De dapperste jongen op het internet is de zoon die met zijn islamitische moeder in de keuken staat, in een pan smeuïge macaroni roert en tegen zijn ma zegt: ‘That’s what good pussy sounds like’. stopt vlak voordat hij klappen krijgt. 

Ik zit in de bioscoop en even denk ik good pussy te horen, rechts van me. 

Dapper. Twee lege stoelen tussen mij en het sappige geluid. Als de film begint, valt er licht op degene die het maakt. Geen poes. Het is een man. Met open mond kauwt hij op wat waarschijnlijk snoep of kauwgom is, maar klinkt als een wispelturige octopus. Ik kijk links van me, ook daar wordt het gruwelend opgemerkt.

Als ik iets langer naar rechts tuur, in een poging de blik van de veroorzaker te vangen, zie ik waarom zijn geslobber zo opvallend luid is. Zijn kauwgom wil niet in zijn mond blijven. Steeds kruipt er een stukje in zijn mondhoek, dat hij dan met grote halen van zijn ongewoon grote tong terug in zijn mond stopt, waarna het opnieuw bevochtigd moet worden, wat klinkt als het begin van een vaatwasprogramma.

Maar mijn waardevolle analyse dan?

Er zijn bioscopen in Den Bosch. Die met de leren ligstoelen, een wetteloze arena waar iedereen door de film heen praat. En het filmhuis, waar het stiller is maar je je benen niet kunt strekken. Toch is het risico op fittie in die tweede bios groter. De ervaring leert dat terugschreeuwen in de eerste bioscoop prima werkt. Er ontstaat dan een korte woordenwisseling, daarna is het stil. In het filmhuis raken mensen soms verontwaardigd als je ze aanspreekt op hun gewauwel – maar hun waardevolle analyses dan?

We zitten in het filmhuis want ik heb al veel gelegen vandaag. 

Ik probeer het golfslagbad rechts van me te negeren. Dat is lastig, want het geluid in het filmhuis staat niet zo hard. Na drie kwartier – het is nog niet bekend wie de moord in het landhuis heeft gepleegd – slaat de wanhoop toe. Hoelang blijft deze kauwgom nog elastisch? Hoe kan die vrouw rechts naast hem dit doorstaan? Waarom zégt niemand iets?

Oh kut, ik ben niemand.

Ik denk aan de man die laatst in de trein, roodgloeiend, in mijn gezichtsveld kwam hangen en brulde of ik áls-jé-bliéft mijn muziek wat zachter kon zetten. Geen probleem natuurlijk, zei en deed ik, maar was zijn woede niet nogal overtrokken? Hij had het toch gewoon kunnen vragen?

Toen ik van de eerste schrik was bekomen, mijn muziek nu op half volume, realiseerde ik dat deze man al vanaf Utrecht naar lekkende hi-hats uit oordopjes had zitten luisteren. Zich had opgevroten, de teringherrie had proberen te negeren, maar inmiddels overmand was door irritatie.

God weet hoeveel pogingen hij al had gedaan mijn aandacht te trekken – tot het voor beleefdheid te laat was 

God weet hoeveel pogingen hij al had gedaan mijn aandacht te trekken, subtiel duidelijk te maken dat hij gek werd – tot het voor beleefdheid te laat was. 

Intussen heb ik geen idee meer waar de film over gaat. Ik moet niet die man uit de trein worden. Niet ontploffen. Er gewoon nu iets van zeggen. Op tijd.

Ik leun zo ver mogelijk naar rechts vanuit mijn stoel. ‘Psst’ zou werken in die andere bioscoop, hier niet. Dus ik fluister, dwingend: ‘Meneer.’ Niks. ‘Me-néér’. Fuck. ‘Ey, meneer!’ Nu word ik ge-ssst door een ander. Ik geef op. De smakkende meneer geeft geen krimp. Hij heeft niet eens opzij gekeken.

Ik ben de overlastveroorzaker geworden

Ik ben de overlastveroorzaker geworden. Dus moet ik voorzichtiger handelen. Ik laat mezelf uit mijn stoel glijden, schuif een zitje op, nog een zitje op, tik de man aan. ‘Meneer, u zit heel hard te smakken.’ Hij kijkt opzij, naar de vrouw naast hem en haalt zijn schouders op. De vrouw kijkt vanachter zijn rug verbaasd naar mij, terwijl ik ‘smakken’ probeer te gebaren, maar dat gebaar lijkt op ‘praten’ en dat doen ze nou net niet.

De mensen links van me beginnen zich te roeren dus schuif ik opgelaten terug. Misschien stel ik me aan en heb ik nu de rust van anderen verpest. Hoe hard praatte ik? Ik was in de ban van de vochtige omwenteling van zijn tong, hoorde mezelf niet. 

Het smakken gaat nog heel even door maar daarna is het stil. Het is een goede film.

Als de lichten weer aangaan sta ik op, ik moet langs de smakker op weg naar buiten. Hij staat ook op, pakt me bij mijn pols. Hij wijst naar een apparaatje in zijn hand, dan naar zijn oor.

‘Ik zit op de ringleiding.’

Ik herinner me een klasgenoot die er ook een had: een draadloos systeem waarmee slechthorenden in een collegezaal of concertzaal ongestoord het geluid kunnen volgen. 

‘Sorry voor het smakken. Maar ik hoor mezelf niet.’