Aan de rand van het Cruyff Court in Amsterdam Nieuw-West staat Tewelde Gilemariam. Door zijn naam weet ik dat ik hem eerder heb ontmoet, maar hij lijkt niet op de man die ik me herinner. Destijds leek hij te schrikken van alles wat ik hem vroeg en hij antwoordde in aarzelend Nederlands.

Nu kijkt hij me lachend in de ogen. In rap Nederlands praat hij me bij over zijn leven. Hij werkt vier dagen in de week als elektromonteur en gaat één dag naar het mbo. Hij is bezig met zijn rijbewijs, zijn baas betaalt de lessen. Zijn vrouw en twee kinderen zijn uit Eritrea overgekomen. ‘Mijn dochter is nog geen vijf jaar en zit nu al in groep 2’, zegt hij trots.

Foto: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)
Foto: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)

Ik sprak Gilemariam ruim twee jaar geleden, toen ik voor De Correspondent schreef over de Ethiopische Nederlander Mekonnen Ykeallo (52), die wekelijks met Eritrese nieuwkomers voetbalde op dit omheinde veldje tussen de jarenzestigflats. Dat was goed voor de ontspanning maar ook nuttig: na afloop konden ze vragen stellen over alles wat ze niet snapten aan Nederland.

Gilemariam was een van die nieuwkomers. En kijk hem nu: een man met een open gezicht die zegt dat hij écht blij is in Nederland. Het is geen vraag wie aan de basis staat van dat gevoel: ‘Mek’, zoals Ykeallo wordt genoemd. Dankzij hem begon Gilemariam Nederland te begrijpen en kreeg hij zijn baan.

‘Mek is de timmerman van het gebouw’, zegt hij. ‘En dat gebouw ben ik: Tewelde in Nederland.’

Eritreeërs integreren moeizaam

De term integratie is in Nederland al decennia omgeven met De integratie van mensen van buiten Nederland is lastig of mislukt, veel meer smaken zijn er niet in het publieke debat. De laatste jaren kwam naar buiten dat dit helemaal geldt voor één groep: Eritreeërs.

De werkelijkheid van Ykeallo en zijn nieuwkomers is behoorlijk hoopvoller dan wordt geschetst in welk rapport ook

Tussen 2014 en de eerste helft van 2017 vroegen ongeveer 17.000 Eritreeërs asiel aan in Nederland, waarmee ze na de Syriërs de grootste groep nieuwkomers zijn. Uit na blijkt dat ze over het algemeen weinig contact hebben met Nederlanders. Ze snappen niets van de papierwinkel die bij het Nederlandse leven hoort. Ze zijn op grote schaal werkloos. Ze hebben problemen met alcohol en huiselijk geweld.

Nu ik na twee jaar terug ben op het Cruyff Court wordt weer eens duidelijk dat geen enkel rapport het laatste woord heeft. De werkelijkheid van Mekonnen Ykeallo en zijn nieuwkomers is behoorlijk wat genuanceerder én hoopvoller dan wordt geschetst in welk rapport ook. De Eritreeërs die hier nog steeds elke zaterdag- en zondagochtend voetballen, laten zien dat ze druk bezig zijn hun weg te vinden in Nederland.

Foto’s: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)
Foto’s: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)

De nieuwkomers van ‘Mek’ zijn blij

Het regent steeds harder, maar op het veld strijden twaalf man onvermoeibaar om de bal, inclusief Ykeallo. De voertaal is Tigrinya, dat zowel in Ethiopië als Eritrea wordt gesproken – de buurlanden hebben van oudsher een sterke band. Als er Syriërs of Marokkaanse Nederlanders meedoen, gaat iedereen over op het Nederlands.

