Om er te komen dient de reiziger zich door een berg rijstebrij van drie mijl dik te vreten. De moeite loont, want eenmaal aangekomen blijkt de wijn en limonade door de rivieren te stromen. De inwoners van Luilekkerland proppen zich de hele dag vol. Sommigen zijn zo dik ze niet eens meer kunnen lopen. Geen nood: gebraden ganzen vliegen rechtstreeks de mond in en het regent warme vlaaien, pasteien en pannenkoeken. De daken zijn gemaakt van snoep, de muren van worst en de vensters en deuren van zalm en steur.

In Luilekkerland, ook wel Cocagne genoemd, is nooit ruzie. Niemand weet wat geweld is en alle mensen zijn gelijk aan elkaar. Er wordt gefeest, er wordt gedanst, er wordt gezopen. Iedereen doet het met iedereen. 

‘Naar middeleeuwse opvatting zou het huidige West-Europa in hoge mate de verwezenlijking van Cocagne zijn’, schrijft historicus Herman Pleij in Dromen van Cocagne (1997). ‘Fastfood is er op elk uur van dag en nacht, evenals klimaatbeheersing, vrije seks, arbeidsloos inkomen en plastische chirurgie die de jeugd verlengt.’

Want ja: wereldwijd zijn er al meer mensen met obesitas dan honger. Het moordcijfer ligt veertig keer lager dan in de middeleeuwen en voor iedereen met het juiste paspoort is er een indrukwekkend sociaal vangnet opgetuigd. Misschien is dat wel ons grootste probleem: de droom van Luilekkerland begint op te raken. Een beetje meer consumptie, een beetje meer veiligheid – het kan nog wel, maar de nadelen in de vorm van milieuvervuiling, obesitas en Big Brother zijn zo langzamerhand een stuk groter.

Voor de middeleeuwer was Luilekkerland het paradijs. ‘Een vluchtroute uit het aardse lijden’ noemt Herman Pleij het ook wel. Want dat vergeten we nog wel eens: het verleden is een bak ellende. Gedurende zo ongeveer 99 procent van de wereldgeschiedenis was 99 procent van de wereldbevolking arm, hongerig en smerig. 

Slapend rijk worden

‘Geld is daar ingeruild voor het goede leven,’ jubelt de middeleeuwse dichter. ‘Wie het langst slaapt, verdient het meest.’ En er zijn talloze feestdagen: viermaal Pasen, viermaal Pinksteren, viermaal Sint-Jansmis en viermaal Kerstmis. Iedereen die wil werken wordt opgesloten in onderaardse kerkers. Zelfs het uitspreken van het woord ‘arbeid’ geldt als zwaar vergrijp.

De ironie is dat de middeleeuwse poëet waarschijnlijk dichter bij Luilekkerland zat dan wij nu. In 1300 barstte de kalender nog van de vrije dagen. Een Frans martelwerktuig luisterde zelfs naar de naam ‘travail’. De meeste boeren werkten niet harder dan nodig was voor hun levensonderhoud. Na zonsondergang viel er sowieso weinig meer te doen. Juliet Schor (Harvard University) schat dat in Engeland maar liefst één derde van het jaar aan vakantie op ging. In Spanje zouden het maanden zijn geweest en in Frankrijk bijna zes.

Waar is al die vrije tijd gebleven?

Eigenlijk is het simpel: tijd is geld. Economische groei kun je omzetten in meer vrije tijd of meer consumptie. Van 1850 tot 1980 deden we het allebei nog, maar sindsdien is vooral de consumptie gegroeid. Zelfs waar de reële inkomens gelijk bleven (zoals in de VS) ging het consumptiefeest door – op krediet. Bovendien is in veel landen de ongelijkheid geëxplodeerd, waardoor de baten van groei bij een kleine minderheid zijn terechtgekomen. Dat was geen historische noodzakelijkheid, maar een gevolg van politieke keuzes. 

Het kan anders.

Experimenten

Engeland, 1973. Premier Edward Heath zit met de handen in het haar. De inflatie bereikt recordhoogtes, de overheidsuitgaven rijzen de pan uit en de vakbonden zijn voor geen enkel compromis te porren. Dan beginnen de mijnwerkers te staken. Terwijl de energie steeds schaarser wordt, hullen de Britten zich in dikke truien. ’s Avonds haasten ze zich door pikdonkere straten, want de lichten moeten vroeg uit. Aan het einde van het jaar is zelfs de kerstboom op Trafalgar Square in duisternis gehuld.

Dan neemt Heath een radicaal besluit.

Op 1 januari van het volgende jaar wordt de driedaagse werkweek ingevoerd. Bedrijven mogen niet langer dan drie dagen per week stroom verbruiken, totdat de energievoorraden weer groot genoeg zijn. Staalmagnaten voorspellen dat de industriële productie zal inzakken met maar liefst vijftig procent. James Prior, leider van de Conservatieven in het parlement, vreest een catastrofe.

Maar de geschiedenis van Luilekkerland zit vol verrassingen. Begin maart 1974 kon de vijfdaagse werkweek worden hervat. Toen ambtenaren een paar maanden later berekenden hoe groot het productieverlies was geweest, konden ze hun ogen niet geloven: slechts 6 procent.

Voorbeelden te over. Zo besloot Volkswagen begin jaren negentig, in navolging van Henry Ford, de werkweek in te korten. De Duitse autofabrieken bleken meer te produceren in 28,8 uur dan in 36 uur – en er werden 30.000 banen mee gered.

‘Ik dacht, we kunnen hier nog zes maanden op studeren, of we kunnen het nu gewoon doen’

Nog een beter voorbeeld is de Amerikaanse staat Utah. In 2008, toen de werkloosheid opliep, de energieprijzen stegen en de rijen bij de voedselbanken steeds langer werden, kwam gouverneur Jon Huntsman met een rigoureuze oplossing. De vierdaagse werkweek (vier dagen van tien uur) werd in één klap voor bijna alle ambtenaren ingevoerd. ‘Ik dacht, we kunnen hier nog zes maanden op studeren, of we kunnen het nu gewoon doen,’ herinnerde Huntsman zich later.

Al snel zei acht op de tien werknemers zo gelukkiger te zijn. Zes op de tien rapporteerde een hogere productiviteit. Het ziekteverzuim daalde overal en er werd een fortuin op brandstof bespaard. Nog een leuke bijkomstigheid: Utah werd nationaal kampioen vrijwilligerswerk. Toen de nieuwe gouverneur twee jaar later een einde wilde maken aan de vierdaagse werkweek, negeerden grote steden als West Valley City en Provo zijn besluit.

In de afgelopen decennia zijn er werkelijk honderden  gedaan die aantonen dat productiviteit en lang werken maar weinig met elkaar te maken hebben. ‘Working 90 hours a week and loving it!’ stond er op de T-shirts van Apple-techneuten in de jaren tachtig. Productiviteitsexperts berekenden later dat we de Mac een jaar eerder hadden gehad als ze half zulke lange dagen hadden gemaakt.

Kijk alleen al naar ons eigen land: volgens de OESO (de denktank van rijke landen) werken Nederlanders 1.379 uur per jaar, tegenover de 1.787 uur van de Amerikanen en de 2.032 uur van de ‘luie’ Grieken. Het belet Nederland niet in de top van meest concurrerende economieën ter wereld te staan. 

De vraag dringt zich op: waar blijft Luilekkerland?

  De oplossing voor (bijna) alles: minder werken Donderdag schreef ik een groot stuk over waarom minder werken de oplossing is voor veel van de grootste problemen van deze tijd. Hier vind je het artikel