‘Kánkerhoer!’

Mijn broer hoort ze ook roepen, maar verstaat niet wat ze zeggen. Ik zeg hem dat het niks is. Ze zullen zo hun bek wel weer houden en boven alles blijf ik zijn grote zus, ik wil hem niet ongerust maken. Daarbij: hij zit aan de andere kant van de telefoon, wat gaat-ie doen?

We proberen verder te praten over zijn dag. Over zijn collega, uitgeschakeld door liefdesverdriet, de stapels extra werk die hem dat oplevert. Welke pizza hij eens zal kopen. Ah, tonno. De jongens in mijn trein blijven hem overstemmen. ‘Ik hang even op, Ben.’

‘Vieze kánkerbolle! Je bent kánkerlelijk!’

Net na Utrecht, halverwege mijn reis naar huis, komen ze met z’n vieren het balkon van de trein op – dat stuk tussen twee coupés in, waar ik op een klapstoel zit. Tegenover me zit een jonge vrouw, verderop een zestiger die zo strak naar zijn krant kijkt dat hij onmogelijk leest.

Het schelden begon toen ik niet reageerde op de dwingende ‘psst’s’ en ‘ey’s van de brallers. Zeventien, achttien zijn ze, maar het zijn er vier. Mijn non-verbale weerstand doet niks – de opgetrokken wenkbrauw, het schuddende hoofd, de ‘problemen?’-hand, het oogcontact met de enige stille van de groep, die snel wegkijkt. 

Op bijstand van mijn medepassagiers hoef ik niet te rekenen. Zij heeft haar koptelefoon opgezet, hij is nu een krant met benen.

Verwond één hyena en de hele groep trekt zich terug

Wat roep ik terug? Ook iets kankerigs? Dat ik wéét dat ze het niet tegen mij hebben? Het zou niet helpen, gekte laat niet met zich onderhandelen. Om precies die reden vertrouw ik er niet op dat ze niet fysiek zullen worden als ik reageer.

Weglopen dan? Linksaf blokkeren ze de trap, rechtsaf keer ik ze mijn rug toe. Plus: dan laat ik hier een andere vrouw in haar eentje achter (de krant met benen is in steen veranderd).

Verwond één hyena en de hele troep trekt zich terug. Een beuk tegen een strottenhoofd moet lukken. Of iets met de nagelvijl in mijn zak. Of een kopstoot, zou dat indruk maken? Of zou ik mezelf dan pijn doen? Of wil ik, zo tussen de werkdag en het avondeten in, gewoon in zijn geheel niet geconfronteerd worden met onvrijwillige geweldsfantasieën?

‘Vies kánkerzwijn! Doe maar alsof je me niet hoort. Vieeeze…’

Misschien mis ik wel iets. Is het een genot om mensen te schofferen in de wetenschap dat ze niks terug zullen doen. Wellicht kan ik morgen naar het speelpleintje bij het kinderdagverblijf in mijn straat lopen, een paar leuke vierjarigen uitkiezen om te intimideren en ze dan uitlachen omdat ze niks terug durven te zeggen. 

Haha, kánkerkleuters!

Ergens tussen vecht en vlucht staar ik naar de hardste schreeuwer. Wat hij zegt hoor ik niet meer. Ik zie zijn gezicht bewegen in slowmotion, wenkbrauwen gefronst, neusgaten wijd open, consumptie rond zijn mond, en vraag me af of zijn vader en moeder toevallig ook broer en zus zijn.

Ik krijg de kans niet om het hem te vragen want op rechts komen twee conducteurs de schuifdeuren door. Op links stuiven de hyena’s de trap op, een coupé in.

Ik overweeg alles tegen een conducteur te zeggen maar moet al onverwacht hard knijpen om ‘goedenavond’ uit te brengen

Even overweeg ik alles tegen een conducteur te zeggen maar ik moet al onverwacht hard knijpen om ‘goedenavond’ uit te brengen. Als de conducteurs weg zijn kijkt de man met de krant me voor het eerst aan en schudt het hoofd. ‘Erg, hè?’ Ja meneer, heel erg.

De conducteurs lopen door, ze naderen de jongens die net vluchtten maar tegen het einde van de trein zijn aangelopen. Van opzij moet het tafereel eruitzien als een klassieke Tom en Jerry: conducteur boven, jongens beneden, conducteur beneden, jongens boven. 

Dan kiest de traagste van het stel – en dat bedoel ik in de breedste zin van het woord – de verkeerde trap. Hij loopt vast en moet nu toch echt zijn treinkaartje laten zien. Eerst wil hij naar het toilet. Dat is zijn mensenrecht. Hij vindt dat hij onheus wordt bejegend, in die woorden ook. O, hij was in de veronderstelling dat dit kaartje heen én terug geldig was. Retóúr? Heet dat zo? O, dat wist hij niet hoor.

Als blijkt dat zijn plotselinge beleefdheid hem niet gaat redden, schakelt hij terug naar kankermodus. Vol bewondering kijk ik op naar de kalme conducteur en vraag me af hoe het staat met zijn geweldsfantasieën terwijl hij de zwartrijdboete uitschrijft.

De eenzame hyena moet eruit in Den Bosch. Ik mag eruit in Den Bosch. Thuis houdt mijn lief me vast tot ik niet meer tril. Ik voel hem steeds verder aanspannen, alsof hij mijn woede absorbeert.

Toen ik uit de trein stapte en die niet veel later weer zag wegrijden met drie van de vier hyena’s nog aan boord, dacht ik: goed zo, opgetyft uit mijn stad. Die opluchting maakt niet veel later plaats voor buikpijn over dat ik niks gezegd heb, dat niemand iets gezegd heeft en dat ergens tussen Den Bosch en Eindhoven weer een kankerhoer op een klapstoel zal zitten.