Lucy verandert van een gewone vrouw, hoewel misschien iets aantrekkelijker dan gemiddeld, in een supermens. Ze leert in een uur Chinees, kan spontaan objecten bewegen met haar gedachten, en ontwikkelt nog veel meer bovenmenselijke talenten.

Ze kreeg namelijk een middel toegediend waardoor ze haar hersenen voor de volledige 100 procent kan gebruiken, in plaats van de karige 10 procent daarvoor. Het resultaat is verbluffend. En het is volledig fictie.

Want Lucy, gespeeld door Scarlett Johansson, is de hoofdpersoon van de gelijknamige die gisteren in Nederland in première is gegaan. De haakt aan op de hardnekkige mythe dat we slechts tien procent van ons brein, of van onze ‘hersencapaciteit’, zouden gebruiken. In 2011 baseerde de film zich ook al op deze, kennelijk nogal aansprekende, aanname. Hoog tijd om uit te leggen waarom dit tienprocentverhaal een mythe is.

Albert Einstein, William James, of toch Dale Carnegie?

De tienprocentmythe kent meerdere varianten. Soms is te lezen dat we maar 10 procent van ons brein gebruiken. Soms wordt gezegd dat het gaat om 10 procent van onze hersencapaciteit. De eerste variant lijkt een materiële basis te hebben, namelijk dat we slechts een tiende van het totaal aantal hersencellen gebruiken.

De tweede variant lijkt te duiden op iets abstracts, zoals ‘mentale capaciteit’. Oftewel, wat iemand momenteel ‘allemaal kan’, als percentage van wat diegene ‘maximaal zou kunnen’. Zoals in het boek waarin trucs worden gegeven voor het benutten van de 90 procent verspilde ‘human capacity’.

Bijna iedereen heeft de bewering wel eens gehoord, en ook uit onderzoek blijkt dat de mythe veelal voor waar De sociaal wetenschappers Green en Clemence deden onderzoek naar de overdracht van wetenschappelijke informatie op het algemene publiek. Ze ontdekten dat als mensen over een wetenschappelijke vinding lezen, ze vooral de informatie onthouden die hun eerdere overtuigingen bevestigt, en er dan een voor henzelf kloppend verhaal van maken. In dat proces speelt niet alleen kennis (of het gebrek hieraan) een rol, maar ook de emotionele lading van

Het idee dat we meer capaciteit hebben dan we benutten, is hoopgevend

De tienprocentsmythe, het idee dat we veel meer capaciteit hebben dan we doorgaans benutten, is waarschijnlijk hoopgevend en daardoor emotioneel geladen. Dat maakt het idee ook zo hardnekkig. De precieze oorsprong is, zoals wel vaker bij mythen, niet helemaal duidelijk. Sommigen wijzen naar Albert Einstein, die ooit gezegd zou hebben dat zijn hoogbegaafdheid te danken was aan het gebruiken van méér dan 10 procent van zijn brein.

Ook de Amerikaanse filosoof en psycholoog een van de grondleggers van de moderne psychologie, wordt wel eens als bron genoemd. Hij zou begin vorige eeuw hebben geschreven dat we ‘maar een klein deel van onze mentale en fysieke potentieel benutten’.

Dit werd in 1936 door iemand anders, namelijk Lowell Thomas in het voorwoord van het boek How to win friends and influence people van de Amerikaanse schrijver vertaald naar: ‘Professor William James of Harvard used to say that the average person only develops 10 percent of his latent mental ability.’

Denkende, verzorgende, en beschadigde cellen

Een andere mogelijkheid is dat de kiem ligt in observaties van het brein zelf. In zijn handboek Biological Psychology verklaart de Amerikaanse psycholoog James Kalat de als volgt: er werd jarenlang gedacht dat een bepaalde groep veelvoorkomende maar erg kleine hersencellen, ‘lokale neuronen’ genoemd, geen functie hadden - tot het tegendeel werd bewezen. Volgens Kalat is dit wellicht hoe de mythe de wereld in is geholpen.

We hebben verschillende soorten cellen in ons brein. De cellen die het ‘denkwerk’ verrichten zijn de neuronen, en werken zoals hierboven uitgelegd. Maar er zijn ook andere typen cellen, die een meer ondersteunende rol hebben. Dit worden gliacellen genoemd. Gliacellen zijn meer verzorgend, ze voorzien de neuronen bijvoorbeeld van voeding en energie. De schatting is dat gliacellen vs. neuronen voorkomen in de verhouding 10:1.

Omdat alleen neuronen leiden tot hersenactiviteit, klopt het dus in zekere zin dat deze activiteit maar op 10 procent zit. Dit toeval wordt ook wel eens geopperd als mogelijke herkomst van de mythe. Maar daarmee klopt de interpretatie dat het gaat om 10 procent van onze hersencapaciteit nog niet. Gliacellen kunnen namelijk nooit de rol aannemen van prikkel-overdragende neuronen, en de 90 procent gliacellen zullen dus niet tot verhoogde capaciteit kunnen leiden.

