We zitten in een appartement in het centrum van Amsterdam, voor Charlotte Mutsaers haar schrijfhuisje. Een half uur lopen vanaf het huis waar ze met haar man en hond Pieter woont. Links en rechts in de straat zijn kerken te zien. God moet trots zijn dat er mensen zijn die jaren staken in de bouw van Zijn huizen, als compensatie voor de dames van lichte zeden en de vele seksshops die zich op een steenworp afstand van Mutsaers’ appartementje bevinden.

Mutsaers heeft het koud, ondanks de dikke rode trui die ze draagt, zegt ze. Daaronder een korte rok met prints van palmbomen, grijze satijnen kousen en spierwitte schoenen. Ze maakt zichzelf graag op, vertelt ze: een gezicht zonder make-up vindt ze saai.

Het appartement ligt op de eerste verdieping en kijkt uit over het water. Niet ver boven ons beuken enorme vliegtuigen zich een weg door de wolken. Binnenshuis heerst een aangename rust.

We drinken water uit wijnglazen en eten de koekjes die ik die ochtend kocht bij een Marokkaanse bakker bij mij in de buurt. Op weg naar Mutsaers wilde ik ze weggooien. Kunstschilders en romanciers zag ik drie jaar terug nog als door God uitverkoren, als profeten haast, wier werk verheven was. Die geef je geen ordinaire koekjes.

Dus neem je ze ook niet mee voor Charlotte Mutsaers (76) – ‘Lotje’, zoals intimi haar noemen: haar man, de neerlandicus Jan Fontijn, en vrienden. Maar van die vrienden zijn er ‘velen verdorie al dood. Je bouwt een leven met hen op, en dan gaan ze.’

Foto: Heidi de Gier (voor De Correspondent)

Foto: Heidi de Gier (voor De Correspondent)

Mediastorm

Ik had van een andere schrijfster gehoord dat het niet goed met haar gaat. Na de publicatie van haar laatste roman Harnas van Hansaplast werd ze middelpunt van een mediastorm – zelf spreekt ze van ‘een hetze’ tegen haar en van ‘een literaire kunstgreep’, waarmee ze een sluwe streek bedoelt. Ze zou depressief zijn.

Dat greep me aan. Ik weet niet precies waarom, omdat ik haar niet kende. Maar misschien omdat ik haar boek zo waardeerde: de lichtheid waarmee ze schreef over verlies en rouw. Onderwerpen waar ik zelf ook mee worstel, in de hoop ze ooit uit te pluizen. Mutsaers zal later tegen me zeggen dat ‘er niet op alles een antwoord is’.

Dat ze depressief zou zijn, greep me aan. Misschien omdat ik haar boek zo waardeerde: de lichtheid waarmee ze schreef over verlies

Gewoonlijk vergezelt haar zwart-witte foxterriër, die Pieter heet, haar als zij hier zit. Maar niet als er gasten komen. Vandaag is hij dus thuis. Zijn mand, voerbak en drinkbak zijn leeg, een grijs vleermuisspeeltje met gespreide vleugels, dat hij twee jaar terug voor zijn verjaardag kreeg, ligt op de houten vloer. Op een van de vensterbanken ligt een wit bordje, waarop zijn kop is nageschilderd – zo is-ie er toch een beetje.

Er staat een mini-Snoopy, de hond uit de strip Peanuts, op een tafel. Een vleermuizenlamp en twee vingerlange kerstboompjes. Op een vensterbank in de woonkamer staat een houten hond, erop een kunstduif, eronder een terriër gemaakt van staaldraad. Honden blijken trouwe dieren te zijn. Het zou evengoed allemaal speelgoed (voor Pieter) kunnen zijn, als kunst.

In dit huisje zit Mutsaers graag ’s middags, alleen, omdat ze anders niet geconcentreerd kan schrijven. Tegen vieren loopt ze naar huis, naar haar man. Elke dag via een andere route.

