Het gaat elke dag iets minder, zegt journalist en politicoloog Ko Colijn tegen de twee interviewers van de Volkskrant. Hij loopt met een rollator, spreken wordt steeds moeilijker. Colijn, columnist van Vrij Nederland en oud-directeur van Clingendael, het instituut voor internationale betrekkingen in Wassenaar, heeft een die zijn motoriek aantast.

En dus ook zijn praten. ‘Ik weet wat ik zeggen wil, maar het zijn net skebbelbokjes die in mijn keel blijven steken.’

Wat blijft in uw keel steken?
‘Scrab-ble-blok-jes!’

De geest gaat sneller dan uw stem?
‘Ik hoop het wel.’

Geestig. Dat is wel het minste wat je van het interview kunt zeggen. Dapper ook, want Colijn spreekt met zelfspot en ironie over zijn ziekte, die hem niet onmiddellijk fataal zal worden maar wel zal invalideren. Na de rollator de rolstoel. En op de skebbelbokjes volgt het stadium van nauwelijks verstaanbaar fluisteren.

waarin Colijn al vlot ‘gewoon’ over de wereld spreekt, over Brexit en great power competition, over EU en NAVO, Syriërs en Koerden, heeft veel weg van een interview-nu-het-nog-kan. Net als die omroep Max een week later uitzendt. Van Weezel is even oud (67) als Colijn, begon zowat tegelijk met hem bij Vrij Nederland – ik lees en bewonder beiden sindsdien – en lijdt eveneens aan een ongeneeslijke ziekte.

Er zijn twee belangrijke verschillen.

In tegenstelling tot Ko Colijn spreekt Max van Weezel in zijn ‘afscheidsinterview’ met vrijwel geen woord over de dood. En anders dan Colijn heeft hij niet lang meer te leven.

Illustratie: Sandro Rybak

Illustratie: Sandro Rybak

Avondvullend volkstheater over de dood

Het publieke sterven moet als mediahype begonnen zijn op 27 september 2004, met de uitvaart van André Hazes. Avondvullend volkstheater was het, schreef de Volkskrant. Zes miljoen kijkers, van wie één miljoen in Vlaanderen, zagen live hoe de rouwstoet bij de Arena arriveerde. De kist op de middenstip. De kleine Dré. Het kippenvelmoment.

Toen zongen artiesten de evergreens van Hazes. Bloed, zweet en tranen. Jubelend brulde het stadion mee. Wij, zijn fans, keken naar de dood alsof ons leven ervan afhing. Nooit eerder gaven we ons zo massaal over aan openlijke rouw. Het was een dood om nooit te vergeten.

Ook achter de lijkwagen van Pim Fortuyn liep in 2002 al een lange stoet mee door Rotterdam, maar vergeleken bij het stadion van Hazes was dat nog rouw-in-de-kleine-zaal. Na André Hazes werd nationaal verdriet zo gewoon als bier drinken in de Koningsnacht – ook dat doen we samen, en net zo schaamteloos, net zo ongeremd.

Na André Hazes werd nationaal verdriet zo gewoon als bier drinken in de Koningsnacht

Achteraf blijkt die stadionhoogmis een keerpunt. Maar van wat precies? De herwaardering van saamhorigheid als reactie op doorgeschoten individualisering? Ineens konden een bouwvakker uit Osdorp en een Zuidas-advocaat schouder aan schouder hun tranen de vrije loop laten – dat leek zeker iets nieuws.

Toch zat het dieper.

In de twintigste eeuw hadden we de dood weggemoffeld. Wat altijd vertrouwd en alledaags was geweest, én angstaanjagend, hadden we weggestopt in ‘besloten kring’. Mijn opa’s opa wist nog wat een lijk was als hij er een zag liggen, of rook. Maar nu was doodgaan een private aangelegenheid geworden, alsof we ons ervoor schaamden.

Waar de mensen in de negentiende eeuw nog stierven aan cholera of pokken, te midden van wie er toevallig in de buurt was, gingen we nu steeds ouder dood, en steeds eenzamer, in anonieme ziekhuisbedden.

