De Correspondent
Lex Bohlmeijer- in gesprek met Ian Buruma
SoundCloud

Interview

Ian Buruma schreef veel over de Tweede Wereldoorlog, de islam en de Aziatische cultuur. Sinds 2017 is hij hoofdredacteur van het vooraanstaande tijdschrift Onlangs publiceerde hij een deel van zijn autobiografie, over de periode dat hij als student in Japan woonde: Tokio mon amour.

Naar aanleiding van deze memoires sprak ik met Buruma, zowel over die periode als over de huidige tijd.

Buitenstaander zijn dwingt je over je eigen identiteit na te denken

Het boek leest als een Bildungsroman. Van zijn 23ste tot zijn 29ste woonde Buruma in Japan, waar hij film studeerde. De omgang met de Japanse cultuur, waarin hij de buitenstaander was, dwong hem zich aan te passen, zijn identiteit opnieuw uit te vinden. Omdat je als buitenstaander moet nadenken over wie je bent en over wat ‘normaal’ is.

Buruma leerde in het dagelijks leven toneelspelen. Dat doen jonge mensen volgens hem overigens altijd. Ze experimenteren met hun identiteit, door te imiteren, door toneel te spelen. Uiteindelijk blijft het masker zitten.

Daarmee is authenticiteit een zeer problematisch begrip.

Japan is bij uitstek een land van insiders. De mythe bestaat dat je als buitenlander altijd buitenstaander zal blijven. Ondanks diepe vriendschappen en beheersing van de taal zal men je nooit als Japanner beschouwen. Zo ontdekte Buruma wat zijn lot is: erbij horen én erbuiten vallen. Sindsdien beschouwt hij zichzelf als geboren buitenstaander.

Hij vindt het overigens een vergissing te denken dat er een wezenlijk verschil is tussen het Westen en het Oosten. De Japanse cultuur is er een van hoffelijkheid en rituelen, die zich goed laat vergelijken met bijvoorbeeld de katholieke cultuur, en is dus niet uniek.

Het groteske en absurde is nodig als uitlaatklep voor het vormelijke

Dat Japanners elkaar intuïtief aanvoelen, zonder dat ze hun gevoelens hoeven te tonen, is volgens Buruma overigens ook een mythe. ‘De hele Japanse cinema gaat over misverstanden als gevolg van het feit dat mensen zich niet direct en openlijk uitdrukken.’

Het ene extreme lokt wel het andere uit. In het theater van de artistieke avantgarde van de jaren zeventig vond Buruma een wereld die fysiek, erotisch, grotesk en absurd is. Het is een uitlaatklep voor de vormelijkheid van de cultuur. Zowel die reserve en de goeie manieren als de vrije fantasie vindt hij even aantrekkelijk.