Literaire prijzen

Ze essays, poëzie en proza, waarmee zij heeft gewonnen, zoals de (2010). En Mutsaers is beeldend kunstenaar. Een jaar geleden, op 10 november, vierde ze met allerlei gasten Het Grote Charlotte Mutsaers Verjaardagsfeest in het Amsterdamse debatcentrum De Rode Hoed, waar ze ook Harnas van Hansaplast, haar laatste roman, presenteerde.

Foto: Heidi de Gier (voor De Correspondent)

Foto: Heidi de Gier (voor De Correspondent)

Tegelijk met haar roman bracht haar uitgeverij, Das Mag, Het grote Charlotte Mutsaers-kleurboek voor nooit-volwassenen uit, een boek met kleurplaten gebaseerd op haar beeldende werk, en de lp Rikkelrak, met op muziek gezette gedichten van haar hand. ‘Ik was trots als een aap.’

In Harnas van Hansaplast vertelt Mutsaers over hoe zij en haar zus het ouderlijk huis, op de Nieuwegracht in Utrecht, leeghalen. Inmiddels hangt er een lijkengeur en staat het vol met spullen, bedekt met een dikke laag stof. Aan dat huis en aan ‘alle leden van het gezin’ is het boek opgedragen. Ik mag niets vragen over die zus, zegt ze. ‘Mijn zus leeft nog, dus daar praat ik liever niet over. Die heeft vorig jaar wel een hersenbloeding gehad.’

Hevige woedeaanvallen

De twee zussen waren jaren niet in het huis geweest. Hun broer Barend was er blijven wonen na de dood van hun ouders. Maar het contact dat Mutsaers met haar broer had, verdween, zelfs telefonisch spraken ze niet meer met elkaar. Hij had hen verdreven, onder meer met hevige woedeaanvallen, en had zich teruggetrokken uit de wereld. Hij wilde niets meer weten van mensen.

Barend werd op 29 december 2001, op 51-jarige leeftijd, dood aangetroffen in dit huis, halfnaakt, in bed, met niemand om zich heen: geen kinderen, geen partner, geen huisdier. Zelfs op zijn begrafenis waren maar vier mensen – Mutsaers, haar man, haar zus en een neef – en Koert, de hond die Mutsaers voor Pieter bezat.

Bij het opruimen treffen ze honderden ‘kattenbelletjes’ aan van Barend – alsof hij had gewild dat Mutsaers er een boek over zou schrijven

Als Mutsaers en haar zus gaan opruimen, treffen ze voornamelijk ‘kattenbelletjes’ aan, honderden blaadjes waarop Barend zijn leven bijhield, vragen die hij zich stelde en gedachten die hij opschreef – alsof Barend had gewild dat zijn zussen het later zouden lezen, hem zouden begrijpen. Dat Mutsaers er een boek over zou schrijven.

Haar broertje begrijpen is wat zij voornamelijk wil. Vandaar dat Mutsaers elke kamer uitgebreid doorzoekt, elk doosje, kastje, boekje – want ergens kan Barend iets van zichzelf hebben bewaard, iets verstopt kunnen hebben, wat zijn gedrag verklaart. Ergens tussen de vele aantekeningen, onderstrepingen in teksten, een brief, korte verhalen.

En ze vinden porno. Heel veel porno. Die Barend bewaart in de kist van Hugo de Groot, schrijft Mutsaers. Zij probeert met de boedelruiming het wereldje van Barend te verkennen, het wereldje waarin hij niemand toeliet. ‘Barend zat met de gemenigheid van mensen in zijn maag’, zegt ze tegen me. En meteen daarna: ‘Er zijn mensen die graag gemeen zijn. Die anderen willen pakken.’

‘Barend kon niet goed over zijn emoties praten, ik heb hem ook nooit zien huilen’, vertelt ze verder. Hij was dat wereldje gaan vullen met levenloze spullen, voornamelijk boeken. Misschien omdat hij die wel aankon. Of misschien was hij bang voor leegte.

Een langzame zelfmoord

Maar ook dat wereldje was voor hem niet uit te houden. Barend verwaarloosde zichzelf. Zo schrijft Mutsaers in het eerste hoofdstuk: ‘Liegbeest dat je was, weerzinwekkende rukker die niet te beroerd was om zichzelf dood te masturberen. Die zijn hele gebit naar de vaantjes heeft geholpen.’ Mutsaers nu: ‘Je kunt stellen dat wat Barend deed langzame zelfmoord was. Hij stuurde erop aan.’

