hoop) Zijn de beste jonge voetballers ook altijd de talentvolste? Nee, zegt de tegendraadse jeugdopleider Bastiaan Riemersma. Vanaf dit seizoen krijgt hij bij de jeugd van Willem II de vrije hand. Lees het verhaal van Michiel hier terug Deze nieuwe cijfers tonen hoe oneerlijk het Nederlandse voetbal is georganiseerd Van de KNVB kreeg ik de geboortedata van alle voetballers die de afgelopen vijf jaar bij een profclub of in een profopleiding speelden. Ze laten zien: als voetballer kun je beter in januari geboren zijn dan in december. Gelukkig worden er plannen gemaakt om hier iets aan te doen. Lees het verhaal van Michiel hier terug