‘Hij is mijn vader, mijn vriend, mijn alles’

Aan de andere kant van het hek vertellen Eritrese toeschouwers me over hun leven. Ze zijn hier rond 2015 gekomen en volgen een opleiding, hebben die al afgerond of werken. Hun Nederlands is behoorlijk goed. Ze zijn vrolijk. Ze danken God dat ze in Nederland zijn. ‘Het is hier veilig’, zegt de een. ‘Er is hier vrijheid, dat is heel belangrijk’, zegt de ander.

En dan beginnen ze net als Gilemariam over ‘Mek’, die hen de afgelopen jaren volop hielp. Hij vertaalde onbegrijpelijke brieven van de overheid. Hij legde de ongeschreven regels in Nederland uit, zoals: kijk iemand tijdens een gesprek in de ogen in plaats van naar de grond. Hij zette zijn netwerk in voor het vinden van een baan.

Later bel ik met Tekleweini Tesfahiwet, die ik twee jaar geleden ook sprak. Hij kon niet komen naar het Cruyff Court, omdat hij moest werken. Hij is medewerker in de Filmhallen in de Kinkerbuurt. Hij kreeg de baan via Ykeallo.

Tja, hoe moet hij nou zijn gevoelens voor hem uitdrukken? ‘Hij is mijn vader, mijn vriend, mijn alles.’

Ykeallo ontkent de problemen niet

De persoon in kwestie begint hard te lachen als hij alle loftuitingen hoort. ‘Nou, nou’, zegt Mekonnen Ykeallo.

We hebben het voetbal achter ons gelaten en zitten in een café in Nieuw-West. De grote vraag is: hoe heeft hij dit geflikt? Wat doet hij anders dan andere mensen die zich bemoeien met de integratie van Eritrese nieuwkomers en die kennelijk tot hele andere conclusies komen?

Voor de goede orde: Ykeallo ontkent de problemen uit alle onderzoeken niet. Eritreeërs blijven vaak een behoorlijke poos in hun eigen kring hangen, dat weet hij ook. Ze snappen Nederland niet een-twee-drie. Dus vinden ze het moeilijk in contact te komen met Nederlanders en hebben ze niet snel werk. En ja, er zijn ook drank- en relatieproblemen.

Maar, haast hij zich te zeggen: die laatste categorie is beslist niet uniek voor Eritreeërs. Alle echtparen uit landen met strengere regels voor vrouwen kunnen het in Nederland moeilijk krijgen omdat de vrouw vrijheid ruikt. Zij kan hier zelfstandig een uitkering krijgen, studeren of werken. Dat levert nogal eens spanningen op. Ykeallo hoorde over vrouwen die alleen naar Nederland kwamen en hun man bij nader inzien nooit lieten overkomen. ‘Laat hem daar’, zeiden ze.

Hij vraagt begrip voor de Eritreeërs

Hij zou het toejuichen als Nederlanders iets meer wisten van de achtergrond van Eritreeërs, zodat er meer begrip voor hen komt. De oorlog in Syrië trekt veel aandacht, maar ook in Eritrea is de situatie rampzalig. ‘Het is het Noord-Korea van Afrika. Eritreeërs komen niet naar Nederland voor de lol of voor een betere baan. Ze vluchten voor onvrijheid en honger.’

Foto’s: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)
Foto’s: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)

Eritrese mannen moeten soms wel tien jaar in militaire dienst, waar ze elke dag droog brood met linzensaus eten – vandaar dat de meeste Eritrese vluchtelingen mannen onder de 30 jaar zijn. In winkels is weinig te koop en wat te koop is, is heel duur. Jongere Eritreeërs zijn vrijwel allemaal kleiner en magerder dan Ykeallo’s generatie, dat zegt genoeg.

Hun tocht naar Europa is levensgevaarlijk. In Soedan zijn Eritreeërs makkelijke prooien voor afpersers en verkrachters. In Libië belanden ze helemaal in de hel, met dreigende gevangenschap, slavernij en marteling. Onder die omstandigheden moeten ze een boot van een mensensmokkelaar regelen die hen over de Middellandse Zee brengt.