Het kostte haar acht jaar om überhaupt aan het verhaal te kunnen beginnen: ze moest eerst de dood van Barend verwerken, zich zijn dood eigen maken. Ondertussen schreef ze Koetsier Herfst, dat in 2008 werd gepubliceerd.

De dood van een dierbare werkt vaak verlammend, dan kun je niet meteen schrijven, lijkt mij. Maar misschien werkt elke vorm van verlies van dierbaren verlammend, of ze nou weggaan en elders verder leven, of doodgaan en er nog alleen in je hoofd en dromen zijn. Het gaat zitten op je spieren, zelfs op je stembanden. Je kunt er dan niet over praten, je kunt niets. Misschien is rouwen sowieso te veel gevraagd van een mens. God is vast de enige voor wie de dood niets doet.

Mutsaers deed er vervolgens nog eens acht jaar over om het verhaal van haar broer op te schrijven. Ze neemt de tijd voor haar boeken, zegt ze. Harnas van Hansaplast is dus geen ode aan haar broer, al schrijft Mutsaers dat ze op het gymnasium de spreuk De mortuis nil nisi bene – over de doden niets dan goeds – in haar hoofd moest stampen.

Van huis uit kreeg ik mee dat het zelfs slecht zou zijn muziek van dode artiesten te beluisteren

(Waarom eigenlijk? Doden horen je toch niet? Of wel? Van huis uit kreeg ik mee dat het zelfs slecht zou zijn muziek van dode artiesten te beluisteren. Vooral omdat veel soorten muziek een zonde zouden zijn en de dode er last van krijgt in het hiernamaals als je zijn zonden opnieuw voor het voetlicht brengt. Ik weet ook niet precies hoe dat zit, dat zou je God moeten vragen.)

Nee, het boek is een onderzoek naar het zijn van haar broer, dat deels voortkwam uit haar fantasie. Een uitgebreid portret van de broer die zelfs zijn zussen niet dichtbij liet. En daar ging het mis.

Mutsaers schreef dat haar broer ook kinderporno gehad zou hebben, en dat zij die collectie met haar zus heeft doorverkocht aan een winkel in tweedehands spullen in Utrecht. Fictie, zegt ze. Althans, Mutsaers geeft meermaals aan dat ze maar een klein deel van de pornocollectie hebben verkocht, daar zou geen kinderporno bij hebben gezeten. De rest van de collectie werd vernietigd.

Een rel om kinderporno

met de Volkskrant is het begin van een rel die op Twitter ontstaat. Als ze ernaar wordt gevraagd, zegt ze dat zij en haar zus de pornocollectie inderdaad hebben doorverkocht, inclusief de kinderporno. De kritiek op Twitter gaat haast voornamelijk over het bevestigen van het doorverkopen, en niet over de inhoud van het boek.

Aanvankelijk krijgt ze er niets van mee, omdat ze Twitter niet gebruikt. Daarna wordt ze gebeld door journalisten en haar uitgeverij.

Het zou slim zijn om in te gaan op de uitnodiging van tv-programma De Wereld Draait Door, vindt haar uitgeverij. met veel tegenzin – ze wilde liever trouw blijven aan haar boek, aan haar fantasie – tegenover presentator Matthijs van Nieuwkerk aan tafel de kinderporno niet echt verkocht te hebben. Er was wel kinderporno in huis, maar alles zou versnipperd zijn, vertelde ze toen.

Waarom had je verzonnen de kinderporno te hebben doorverkocht? ‘Mijn broer is dood en kan zich niet verweren tegen wat ik schrijf. Daarom heb ik mezelf niet zo heel mooi neergezet, me van niet zo’n brave kant laten zien, mezelf zwartgemaakt’, legt ze uit – als iemand die met opzet een strafbare daad begaat en daar geld aan verdient.’

