Die nacht slaap ik met een gebaksvorkje onder mijn kussen. Weinig indrukwekkend, maar één rake steek in oog of nek moet ons net genoeg tijd opleveren om weg te kunnen komen. 

Twaalf uur eerder checken we in bij de B&B in een vochtige punt van Wallonië. Mijn lief is jarig, we gaan doen alsof dat drie dagen lang zo is. Het deuntje valt als eerste op. Dat schelt uit twee computerboxjes aan het plafond en lijkt nog het meest op de begintune van The Joy of Painting, het schilderprogramma van de zoetgevooisde Bob Ross, R.I.P.

Het riedeltje duurt veertig seconden van kop tot staart. Impotente akoestische gitaar. Het staat hard. Het staat op repeat. We kijken elkaar aan. ‘Geinig, deze mensen spelen hotellobby in hun huis.’

Er zijn twee slaapkamers, een voor ons, een van de eigenaar en zijn vrouw. Hij schijnt nogal te snurken, meldden eerdere bezoekers in de reviews, maar met oordoppen moeten we een eind komen.

Ik geloof dat de eigenaar snurkt zodra ik hem zie. Hij heeft zichzelf immobiel gegeten. Een schaaltje met wisselgeld, net achter de laptop die voor hem staat, valt buiten zijn bereik. We moeten vooraf betalen, contant. Hij blaft dat ik zelf mijn wisselgeld moet pakken. En dan de gedragsovereenkomst, in het laatje ernaast.

Die gedragsovereenkomst is zo mooi gegoogletranslatet dat ik me niet realiseer dat ik een ge-drags-o-ver-een-komst sta te tekenen. Regel 1: ‘Gasten zijn verplicht elk hypothetisch probleem direct te melden bij de eigenaar.’ Fantastisch.

Regel 2: ‘Gasten moeten tijdens hun verblijf te allen tijde op hun kamer blijven.’

Op dit punt hadden we moeten zeggen: ‘Sorry, we gaan toch ergens anders slapen’, maar het verstand legt het af tegen de nieuwsgierigheid. Slapen bij deze man in blouse met muzieknootprint, verzamelaar van hypothetische problemen? En bij zijn vrouw, die vanuit de hoek van de kamer zonder op te kijken ongemakkelijk hard ‘hallo!’ roept en daarna in opperste concentratie blinkend schone glazen begint op te poetsen? Ik teken ervoor.

We krijgen de slappe lach om dat riedeltje

Het liedje speelt door. We tekenen de overeenkomst, zetten onze tassen boven en krijgen de slappe lach om het riedeltje, dat door de kieren in de vloer onze kamer binnendringt. De rest van de dag zijn we weg. ’s Avonds om acht uur komen we terug. De muzak staat nog steeds aan. Zelfde deuntje. De vrouw poetst nog steeds glazen. Het zijn er vier. De eigenaar veegt zijn bovenlip af met het muzieknootshirt. Het is vijf graden. Ze groeten ons geen van beiden terug.

Acht uren zijn er verstreken sinds we vertrokken. Dat is 720 keer het deuntje. Heel hard het deuntje.

We nemen de wenteltrap naar boven en hervatten ons jaarlijkse rondje Breaking Bad herkijken, maar zelfs de heftigste kartelconfrontatie kan het geluid van beneden niet overstemmen. Om half tien kan ik niet meer, schiet een broek aan en vraag op de begane grond of de muziek misschien iets zachter mag. Hij reageert niet, zij, vanuit de hoek, kijkt hem verschrikt aan. Dan zegt ze stamelend dat het kan, maar pas over tien minuten. Ik loop terug naar boven, verward maar hoopvol.

‘Ja, het kan, maar over tien minuten?’

Misschien heeft de muziek een functie. Gebruikt de eigenaar het om in een bepaald ritme te blijven. Zoals die Belg uit de mop, die naar de kapper ging en weigerde zijn koptelefoon af te doen. Toen de kapper hem er zelf vanaf trok, viel de Belg dood neer. Uit de koptelefoon klonk: ‘Adem in, adem uit…’ Of misschien is er een luguberder verklaring. Wie kan acht uur onafgebroken naar hetzelfde beige gitaarrifje luisteren zonder gek te worden? Dan moet je het haast al zíjn.

Wie kan acht uur onafgebroken naar hetzelfde beige gitaarrifje luisteren zonder gek te worden?

Ik sta op het punt de Belgenmop aan mijn lief te vertellen, maar we worden opgeschrikt door een brul van beneden. De eigenaar is boos, nee, ziedend, nee, iets waardoor je tegen je vrouw buldert als ze je muziekje af wil zetten.

