Hij tilt het pakje klopklop op met beide handen en houdt het hoog boven zijn hoofd, zoals Rafiki Simba onder de oksels vatte toen het tijd was hem voor te stellen aan de rest van het dierenrijk.

Dan draait hij een halve cirkel, lokaliseert de plank voor de slagroom, zegt ‘ja’ en zet hem liefdevol neer, zachtjes, als de bovenste steen van een zwaarbevochten Jenga-toren.

Op zijn vakkenvullerjas staan zijn naam, het verzoek om anderhalve meter afstand te houden en iets over dat hij je graag helpt, maar dan wel samen met een andere collega. Als ik hem groet roept hij onverwacht hard: ‘Alles goed?!’ en ik beaam. ‘En met jou?’

Met hem niet, zegt hij. En met mij ook niet. Dat kan nooit, zegt hij. Nooit is álles goed, want iedereen houdt er een ander idee van ‘goed’ op na. Daarom is er altijd wel ergens oorlog.

Goed punt. Maar het gaat nagenoeg-allemaal-goed, hoor, vervolgt hij. Hij is bijna klaar met werken en vanavond gaat hij barbecueën. Ik ook, ziet hij in mijn mandje? Het is volgens hem geen traditioneel barbecueweer, dus hij waardeert onze gelijkgestemdheid.

Wist ik trouwens dat er een website is die cijfers geeft aan het weer? Dan is het twintig graden met een wolkje en staat er in de zijbalk; wandelen: een acht. Strand: een zes. Vlees bakken in de tuin: een zeven. Hij vraagt zich, plots weer luid, af: ‘Wie beoordeelt er nou weer... het weer?!’

Ik vraag het hem af. Zijn leidinggevende staat een paar schappen verderop grinnikend eieren te spiegelen. Hij wijst naar haar: ‘Zij barbecuet alleen bij een acht of hoger. Dan maak je dus nooit mee dat de kolen naderhand vanzelf uitregenen.’

Maar goed, zijn goed gaat dus niet goed zijn voor iedereen. Hij vraagt zich af hoe we ooit wereldvrede gaan krijgen. Misschien moet er iets heel ergs gebeuren, zodat we het allemaal eens kunnen zijn over hóé erg. Maar misschien geldt voor erg wel hetzelfde als voor goed. De apocalyps zou ons van dat twisten kunnen afhelpen, een allesvernietigende ramp, de zondvloed, een komeet die inslaat, einde discussie, vrede op aarde.

Mid-mijmering trekt hij zijn jasje uit, het is vijf uur. Ik heb mijn laatste boodschap gevonden en speur naar een kassa. Maar ik heb nog wel een vraag: ‘Als we er niet meer zijn, dan maken we die wereldvrede ook niet mee, toch?’

‘Ja’, zegt hij terwijl hij zijn jas opvouwt tot een strak vierkant. ‘Dat is het mooie: mensen bestaan niet als ze niet gezien worden. Vrede wel.’

Lees ook:

Racisme Racisme ontwricht maatschappijen en houdt ongelijkheid in stand. Maar hoe werkt het? Waar komt het vandaan? En wat kunnen we ertegen doen? Ga naar de leeslijst over racisme die ik met OluTimehin Adegbeye samenstelde