Als de Eritreeërs Nederland bereiken, zijn ze op zijn minst vermoeid en op zijn ergst totaal kapot. En dan begint de inburgering in een cultuur die compleet nieuw voor ze is. Syriërs hebben genoeg meegekregen van het Westen, maar Eritreeërs vrijwel niets. Hun land is afgesloten van de buitenwereld, televisie en internet zijn gecensureerd. ‘Ze beginnen hier dus helemaal opnieuw’, zegt Ykeallo.

Ziedaar de ingrediënten voor een moeizame integratie. Alleen: hij legt zich daar niet bij neer. Het is goed de situatie van Eritreeërs in Nederland te begrijpen, maar Ykeallo wil nog liever oplossingen voor hun problemen bedenken. ‘Laten we inzien dat er geen snel medicijn is, het is een proces. Maar als we Eritreeërs beter begeleiden, levert dat iets op voor de hele maatschappij. Dan zijn ze misschien op de lange termijn beter geïntegreerd dan alle andere migrantengroepen.’

Zijn motto: alles is mogelijk

Waarom Ykeallo zich hun lot zo aantrekt? Het lag niet voor de hand. Sinds 2007 heeft hij met zijn vriendin Annemarie in de Amsterdamse Pijp een restaurant voor Oost-Afrikaans eten, Azmarino. Hij kookt, zij serveert. Hij doet het met plezier, nog steeds. Alles wat hij ernaast doet voor zijn nieuwkomers, is een bijbaan, maar wel een die steeds belangrijker wordt.

Bij toeval kwamen de Eritreeërs op zijn pad. Al jaren voetbalde hij op het Cruyff Court, vlak bij zijn huis. Toen in 2016 een paar keer een Eritrese jongen stond te kijken, vroeg Ykeallo hem mee te doen. Dat trok meer Eritrese jongens aan en ze begonnen hem vragen te stellen over de dingen die ze in Nederland niet begrepen.

Hij nam zijn taak serieus en richtte eind 2016 op, toen nog een eenmanszaak waarmee hij zich inzette voor veertig jonge Eritreeërs die net in Nederland waren. Welbewust koppelde hij zijn eigen achternaam eraan. Ykeallo betekent: alles is mogelijk.

Die optimistische filosofie sleepte hem ook door zijn eigen begintijd in Nederland. Hij kwam hier in 1994 en werd in een asielzoekerscentrum in Laren al na een paar maanden gek van het nietsdoen. Hij regelde een vrijwilligersbaantje bij de plantsoenendienst en dat was zijn redding. Hij kreeg collega’s, leerde andere mensen in Laren kennen, kwam bij hen thuis. ‘Ik voelde me sterker en sterker worden in Nederland.’

Toen hij na vijf jaar een verblijfsvergunning kreeg en een huis in Amsterdam, sprak hij vloeiend Nederlands. Hij kende de Nederlandse cultuur zo goed dat hij binnen drie maanden slaagde voor de verplichte inburgeringscursus.

Foto: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)
Foto: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)

Stichting Ykeallo breidt uit

Wat hij zelf heeft gekregen, wil hij nu aan andere vluchtelingen geven: contact, hulp, menselijkheid. Zonder dat wordt het een stuk lastiger om een nieuw bestaan te beginnen, weet hij, helemaal als de omstandigheden zo moeilijk zijn als voor Eritreeërs.

Ykeallo zag waar het fout ging: er was geen goede gezamenlijke ruimte waar activiteiten werden georganiseerd voor alle bewoners

Zijn bemoeienis met de Eritreeërs begon klein, maar breidde zich snel uit. In 2017 vroeg de gemeente Amsterdam of Ykeallo zich wilde buigen over een verzameling containerwoningen in Nieuw-West, waar sinds drie jaar 565 jonge Nederlanders en vluchtelingen samenwonen. met de 125 Eritreeërs, kreeg hij te horen. Ze mengden zich totaal niet en er waren ruzies met andere bewoners, bijvoorbeeld over geluidsoverlast.