Een zwaar beschadigd brein kan vaak nog heel veel

De mythe kan ook nog zijn gebaseerd op gevallen van zware hersenschade, waardoor iemand het moet doen met slechts een klein beetje hersenweefsel. Omdat het brein een verbijsterend vermogen heeft om te veranderen, een verschijnsel dat ook wel plasticiteit wordt genoemd, kan het zijn dat de resterende grijze massa zich zó reorganiseert dat het nog vele functies kan blijven aansturen. In sommige extreme gevallen misschien met maar 10 procent van de reguliere hersenomvang. Bij hydrocephalus, oftewel waterhoofd, kan dit

Dat zegt echter niets over gezonde breinen. De plasticiteit die zorgt voor reorganisatie van een afwijkend klein brein, treedt niet op in het onbeschadigde brein. Het weghalen van 90 procent van jouw of mijn brein zal ons een stuk zwaarder toetakelen dan iemand die met weinig hersenweefsel geboren wordt. Het is dus zeker niet zo dat we 90 procent van ons brein voor niets hebben.

Waarom het tienprocentverhaal niet klopt

Het is simpel: elke hersencel, of neuron, in ons brein is continu actief. Neuronen geven informatie aan elkaar door met stroompjes die door de cel lopen. Waar een neuron contact maakt met een ander neuron, zorgt het stroompje voor de afgifte van chemische stoffen, die in dit andere neuron weer een stroompje kunnen veroorzaken. Dit heet prikkeloverdracht.

Er is altijd activiteit, in elk neuron

Het vlies (membraan) om zo’n neuron maakt dit mogelijk: er zitten allemaal kanalen en pompjes in die elektrisch geladen deeltjes naar binnen of buiten laten. Dit gebeurt voortdurend, ook als er geen specifieke prikkel wordt doorgegeven op dat moment – ook als we slapen. Er is dus altijd activiteit, in elk neuron.

Sommigen noemen het alleen activiteit als er wél prikkeloverdracht is. Maar ook volgens die definitie zijn elk moment vele hersengebieden actief. Het idee dat elk hersengebied één functie heeft, is sterk verouderd. Hersengebieden werken altijd samen. Als je bijvoorbeeld van je werk naar huis fietst, is de kans groot dat er overal in je brein neuronen actief zijn: in gebieden die beweging aansturen, die de weg zien en onthouden hebben, die vogels horen fluiten.

En niet te vergeten de gebieden die actief worden als je zomaar wat denkt, bijvoorbeeld aan je schoonmoeder die die avond komt eten. Ik heb vaak genoeg met mijn handen in het haar gezeten omdat de van mijn proefpersonen activiteit in bijna het hele brein lieten zien, in plaats van alleen de gebieden die ik selectief had willen activeren in mijn − dacht ik − goed doordachte en gecontroleerde

Hersenactiviteit zoals gemeten in het bovengenoemde experiment.

Hersenactiviteit zoals gemeten in het bovengenoemde experiment.

De stroompjes van het ene neuron bereiken het andere via lange uitlopers, die de verbindingen tussen neuronen vormen. Elk neuron heeft vele verbindingen met vele andere neuronen, samen vormen ze uitgebreide neurale netwerken. De verbindingen liggen niet vast.

Het verschil tussen ‘l’ en ‘r’ bestaat niet in hun eigen taal, dus verdwijnen de hersenverbindingen waarmee het verschil kan worden doorgegeven

Als een verbinding niet wordt gebruikt, wordt deze afgebroken. Dit wordt ook wel uitgelegd met de slogan ‘Use it or lose it’, en verklaart waarom bijvoorbeeld Japanners, tenzij ze tweetalig opgroeien, het verschil niet meer kunnen horen tussen de spraakklanken ‘l’ en ‘r’. Dit verschil bestaat namelijk niet in hun eigen taal, dus worden de hersenverbindingen waarmee het verschil doorgegeven kan worden aan de gehoorcentra in het brein niet gebruikt, en verdwijnen ze.

Volgens dit principe zou het overgrote deel van ons brein afsterven als we maar 10 procent van de hersencellen zouden gebruiken. Ik heb honderden MRI-beelden van mensenbreinen van alle leeftijden gezien en kan je verzekeren dat dit niet is wat er gebeurt.

Maar het brein is verre van statisch

Toch zit er wel een kern van waarheid in het filosofische (en ethische) vraagstuk waar de film Lucy op inspeelt: wat als we onze hersencapaciteit zouden kunnen vergroten? Deze vraag is niet volledig uit de lucht gegrepen: Het blijkt steeds meer dat ons brein, en daarmee onze dagelijkse vaardigheden, waaronder intellectuele, verre van statisch is. Je kan je brein blijven trainen, net zoals een spier. Verbindingen worden sterker en slapper, afhankelijk van hoeveel je ze gebruikt.

Schoolkinderen die geloven dat ze kunnen verbeteren hoe goed ze zijn in wiskunde, halen ook daadwerkelijk betere cijfers

Onderzoek laat zien dat dit hoopgevende kennis is. Bijvoorbeeld, schoolkinderen die geloven dat ze kunnen verbeteren hoe goed ze zijn in wiskunde, halen ook daadwerkelijk betere cijfers dan hun − even intelligente − klasgenoten die denken dat hun prestaties afhangen van een wel of niet aanwezige Ook komen er steeds meer middelen en technieken op de markt om je cognitieve prestaties te verbeteren, de zogenaamde Deze zijn in sommige gevallen maar neuro-enhancement roept ook ethische vragen op. Het kan prettig zijn dat je de werking van je brein kunt verbeteren, maar gebruik door de één kan de druk op anderen leggen om mee te doen, en zo ook in de race te blijven.

Lucy laat geen realistisch beeld zien. Of misschien toch een klein beetje: we hebben wel degelijk het vermogen te vermeerderen wat we kunnen. Maar dat is een kwestie van ons volledige brein beter of efficiënter gebruiken door het te trainen