Achteraf markeert de bijna natie-brede rouw om die zanger uit de Pijp een omslag in onze omgang met de dood. Nadat we collectief hadden zitten snotteren om Hazes, werd sterven weer huiselijk, of ten minste mediageniek. Aftakeling, dood en rouw bleken bruikbare talkshow-onderwerpen.

In het aangezicht van de dood een column beginnen

De schrijver Martin Bril, die al voor de slokdarmkanker die hem in 2009 op 49-jarige leeftijd fataal zou worden geregeld te gast was bij De Wereld Draait Door, vertelde bij Matthijs van Nieuwkerk openhartig over zijn lot. In de Volkskrant kreeg zijn column tegen het einde een vaste plek op de voorpagina.

Zes jaar later publiceerden ineens twee schrijvers en een filosoof tegelijk over hun aangekondigde sterven. In Het Parool schreef voormalig adjunct-hoofdredacteur Albert de Lange over zijn strijd tegen darmkanker, totdat hij die op 57-jarige leeftijd verloor. ‘Ik zal niemand per se aanraden in het aangezicht van de dood een column te beginnen’, noteerde hij in zijn laatste stukje op 11 april 2015.

Mooie brieven kreeg De Lange, en mails, liefde, aandacht. ‘Maar dat publieke sterven, zoals het is gaan heten, is niet bevorderlijk voor de intimiteit in kleine kring. Als iedereen (bijna) alles weet, bedreigt dat toch het exclusieve samenzijn en voor je het weet is de column zelf het thema, niet de situatie.’

Oud-NRC-redacteur Pieter Steinz was bij die krant weggegaan om directeur te worden van het Letterenfonds toen hij de diagnose kreeg. De vroegere literatuurredacteur schreef daarna voor NRC columns waarin hij de spierziekte verbond met boeken die hij las of herlas. Hij vergeleek zijn langzame aftakeling bijvoorbeeld met de snelle dementie bij Bernlefs hoofdpersoon Maarten in Hersenschimmen: ‘Er komt een dag dat ik geen kracht meer in mijn handen heb en mijn vingers niet meer over de toetsen kan bewegen; er komt een dag dat mijn nekspieren niet alleen vermoeid zijn maar mijn hoofd niet meer overeind kunnen houden; er komt een dag dat mijn benen me niet meer gehoorzamen en dat ik – the horror, the horror – niet meer zelf naar de wc kan.’

Zijn laatste Lezen met ALS verscheen op 10 augustus 2015. Na 52 afleveringen had Steinz alles gezegd. Zijn uithoudingsvermogen werd minder, de verlammingen en ALS-krampen namen toe. ‘Over bijna elk fysiek en psychisch aspect van mijn ziekte heb ik wel mijn zegje gedaan. De gang naar de tandarts zal ik u besparen, ik zou er trouwens geen boek bij kunnen verzinnen.’

Steinz overleed een jaar later, 52 jaar oud.

Illustratie: Sandro Rybak

Illustratie: Sandro Rybak

We vinden troost bij stervende auteurs

‘Het publiek spitst automatisch de oren wanneer de stervende in het openbaar uitkomt voor zijn gesteldheid’, schreef Daan Heerma van Voss in 2016 in een mooi sceptisch stuk in de Volkskrant. Ze waren gaan opvallen, de columnisten en DWDD-gasten die zo hartverscheurend schreven en spraken over hun naderend einde.

Kennelijk is deze overtreffende trap van massaal rouwen wat het publiek wil. Maar waarom? Bij stervende auteurs vind je troost als je zelf ook getroffen wordt door het noodlot. We snakken ernaar te weten wat zij weten. Heerma van Voss: ‘Wanneer een Bekende Nederlander ons zijn dood aankondigt, vindt een uitruil plaats. Het publiek biedt de stervende aandacht (de illusie van liefde), de stervende biedt het publiek troost (de illusie van wijsheid).’

Neem nou René Gude, de primetime-filosoof en Denker des Vaderlands, de man met dat opgewekte humeur en de driekwartkist. Kort voordat hij zelf in 2015 op 58-jarige leeftijd zou overlijden met nog één niet door botkanker weggevreten been, liet René Gude zich voor NRC en op televisie voor het in die op maat gemaakte kist.