Ykeallo ontdekte dat niet alleen de Eritreeërs het contact met andere etniciteiten uit de weg gingen, ‘Ook de Nederlanders bleven in hun eigen kringetje’, zegt hij. ‘In het begin waren ze enthousiast over het samenwonen met vluchtelingen, maar na een tijdje vervielen ze in hun oude leven en gingen ze alleen nog met andere Nederlanders om.’

Hij zag waar het fout ging: er was geen goede gezamenlijke ruimte waar activiteiten werden georganiseerd voor alle bewoners. Hij vroeg om een zaal en die kwam er: het clubhuis van handbalvereniging Westsite. Stichting Ykeallo zorgde dat er drie dagen in de week – woensdag, vrijdag en zaterdag – een vast programma kwam.

Sindsdien is er een taalcafé voor hulp met Nederlands. Instanties komen langs om te helpen met een uitkering, scholing of gezondheid. Er zijn avonden waarop gewoon wordt gepraat, gedronken en gefeest. En er zijn speciale activiteiten, waaronder voetbal en volleybal op de velden van Westsite. Sport verbroedert, Ykeallo gelooft er heilig in.

De stichting krijgt subsidie van de gemeente, en is uitgebreid met twee medewerkers en een batterij vrijwilligers. In Startblok Riekerhaven zijn ze er voor iedereen, maar vooral veel Eritreeërs kloppen bij hen aan. Sinds kort bemoeit de stichting zich op dezelfde manier met twee soortgelijke woonvormen in Amsterdam-Oost: en

Foto: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)
Foto: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)

En toen kwam er een voetbaltoernooi

En nu komt het: Ykeallo bracht de groep van het Cruyff Court en die van Startblok Riekerhaven met elkaar in contact, waardoor zijn stichting steeds groter en bekender werd. Beide groepen mochten gebruikmaken van de faciliteiten in het clubhuis van Westsite en beide kwamen ook voetballen op het Cruyff Court.

Het trok Eritrese nieuwkomers uit heel Amsterdam aan. Steeds meer klopten aan bij Ykeallo, omdat ze hoorden: hij kan ons helpen. Intussen staat zijn stichting in contact met tussen de 250 en 300 nieuwkomers, de meesten uit Eritrea. In de woonprojecten worden nog eens ruim 150 Eritreeërs begeleid.

Langzamerhand zijn er meer contacten met de buitenwereld ontstaan, met Syriërs en Nederlanders vooral. Het leidde afgelopen zomer tot op het grasveld bij Startblok Riekerhaven. Zeven teams, met in totaal 85 voetballers, streden tegen elkaar. Na afloop was er eten voor iedereen.

Ykeallo werd er verrast door de komst van Cor en Mia, die hij nog kende uit zijn eerste jaren in Nederland. Cor was een collega bij de plantsoenendienst in Laren, een van de mensen die hem liet voelen dat hij niet het etiket ‘vluchteling’ op zijn voorhoofd had, maar een gewoon mens was.

Iedereen is opgebloeid

Zo ontstond uit de komst van één Eritreeër naar een voetbalveldje in Nieuw-West een grote groep die in Ykeallo een vader of een vriend ziet, en via hem in contact komt met andere mensen die ook als ouders of vrienden zijn. Dat werkt. ‘Het begint echt te komen op dit moment, iedereen is opgebloeid’, zegt hij, met de hand op het hart.

Het minste wat zijn protegés doen, is een inburgeringscursus in combinatie met vrijwilligerswerk. Maar de meesten zijn verder, ze volgen een opleiding of ze werken. Of ze doen het allebei, zoals Gilemariam.

Foto’s: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)
Foto’s: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)

Nog een effect van zijn inspanningen: de ruzies in Startblok Riekerhaven zijn grotendeels voorbij. ‘De Eritreeërs wisten niet dat je ’s nachts geen muziek kan draaien. Dat is hun nu verteld en nu is het over. Riekerhaven is volwassen aan het worden.’