Foto’s: Heidi de Gier (voor De Correspondent)

Foto’s: Heidi de Gier (voor De Correspondent)

Te veel eer

Op Twitter reageerden een paar collega-schrijvers. ‘Ze maakten mijn boek verdacht, zonder het gelezen te hebben, alleen op basis van de interviews’, licht ze toe. ‘Ze begonnen een hetze. Ik wil hun namen niet noemen, dat is te veel eer. Ik kende hen beiden best goed. Ze zijn me van een kwaadaardigheid geworden... Ik hoop dat ze dat gaan beseffen, en zich er rottig over voelen. En als ze dat niet doen, zitten ze echt niet goed in elkaar. Ik begrijp niet hoe je dit kunt doen, als schrijver.’

Mutsaers heeft het over de twee schrijvers Jamal Ouariachi en David Pefko. Ouariachi schreef in voor Vrij Nederland: ‘Namens de opsporingseenheden, de slachtoffertjes en hun ouders zeg ik: bedankt, Muts!’ En hij twitterde: ‘5.000 euro verdiende Charlotte Mutsaers aan kinderporno, zegt ze in de Volkskrant. Leest de @Politie_Adam mee?’

Pefko had als ‘internettrol’ getwitterd, zegt Mutsaers. Ze bedoelt dat hij als afzender het personage Louis Maria Nanet gebruikte. ‘De kinderpornohandelaar van Utrecht’ en ‘ziek wijf’, noemde deze Nanet haar onder andere. zei Pefko dat Nanet ‘een personage’ was. ‘Net zoals in een boek, alleen dan levend en aanspreekbaar. Je kunt vrienden worden met Louis.’ Hij staat ‘zelden achter de denkbeelden van Louis’, vervolgde hij, ‘wel moet ik er vaak heel erg om lachen.’

‘Wie me dit aandeed, wens ik al het slechtste van de wereld toe’

‘Louis Nanet werd binnen korte tijd een fenomeen’, staat in hetzelfde stuk in NRC. ‘Als dichter, als essayist, als de man die alles durft te zeggen, maar vooral door zijn oeverloze scheldpartijen op alles en iedereen. Negers, Aziaten en alle mogelijke bekende en onbekende Nederlanders kregen het te verduren.’

Charlotte Mutsaers: ‘De zaak heeft me ontzettend aangegrepen. Het is zoiets smerigs’, vervolgt ze. ‘Ik moet ook zeggen, en dat is bij iedereen die zinloos geweld ondervindt: ik vind het moeilijk om het te begrijpen. Ik heb hun nooit iets aangedaan, dus dan ga je denken aan nare motieven. Nog steeds hamert de vraag in mijn kop: waarom?’

Harnas van Hansaplast had zonder hun actie veel beter verkocht, dat is gewoon zeker. Je pakt dus ook iemand financieel. Het werd een boek waaraan een smet kleeft. Ik beschik over een gezonde dosis agressie, dus wie me dit heeft aangedaan, wens ik al het slechtste van de wereld toe. Ik heb er geen millimeter begrip voor. De kogel is goed aangekomen, laten we het zo zeggen.’

Echter, in het interview met de Volkskrant wordt Mutsaers gevraagd: ‘U moet erg zijn geschrokken toen u bij uw broer kinderporno ontdekte.’ Ze reageert met: ‘Ik zou je vraag willen veranderen, want volgens mij bedoel je eigenlijk: ik had in uw boek wel wat meer schrik verwacht.’

Daarna volgt de vraag: ‘(...) Waarom heeft u die complete pornoverzameling voor 5.000 euro aan een handelaar verkocht en niet vernietigd?’ Ze geeft geen antwoord en vertelt evenmin dat ze niets heeft doorverkocht. Wel zegt ze dat er een verschil zit tussen de Mutsaers in het boek en de echte Mutsaers.

‘Ik heb me staande gehouden’

Ik weet niet waarom het me zo aangreep toen ik hoorde dat het niet goed zou gaan met Mutsaers. Ik was bang dat Barends lot ook dat van Mutsaers was geworden: teruggetrokken levend, zonder familieleden te spreken, omringd door eenzaamheid.