Gestommel beneden. Is het alarmnummer in België ook 112? Geschreeuw van hem, ge-sorry van haar. Kan deze man überhaupt opstaan? Dan: volledige stilte. Dan: heel hard gebons op onze kamerdeur.

Mijn lief trekt een broek aan en opent de deur. Niemand. Hebben we het ons ingebeeld? Dan zien we een briefje op de drempel liggen. In hoofdletters: ‘WE HEBBEN MUZIEK IN DE BAR TOT 22.00 !!!’

De bar? Voor wie? Ik dacht dat gasten tijdens hun verblijf te allen tijde op hun kamer moesten blijven. Misschien verklaart de aanwezigheid van hun onzichtbare privébar wel de weeïge geur die onze kamer om het uur penetreert. Wat doen ze daar beneden?

Ik begin te twijfelen aan de louter positieve reviews die ik thuis las en probeer andere gasten te vinden met eenzelfde ervaring. Op pagina 18, na een reeks vijfsterrenrecensies, is het raak. Een Amerikaan meldt: ‘In the evening we could hear the host playing his piano jazz on his laptop and as there was no tv, we were captive to his musical choices.’ 

Dan: een Frans stel dat werd toegeschreeuwd door de vrouw in de hoek toen ze haar vroegen om een goed restaurant in de buurt. Op de allerlaatste pagina: Nederlanders op fietsvakantie die midden in de nacht uit de B&B waren gezet ‘omdat de inhoud van hun bagage tegen de gedragsregels in ging’. Ze waren op doorreis en hadden een campinggasje bij zich om op te koken. Regel 3: ‘Het is niet toegestaan om open vuur te maken op de kamer.’ Blijkbaar was de eigenaar (maar waarschijnlijker: de vrouw in de hoek) in hun afwezigheid door hun tassen gegaan.

Waarom heb je het dan niet gemeld? Hè?

Om tien uur stipt is het stil. Op elke negatieve recensie lees ik een reactie van dezelfde man, de eigenaar. Hij smoort elke kritiek met een: ‘Als je het hier zo slecht vond, waarom heb je het dan niet gemeld? Hè?’ 

Hij heeft verschillende LinkedIn-profielen. Hij was kunstenaar. Of werkte in een dierentuin. Of voor een politieke partij. Hij blijkt online te schaken, tienduizend potjes in het afgelopen jaar. Op zijn Instagram zien we wat we steeds ruiken op onze kamer: pizza met bruine bonen en mayonaise. Op Amazon vinden we een boek van zijn hand, over een man met wanen die achterna wordt gezeten door een vijandelijke overheid. Op YouTube likete hij talloze filmpjes over je al dan niet overleveren aan God. Hij schildert ook: centaurs met muziekinstrumenten. 

Ergens tussen de ontdekking van zijn fascinatie voor het nazisme – op Facebook – en zijn opwinding over de slechte behandeling van immigranten in België – op een obscuur forum – val ik in slaap, in foetushouding.

Dan wordt er weer aangeklopt. Hard. Ik loop met gebaksvork richting de deur, check de drempel op briefjes. Niets. Dat is waar ook. Het is ochtend. We hadden ontbijt besteld. Ik kniel en tuur onder de deur door, waar een kar op wieltjes staat. 

Wat zou erop liggen? Nog een boze brief? De muziek staat weer aan, harder dan gisterenavond. Pizza met bruine bonen en mayonaise? Veertig seconden, kop tot staart. Het vers afgesneden hoofd van een centaur? Het staat zo. Hard.

‘Sorry, we moeten onverwachts gaan’

Het ontbijt (gewoon een omelet) is heerlijk, het doosje bonbons dat we erbij krijgen bedorven. We pakken in en checken een dag eerder dan gepland uit. ‘Sorry, we moeten onverwachts gaan.’ De eigenaar neemt de sleutel in ontvangst maar zegt geen woord, de vrouw in de hoek roept zonder van haar glazen op te kijken: ‘Au revoir!’

Thuis durf ik geen recensie te schrijven. Want als het daar zo slecht was, ‘waarom heb ik het dan niet gezegd. Hè?’

Oproep: schrijf zelf!

Binnenkort verschijnt de honderdste aflevering van deze rubriek Iemand die ik niet ken. Daarom nodigen we lezers uit om zelf te schrijven over een bijzondere ontmoeting en hun verhaal op te sturen. De leukste, opvallendste, ontroerendste stukken publiceren we op De Correspondent.