Het was ontroerend en confronterend, dat opgewekte humeur waarmee Gude staande hield dat sterven niet moeilijk kon zijn

Dat was niet fijn om te zien, en Gude wist het. Bij De Wereld Draait Door sprak hij vrijuit over zijn einde. Het was ontroerend en confronterend, en misschien ook troostend, dat opgewekte humeur waarmee Gude staande hield dat sterven niet moeilijk kon zijn. ‘Iedereen kan het.’

Niemand wist wie René Gude was toen hij nog twee benen had, schreef Dat was net zo bot en cynisch als de toon waarop Gude zelf over zijn lot sprak. Bovendien, wist hij, was het waar. Hij genoot van de plotselinge roem, de publieke optredens, de schare nieuwe vrienden en de stoet van interviewers die zich naar zijn woonboot aan de noordoever van het Amsterdamse IJ haastten om de meest toegankelijke filosoof van Nederland nog één keer te horen vertellen hoe een mens zich overeind kan houden met

‘Door zich te omringen met mensen, aandacht en schijnwerpers houden de stervenden de dood nog een beetje op afstand’, analyseerde Daan Heerma van Voss. Hij was bang, en niet vanwege Gude denk ik, dat het publieke sterven zou leiden tot verloedering van de dood, tot vercommercialisering en – vul ik hem aan – een tv-format met spin-off naar ‘het tweede scherm’ van de sociale media.

Hoewel elke schrijver het natuurlijk voor zich moest beslissen, en hij niet uitsloot zelf ook nog eens zo’n column te schrijven, relativeerde Heerma van Voss het publieke sterven. Volgens hem ‘eren we iemand beter door postuum zijn leven te herdenken dan vooruit te lopen op diens dood. Mensen worden niet interessanter wanneer ze doodziek zijn, ze worden niet wijzer of intelligenter. Ze worden hooguit kwetsbaarder, en hun tijd is kostbaarder dan ooit.’

Soms wordt het ongemakkelijk voor de kijker

Als Dionne Stax de doosjes met nicotinepleisters per ongeluk van tafel veegt, vraagt ze Max van Weezel (67) uiteraard niet of hij nog rookt. Dat zou niet kies zijn. De parlementair is ongeneeslijk ziek. Alvleesklierkanker. Zijn dokter geeft hem nog enkele maanden.

Dit tv-interview kan zijn laatste zijn. In de documentaire, op 6 januari uitgezonden door omroep Max, laat Stax Van Weezel onschuldige herinneringen ophalen. Aan zijn rode studentenjeugd, aan Joop van Tijn, zijn leermeester bij Vrij Nederland.

Als die politieke kopstukken uit Van Weezels gloriejaren hem ook nog komen prijzen, wordt het ongemakkelijk, voor de kijker althans. Oud-premier Dries van Agt looft hem om zijn ‘pittige, vinnige maar altijd intelligente artikelen’. Voormalig vicepremier Hans Wiegel wil nog even kwijt dat hij ‘met die gasten [Van Weezel en Van Tijn] altijd moest oppassen’.

Waarom niet scherp, zoals Van Weezel zelf was, waarom niet de messen geslepen?

Alleen op het laatst, als Pim Fortuyn ter sprake komt en de populistische kritiek op ‘de linkse pers’, vraagt Stax een beetje door, nog altijd aanminnig glimlachend. Max van Weezel verdient de aandacht, maar waarom moest het zo mierzoet? Waarom niet scherp, zoals Van Weezel zelf was, waarom niet de messen geslepen?

Nu is het net alsof we Max van Weezel al bij leven herdenken: nil nisi bene – over de doden niets dan goeds. Dat knelt te meer omdat hij niet lang meer te leven heeft, maar daar met vrijwel geen woord over spreekt.

Het interview-nu-het-nog-kan heeft zijn eigen wetten, net als de necrologie. Voor het eerbetoon van die laatste moet je dood zijn. En in het interview op de valreep kun je de dood in elk geval niet onbesproken laten.