Foto’s: Heidi de Gier (voor De Correspondent)

Foto’s: Heidi de Gier (voor De Correspondent)

Zo ver is het nooit gekomen, zegt ze, al vreesde ook zij voor eenzaamheid en langdurig tobben over waarom haar zoiets ‘smerigs’ was aangedaan. Ze wil ook niet spreken van een depressie. ‘Echte depressiviteit is dat je niks meer voelt. Dat heb ik nooit gehad, ik ben iemand die altijd heel hard huilt. Als iemand mij dan omarmt, lieve dingen zegt, is het weer beter.’

‘Hoe naar het ook was’, zegt Mutsaers, ‘ik heb me staande gehouden door de reacties van lezers, die wél enthousiast waren. Niemand die het boek had gelezen viel over de verkoop van die kinderporno.’ Jezelf staande houden? Dat klinkt toch wel heftig. ‘Nou, zou jij er niet elke dag mee wakker worden, als je zo’n vuile streek wordt geleverd?’

‘Mutsaers lijkt bikkelhard over de nagedachtenis aan haar broer, maar juist door het besef, het intense begrip voor de ontstane situatie, is dit werk een liefdevol monument’, schrijft een lezer op Tzum, een literair weblog. Voornamelijk de afstand en, ironisch genoeg, ‘eerlijkheid’ waarmee zij over haar broer, andere familieleden en haarzelf schrijft werd gewaardeerd.

Ook recensenten waren overwegend positief. De roman zou een ‘roerende rondleiding’ zijn geworden (de Volkskrant). ‘Een loflied op de hartigheid’ en ‘een wiebelig monumentje voor een gezin’ (De Groene Amsterdammer). ‘Een originele casestudy’, met soms ‘grosso modo bittere conclusies, maar door Mutsaers in haar geheel eigen, soms naar het kinderlijke neigende, dan weer dansante stijl, volkomen oorspronkelijk getoonzet’ (Trouw).

NRC Handelsblad was en gaf haar drie ballen: ‘Het is van een grote eigenzinnigheid, ja, maar soms bekruipt je het gevoel dat het vooral veel buitenkant is, veel stijl, veel pose – zeker in contrast met haar broer. Zo beneemt Mutsaers het zicht op de echte, echtere hoofdpersoon van het boek: Barend’.

‘Vroeger kon je veel meer zeggen’

Genoeg over ‘de affaire’, zegt Mutsaers: ze wil praten over hoe het schrijversvak zich heeft ontwikkeld. ‘De tijden zijn veranderd, maar niet verbeterd’, zegt ze. ‘Niet om mijn generatie beter voor te stellen, maar het is gewoon een feit dat schrijvers zo’n twintig jaar geleden veel meer erop gericht waren een goed boek te schrijven, en minder op hun eigen carrière. Zij schreven omdat ze wílden schrijven, omdat ze dat een manier vonden om zich te verhouden tot het leven.’

‘Niet dat het onverstandig zou zijn om vooruit te willen gaan’, nuanceert ze. ‘Maar als dat voor een kunstenaar het hoofddoel wordt, is dat bijzonder jammer en bovendien gevaarlijk. Je ziet dan dat haast niemand meer een afwijkende mening durft te ventileren omdat dit schadelijk voor hem of haar kan zijn.’

‘Vroeger kon je veel meer zeggen. In mijn voorlaatste roman, Koetsier Herfst, komt een vrouw voor die verliefd is op Bin Laden en ook diens gedichten erg mooi vindt. Acht jaar geleden kon zoiets nog gewoon, nu betwijfel ik dat. Dat is toch achteruitgang? De kwaliteit van literatuur zit niet in een brandschone ziel. De vrijheid van meningsuiting wordt ernstig beknot door al die jaloerse en benepen moraalridders. Het rijst gewoon de pan uit.’

Het lijkt tegenstrijdig, zeg ik: tegelijkertijd vindt ze dat collega-schrijvers geen kritiek op haar mogen hebben. ‘Dat is iets heel erg anders, dat is geen mening’, antwoordt ze. ‘Dat is iemand bewust in een kwaadaardig daglicht zetten. Dat is verdachtmaking.’