Binnenkort zet hij een volgende stap in zijn begeleiding: hij wil een groepje samenstellen van mensen zoals Tewelde Gilemariam en Tekleweini Tesfahiwet, die al wat langer in Nederland meelopen en aan het werk zijn. Hij wil met hen bekijken waar ze tegenaan lopen. In hun eerste levensbehoeften is voorzien, maar daarmee weten ze nog lang niet alles over Nederland. Integratie is immers een proces.

Uit ervaring weet Ykeallo dat Eritreeërs nog lang moeite kunnen hebben met drie dingen. Allereerst: verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen leven, zelfstandig beslissingen nemen. ‘In Eritrea hebben ze alleen maar geleerd om te gehoorzamen aan de regering, de vader, de priester, de leraar, noem maar op. Hier krijgen ze voor het eerst de vraag: wat wil jij?’

Ten tweede: het individualisme, dat haaks staat op de gemeenschapszin in Eritrea. Het verschil komt in allerlei praktische zaken tot uiting: Eritreeërs lopen onaangekondigd bij elkaar naar binnen en zijn veel bij elkaar, Nederlanders maken afspraken en vinden het normaal om alleen te zijn.

Tot slot: ze moeten leren omgaan met vooroordelen en discriminatie. Al in de asielzoekerscentra merken ze dat er een hiërarchie bestaat: zwarte mensen staan onderaan de ladder, witte bovenaan, met allerlei kleine voorrechten daaraan gekoppeld. Ykeallo heeft het zelf meegemaakt, maar als nieuwkomers klagen dat ‘alle blanken racisten zijn’, is zijn antwoord: ‘Ik ben meer gediscrimineerd door sommige Marokkanen en Surinamers dan door blanke Nederlanders.’

Laten we de Eritreeërs helpen

Ykeallo krijgt tegenwoordig telefoontjes uit het hele land, van Den Bosch tot Groningen. Meestal wordt hem om advies gevraagd over iets met een Eritreeër, iemand die uit huis is gezet na een huurachterstand, iemand die een ongeluk heeft gehad of verkracht is. Hij helpt ze meestal niet zelf, maar zoekt mensen of instanties in de buurt die dat wel kunnen.

Hem zul je niet horen zeggen dat het overal in Nederland goed gaat met de integratie van Eritreeërs, maar hij durft met zekerheid te stellen dat ze in Amsterdam hard op weg zijn. Wat hem betreft komt er in elke Nederlandse plaats met een aanzienlijke Eritrese gemeenschap iemand zoals hij die de kar trekt, een oudere Eritreeër of Ethiopiër die al langer in Nederland is. Ze zouden eens in de zoveel tijd bij elkaar kunnen komen om ervaringen uit te wisselen.

Kijk, dan komt het wel goed met de Eritreeërs in Nederland. ‘Ze kunnen niet terug naar Eritrea, hè? Ze moeten hier wel integreren. En de meesten willen ook wel. Laten we ze helpen.’

Foto: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)
Foto: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)

Meer lezen?

Mek vertelt nieuwkomers niet hoe ze moeten leven, maar neemt ze op in de gemeenschap Het verhaal van Mek dat ik twee jaar geleden schreef. Lees mijn verhaal hier terug Twee jaar integreren in het klein leert: echt Nederlands ben je als je het te druk hebt om met je buren om te gaan In Amsterdam wonen op een aantal locaties jonge vluchtelingen en Nederlanders samen. Ruim twee jaar geleden was ik in gang 3A van Startblok Riekerhaven, de eerste flat die op deze manier werd opgezet. De verwachtingen van toen zijn niet uitgekomen. Toch stap ik er met een goed gevoel de deur uit. Lees het verhaal over Ali Awadalla hier terug