Illustratie: Sandro Rybak

Illustratie: Sandro Rybak

Waarom zijn we zo ontroerd door al dat publieke sterven?

Wat maakt de schaamteloze omgang met de dood zo fascinerend? Dat we massaal rouwen is opmerkelijk, maar waarom kijken we er met miljoenen naar? En waarom zijn we diep ontroerd door al dat publieke sterven?

Heerma van Voss had ten dele gelijk. Je wordt geen groter filosoof met een been minder. Je leest niet beter als je op het punt staat ook het vermogen tot lezen te verliezen. Van slokdarmkanker ging Martin Bril niet per se puntiger schrijven dan hij allicht zou hebben gedaan in een lang en arbeidzaaam leven, zonder die ziekte. Wel schreef Bril minder, wat doodzonde is.

Waarom doet een schrijver het dan toch? Waarom schrijf ik als correspondent over dood en aftakeling?

Mijn laatste boek heet Je gaat er niet dood aan. Dat is niet voor niets. Mijn artsen hebben mij niet opgegeven. Ook ben ik niet dementerend, al verwarren sommige lezers ‘een door parkinson sterk verhoogde kans op dementie’ wat voorbarig met de verwarring die toeslaat bij mensen die al wel de diagnose hebben gekregen.

Het is net alsof ze niet kunnen wachten tot je doodgaat, die lezers

Het is net alsof ze niet kunnen wachten, die lezers.

Ik snap dat wel. Zo gretig las ik Bril ook toen hij al ziek was en ik nog niet. Ze willen er nu eenmaal alles van weten. Van hoe dat is, ongeneeslijk ziek zijn en aftakelen als er iets knettert in je hersenen. Maar bovenal willen ze horen hoe je ‘daar nou mee dealt’,

Ik denk niet dat Martin Bril, Pieter Steinz, Albert de Lange en René Gude ervoor kozen zo publiekelijk dood te gaan omdat ze nog altijd gelezen wilden worden. Wanneer je ‘het beest in de bek kijkt’, zoals Gude zei, wordt dat even onbelangrijk als een nieuw viltje onder je bierglas.

Bril, Steinz, Gude en De Lange schreven niet om de ‘de dood op afstand te houden’, zoals Heerma van Voss veronderstelde. Ze wisten wel beter. Het maakt de dood niet geweldig veel uit of en hoe we over hem schrijven. Ze schreven, net als ik, omdat ze dat altijd al hadden gedaan.

Misschien schreven ze vooral over de dood omdat die, vooral van dichtbij, een ‘sterk’ onderwerp is, universeel, mysterieus en menselijk. En omdat ze er beter van gingen schrijven, gretiger, dwingender. Van hun kwetsbaarheid werden de verhalen krachtiger, van hun schaamteloosheid kwamen rijkere zinnen.

Of je als schrijver-met-de-dood-voor-ogen tot diepere inzichten komt, betwijfel ik, alhoewel lezers daar vast anders over denken. Zij verwachten een hogere waarheid te vinden, ook al zal die er nooit zijn. Maar ze moeten nog verder en elk goed verhaal over de dood gaat tenslotte over het leven.

Meer lezen?

Iemand helpen doodgaan, dat kun je niet alleen. Daarom schreef ik dit manifest Wie dementie krijgt en niet ‘te laat’ wil sterven, moet nu ‘te vroeg’ overlijden in het begin van de ziekte. ‘Op tijd’ is immers vaak te moeilijk. Omdat ik dat wreed vind en principieel krom, schreef ik dit euthanasiemanifest. Lees het verhaal van Henk hier terug Dood ga je alleen, aftakelen doe je samen. Hoe gaan we daarmee om? Vrijwillige euthanasie is nergens zo goed geregeld als in Nederland. Maar dan moet je niet dement worden, want artsen helpen mensen niet met sterven als ze hun doodswens niet meer kunnen overbrengen. Daar moeten we het over hebben. Daarom ga ik met jullie op zoek naar de grenzen van de aftakeling. Lees het verhaal van Henk hier terug