Elke keer als een van ons de naam van haar broer laat vallen, zwijgt ze even, heel kort, en kijkt ze weg. Doden verdienen stilte. En een roman.

Ze is al bezig met haar volgende boek, maar wil er niets over kwijt, geen titel, zelfs niet het onderwerp. Ook voor dit boek neemt ze haar tijd, zelfs nu ze 76 is. ‘Ik ben niet bang voor de dood, ik vind het alleen verschrikkelijk dat het bestaan eindig is, omdat ik zo graag leef’, zegt ze. ‘Ik heb vaak jaloezie ondervonden, puur vanwege mijn levenslust, op mijn wezen, wat ik kan, hoe ik ben. Nu ik nog goed op mijn beide benen sta, wil ik zo veel mogelijk meemaken, leren, zien, lezen, zo veel mogelijk avontuur. Ja, liever geen onheil natuurlijk.’

In de kleinste dingen geïnteresseerd

‘Daarom begrijp ik het niet als ouderen zeggen: ik ga rust nemen. Ik ben heel nieuwsgierig van aard. Ik ben in de kleinste dingen van iemand geïnteresseerd. Dat vind ik ook het leuke van wonen in zo’n grote stad. Als ik ’s middags naar huis loop, kom ik allerlei mensen tegen. En altijd heb ik wel drie gesprekken, die meteen de diepte ingaan. Ook met mensen die mij niet kennen.’

‘Zo was ik ook als kind. Nog leuker dan met vriendjes en vriendinnetjes spelen, vond ik met mijn autoped met luchtbanden de stad ingaan. Die vrijheid dat je overal stil kunt staan, en dat ik altijd dingen zag en mensen ontmoette, vond ik geweldig.’ Zij begreep wél al snel wat het gevaar is van alleen maar binnen blijven en de wereld niet ontdekken.

Als ik niets vraag, begint Mutsaers over haar tienerjaren, het weer, de brede gracht waarover ze uitkijkt vanaf haar bank, over de droge ‘kraakverse’ Marokkaanse koekjes, die zij de volgende dag nog eens goed zal bestuderen, omdat ze alle details wil zien. Alsof er geen stilte mag vallen.

‘Als kind al had ik het besef dat ik midden in de wereld sta, dat ik alleen moet sterven. Ik stond dan in een straat, en dacht: ik leef!’

‘Als kind al had ik het besef dat ik midden in de wereld sta, dat ik alleen moet sterven. Ik stond dan in een straat, en dacht: ik leef! Die huizen die al honderden jaren bestaan, al die bewoners die er leefden, de mensen die de straat bevolkten, op wier voetstappen ik loop, bestaan niet meer. Dat ontroerde me. Het is eng om daar stil bij te staan, maar je kunt het niet helpen, het komt vanzelf.’

Nog één keer komt ze terug op de ‘hetze’ tegen haar, als ze vertelt dat ‘een heel leuke jongen’ tegen haar zei dat, al zou ze de kinderporno wél hebben doorverkocht, dat ook niet zo erg zou zijn geweest. ‘Hij zei: “Mensen kunnen altijd beter een tweedehands bontjas kopen, dan een nieuwe. Daar hoeft dan niet nóg een dier voor dood. Dus mensen kunnen ook beter tweedehands porno kopen, dan nieuwe.” Daar moest ik zó hard om lachen.’

Foto’s: Heidi de Gier (voor De Correspondent)

Foto’s: Heidi de Gier (voor De Correspondent)

Je zult maar pedofiel zijn

‘En als we het toch over kinderporno hebben, kunnen we het dan ook over pedofielen hebben? Je zal het maar zijn. Voor ieder levendig en levend mens is erotiek heel belangrijk. En dan niet eens alleen de genitale erotiek, maar alles daaromheen: het aanhalen, strelen, knuffels. Het is van wezenlijk belang.’

‘Als je zo in elkaar zit dat je die gevoelens waarachtig alleen kan hebben bij kleine kinderen, wat moet je dan met je leven? Dat lijkt me erg moeilijk.’ Snel daarna zegt ze: ‘Ik praat het helemaal niet goed, maar ik denk er vaak over na.’

Ze pakt een Harper’s Bazaar van een stapel op de bijzettafel naast haar schrijfbureau, waarop ook haar laptop, printer, spiegeltje, een aantal make-upsticks staan. Ze staat erin met een groot interview en meerdere foto’s. ‘Bijzonder toch, dat ik op mijn leeftijd nog een modelletje kan zijn.’

Mutsaers legt het bord waarop de koekjes lagen in de gootsteen. In de woonkamer had ze de poedersuiker er al vanaf gelikt. ‘Schilder me niet af als een vrouw van smarten, hè.’ Ze zet de lamp in de vorm van een vleermuis uit – ‘Ik heb iets met vleermuizen’. Ze houdt van dieren, het meest van Pieter, ze houdt van haar man, van het leven.

Ze vertelt over hoe ze haar handen wilde wassen tijdens de fotoshoot voor Harper’s Bazaar, terwijl ze nog een ring van duizenden euro’s om had. We lopen onder een poort met doodskoppen, voorbij een oud kerkhof. We nemen afscheid.

‘Nooit vergeten het avontuur op te zoeken, hè, nooit’, zegt ze als afscheid. Ga leven, bedoelt ze, pak het leven vast en laat het niet los. De dood zal het je wel ooit ontnemen, jammer genoeg.

Een verrassende mail

Tijdens ons gesprek gaf Mutsaers meermaals aan dat zij en haar zus een deel van de pornocollectie hebben doorverkocht, maar dat bij dat deel geen kinderporno zat. Ze zei niet dat Barend überhaupt geen kinderporno in zijn bezit had gehad, en bij DWDD had ze zelfs duidelijk gezegd dat er wél kinderporno was.

‘De platte en rellerige hufters willen alleen weten of ze Barend kunnen beschuldigen, met mij in zijn verlengde’

Maar na afloop van het gesprek mailt Mutsaers me dat ze helemaal geen kinderporno in het huis had aangetroffen, ‘nog niet één enkel blad’. ‘Dus volgens mij zat er ook niets tussen’, vervolgt ze in haar mail. ‘Maar wat doet het ertoe? Het gaat niemand wat aan. Mijn broer was een zeer boeiende, begaafde en intelligente figuur, en ik heb daar naar het idee van velen een mooi en aangrijpend boek over geschreven. Dat is waar het om gaat. Maar mijn twee ex-collega’s leken er alleen maar op uit te zijn Barend te kunnen beschuldigen, met mij in zijn verlengde.’

‘De les die ik aan dit gedoe heb overgehouden’, gaat ze verder, ‘is dat je als schrijver nooit op de allerstomste der journalistenvragen in moet gaan: of iets wat voorkomt in je boek echt is gebeurd. Daar zijn alle literaire schrijvers die ik spreek het goddank roerend mee eens. Wie meer interesse heeft in sensatie dan in literatuur moet maar liever geen schrijvers interviewen. Daarmee beledigt hij elke schrijver tot in zijn ziel.’

Ach, laat het ook maar, denk ik als ik het lees. Zonden kunnen doden kwellen, gun Barend maar zijn rust.

Meer lezen?

De liefde voor een moeder vind je in de geur van haar kleren Al lang wil ik Mustafa Kus interviewen. Met zijn project Omalief helpt hij de eenzaamheid verdrijven bij ‘Nederlandse oma’s en opa’s’. Maar wat drijft de man, een Turkse Nederlander zoals ik? Als ik hem tref, is hij ontroostbaar omdat zijn moeder stervende is. En ontdek ik waarom hij zijn project begon: uit moederliefde. Lees het verhaal van Hizir hier terug Dood ga je alleen, aftakelen doe je samen. Hoe gaan we daarmee om? Vrijwillige euthanasie is nergens zo goed geregeld als in Nederland. Maar dan moet je niet dement worden, want artsen helpen mensen niet met sterven als ze hun doodswens niet meer kunnen overbrengen. Daar moeten we het over hebben. Daarom ga ik met jullie op zoek naar de grenzen van de aftakeling. Lees het verhaal van Henk hier terug